Het is heel erg moeilijk om iemand te weerhouden van suïcide. Christine Meijer heeft het zelf meegemaakt en bij anderen ervaren. Het motiveert haar om suïcidepreventie op de kaart te zetten. Ze doet dat als commissielid van het onderzoeksprogramma Suïcidepreventie van ZonMw.

Zelfstandig ICT-adviseur en -projectleider Christine Meijer (49) slaagt er meestal in goed te functioneren. Maar zelfs dan voelt ze zich ongelukkig en eenzaam. Al levenslang. Contacten lopen soms haperend. In 2013 raakte ze in zo’n diepe crisis, dat ze aan niets anders meer kon denken dan de dood. Alles had ze tot in de puntjes voorbereid.

Ik wil dood

‘Ik was in gesprek met Stichting De Einder. “Ik wil dood”, kon ik voor het eerst tegen iemand zeggen. Een maand was ik er nog vandaan. Ik hoefde alleen de pillen nog te bestellen en mijn testament te maken. En toen werd ik naar een psychiater verwezen – ik stond inmiddels 7 maanden op de wachtlijst van de GGZ. “Ik zie nog wel kansen voor jou”, zei zij. Die zin maakte dat ik, zij het schoorvoetend, akkoord ging met opname.’

Uitstellen

Na een lange, eenzame weg, vol angst, paniek, schaamte, verdriet en zielenpijn raakte Christine gaandeweg weer in de wereld. Tijdens de opname, dagbehandeling en therapie ontmoette ze andere mensen die dood wilden. Die wilde ze bijstaan en redden. Wat soms lukte. ‘Je moet proberen het moment van suïcide uit te stellen – een uur, een dag.’

Keukentafelgesprekken

Mensen moeten hun doodwens kunnen uiten, weet Christine. Ze behaalde in 2009 haar bachelor Psychologie en ontplooide het initiatief om als ervaringsdeskundige keukentafelgesprekken aan te bieden. De hulpverlening stond daar niet voor open. Een vriendin bracht haar uiteindelijk in contact met ZonMw, dat verkennende interviews deed voor het onderzoeksprogramma Suïcidepreventie. Daarna werd ze gevraagd als lid van de commissie van dat programma, in de rol van ervaringsdeskundige.

Inbreng ervaringsdeskundigen

‘Bij de beoordeling van onderzoeksvoorstellen heb ik gelet op de inbreng daarin van mensen die ervaring hebben met suïcidaliteit, zelf of in hun omgeving. Daar was meestal wel in voorzien, al waren ervaringsdeskundigen doorgaans geen volledig lid van de begeleidingscommissies van de projecten. Verder keek ik of projecten voldoende bescherming en nazorg boden aan deelnemende patiënten. Suïcidaliteit is erg heftig om over te praten, er zijn trauma’s die van alles kunnen oproepen. Dat heb ik steeds benoemd. Een gevecht heb ik niet hoeven te voeren – de andere commissieleden waren overtuigd van het belang daarvan.’

Selectie

‘Ik heb mijn ervaringen mogen delen met een ZonMw-project dat de Universiteit Groningen doet naar de opleiding van ervaringsdeskundigen voor suïcidepreventie. Ik heb toen benadrukt dat zo’n opleiding naar mijn mening heel breed moet zijn. Alleen uitgaan van je eigen ervaring vind ik gevaarlijk. Eigen ervaring wil niet zeggen dat je in staat bent om anderen te helpen. Je moet over méér kwaliteiten beschikken. Gesprekstechnieken beheersen. Psychiatrische ziektebeelden kennen. Veel casussen meemaken. En weten hoe de GGZ werkt, ook als je het daar niet mee eens bent. Ik zou voor zo’n opleiding een heel goede selectie van kandidaten maken.’

Ik geloof in aandacht

‘Ik ben zelf geen onderzoeker, dus ik kan mijn ervaringen niet vertalen naar onderzoeksvragen. Maar ik signaleer wel dat suïcidale mensen niet de zorg krijgen die ze nodig hebben. Zorgverleners en naasten durven nauwelijks over sterfelijkheid te spreken, bang dat het mensen op ideeën brengt. Ervaringen die ik als naaste met anderen had op de Spoedeisende Hulp vond ik ontluisterend: suïcidale patiënten werden er als stront behandeld. Hard. “Je hebt het jezelf aangedaan, terwijl hier ook mensen komen met een hartaanval.” Verder wordt binnen de GGZ niet gekeken wanneer je weer kunt dealen met je leven, maar of het zorgpad is afgelopen. Ik geloof echt in aandacht, in een speciale kliniek, met een warm programma, waar je inzicht leert krijgen waarom je zo beschadigd bent geraakt.’

Mensen bereiken

‘Mijn doel is het onderwerp op de kaart te zetten. Daarom ben ik er dankbaar voor dat ik kan deelnemen aan de programmacommissie, zeker na de teleurstellende reacties van hulpverleningsorganisaties. Ik denk dat er levens te redden zijn. Wetenschappelijk bewezen methoden kunnen daarbij worden ingezet. Ik hoop ook dat je mensen kunt bereiken door te stimuleren dat ze over hun plannen durven te praten, dat suïcidaliteit aandacht krijgt. De commissie kost me veel emotionele energie, maar die besteed ik er graag aan.’

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: NavigatieDirect naar: Onderkant website