Samenwerken in crisistijd: lessen voor de volgende pandemie
Tijdens de COVID-19-pandemie werkten onderzoeker prof. dr. Frederique Paulus (Amsterdam UMC) en intensivist-onderzoeker dr. Rik Endeman (OLVG/Erasmus MC) nauw samen aan 2 onderzoeksprojecten.
Ze kregen meer inzichten in beademingsstrategieën en het gebruik van corticosteroïden. Intussen leerden ze ook belangrijke lessen voor toekomstige pandemieën.
Jullie werkten aan 2 verschillende projecten?
Endeman: Formeel waren het 2 aparte studies, maar in de praktijk deden we alles samen. Frederique had al een enorme database met patiëntgegevens. Die hebben we samen verder uitgebreid en gebruikt om meerdere onderzoeksvragen te beantwoorden. In ons vakgebied is er van oudsher wel wat rivaliteit tussen centra. Maar wij hebben laten zien dat samenwerking veel meer oplevert: 1 plus 1 werd hier echt 3.
Paulus: Het ging veel verder dan data-uitwisseling: onze teams coördineerden samen en publiceerden samen. Dat heeft enorm geholpen.
Hoe zijn jullie in dit onderzoek terechtgekomen?
Paulus: In de eerste weken van de pandemie begonnen we in Amsterdam direct met het verzamelen van gegevens van IC-patiënten in ongeveer 20 Nederlandse ziekenhuizen. Het was enorm druk, maar we voelden dat dit belangrijk was.
Endeman: Voor ons sloot dat goed aan op bestaande onderzoekslijnen naar beademing en ontstekingsreacties. COVID-19 was natuurlijk een enorme belasting voor de zorg, maar vanuit onderzoeksperspectief schiep het ook veel mogelijkheden.
Het belangrijkste is dat je voorbereid bent. Je zou eigenlijk willen dat er al een infrastructuur klaarstaat: samenwerkingsverbanden, databases en afspraken, zodat je meteen kunt beginnen zodra er een nieuwe uitbraak is.
Wat hebben jullie ontdekt over corticosteroïden?
Endeman: Corticosteroïden zijn belangrijk voor ernstig zieke COVID-19-patiënten, maar er waren nog vragen: wanneer moet je starten, hoeveel geef je en bij welke patiënten? We zagen vooral dat timing cruciaal is. Je kunt het best vroeg in het ziekteproces starten. En als je de dosering wilt verhogen, moet je dat ook vroeg doen. Later in het ziekteproces lijkt het effect afwezig of mogelijk zelfs ongunstig. Daarnaast begrijpen we beter hoe je behandelingen kunt personaliseren. Het blijkt minder zinvol om vooraf in te schatten wie er baat heeft bij corticosteroïden; je kunt veel beter kijken wat er gebeurt nadat je start. De reactie van een patiënt, bijvoorbeeld in zuurstofwaarden of ontstekingsmarkers in het bloed, voorspelt beter of de behandeling zinvol is. We zagen ook: als een patiënt niet goed reageert, dan is de kans op overlijden groter.
Wat leerden jullie over beademing?
Paulus: We hebben gekeken naar beademingsstrategieën, met name naar het gebruik van PEEP – de druk die helpt om de longen open te houden – en het moment waarop patiënten weer zelf gaan ademen. In het begin van de pandemie werd vaak uitgegaan van één uniforme aanpak. Maar uit onze data bleek al snel dat patiënten heel verschillend reageren. Sommige patiënten hebben baat bij een hogere druk, terwijl dat bij anderen juist schadelijk kan zijn. Dat betekent dat je beter moet kijken welke patiënt voor je ligt, in plaats van 1 strategie op iedereen toe te passen.
Hoe kun je dan beter differentiëren tussen patiënten?
Endeman: Daar kun je in theorie verschillende soorten informatie voor gebruiken. Denk aan ontstekingsmarkers in het bloed, maar ook aan beeldvorming van de longen. Daarmee kun je onderscheid maken tussen verschillende typen patiënten en gerichter behandelen.
Paulus: Met bijvoorbeeld long-echografie kun je zien of de longen in zijn geheel ziek zijn of dat er meer lokale afwijkingen zijn. Er loopt nu vervolgonderzoek, onder andere van collega-onderzoeker dr. Lieuwe Bos, om te bepalen of dit helpt om de optimale beademingsstrategie te kiezen.
Kon het onderzoek snel genoeg bijdragen tijdens de pandemie?
Endeman: ZonMw heeft het onderzoeksproces echt versneld tijdens de pandemie en dat was heel waardevol. Tegelijkertijd merkten we dat een pandemie zo snel verloopt dat je eigenlijk nóg sneller moet kunnen schakelen om direct impact te hebben op de patiëntenzorg.
Waar zat de grootste vertraging?
Paulus: Vooral in praktische en organisatorische zaken, zoals contracten voor datadeling tussen ziekenhuizen. Die moesten vaak opnieuw worden opgesteld, terwijl je eigenlijk direct wilt starten. Dat kost tijd die je in zo’n situatie eigenlijk niet hebt.
Endeman: Je hebt te maken met allerlei regelgeving en procedures die normaal heel belangrijk zijn, maar in een crisissituatie voor vertraging zorgen. Dat maakt het lastig om snel op te schalen.
Je kunt dan veel sneller opschalen. Het helpt als afspraken over bijvoorbeeld datadeling en ethische kaders al klaarliggen. Hoe ga je bijvoorbeeld om met informed consent bij heel zieke patiënten op de IC? Het is fijn als je dat niet hoeft uit te vinden in een crisissituatie.
Wat moet er anders bij een volgende pandemie?
Endeman: Het belangrijkste is dat je voorbereid bent. Je zou eigenlijk willen dat er al een infrastructuur klaarstaat: samenwerkingsverbanden, databases en afspraken, zodat je meteen kunt beginnen zodra er een nieuwe uitbraak is.
Paulus: Je kunt dan veel sneller opschalen. Het helpt als afspraken over bijvoorbeeld datadeling en ethische kaders al klaarliggen. Hoe ga je bijvoorbeeld om met informed consent bij heel zieke patiënten op de IC? Het is fijn als je dat niet hoeft uit te vinden in een crisissituatie.
Endeman: Pandemische paraatheid vraagt ook om stevige keuzes van de overheid. Je moet bereid zijn om vooraf te investeren in systemen en samenwerking, zonder dat je zeker weet wanneer je ze nodig hebt. Maar als het moment daar is, maakt dat een enorm verschil.
Wat is jullie belangrijkste boodschap?
Endeman: Blijf investeren in samenwerking en infrastructuur. Dat maakt het verschil in een volgende crisis.
Paulus: En vergeet niet wat we geleerd hebben. De neiging is groot om het weer los te laten, maar deze kennis is te waardevol om te verliezen.