Een vliegtuig bouwen in de lucht
Tijdens de coronapandemie moest onderzoek in recordtempo worden opgezet. Mathieu Tjoeng en prof. dr. Ingrid Molema (UMC Groningen) waren als commissievoorzitters betrokken bij het ZonMw COVID-19-programma. Ze blikken terug op een periode van grote urgentie, improvisatie en voortdurend schakelen.
Hoe kwamen jullie bij het COVID-19-programma terecht?
Tjoeng: Ik was op dat moment net gepensioneerd als hoofd van de Ziekenhuisapotheek en afdeling Klinische Farmacie/Farmacologie in het Sint Antonius Ziekenhuis in Utrecht/Nieuwegein/Woerden en werkte al samen met ZonMw rond drug rediscovery: het onderzoeken van bestaande geneesmiddelen voor nieuwe toepassingen. Toen de pandemie uitbrak, kwam de vraag of ik wilde helpen bij het opzetten van een groot onderzoeksprogramma rond diagnostiek en behandeling van COVID-19. Pas toen we begonnen, realiseerden we ons hoe omvangrijk dat programma eigenlijk was. Er kwamen ontzettend veel onderzoeksvragen en subsidieaanvragen binnen, terwijl de druk in de ziekenhuizen enorm was. Maar iedereen voelde dat er snel kennis nodig was.
Molema: Ik ben hoogleraar levenswetenschappen en had al vaker panelcommissies voor ZonMw voorgezeten. Mijn rol lag vooral bij het beoordelen van subsidieaanvragen. Daarbij is het belangrijk dat zo’n proces eerlijk verloopt. Nederland is klein; onderzoekers kennen elkaar vaak goed. Juist dan moet je scherp blijven op onafhankelijkheid en kwaliteit. Ik kwam binnen in een fase waarin de pandemie al volop gaande was. In eerste instantie lag de nadruk sterk op preparedness en diagnostiek: hoe bereid je je voor op volgende uitbraken en hoe krijg je het virus goed in beeld? Later verschoof de aandacht meer naar behandeling en post-COVID.
We zagen beelden uit Wuhan en Italië van overvolle intensive cares en ernstig zieke patiënten, terwijl er nog nauwelijks behandelingen beschikbaar waren.
Hoe zag die eerste fase van de pandemie eruit?
Tjoeng: Er was veel onzekerheid. We zagen beelden uit Wuhan en Italië van overvolle intensive cares en ernstig zieke patiënten, terwijl er nog nauwelijks behandelingen beschikbaar waren. Dat maakte enorme indruk. Tegelijkertijd moest er in Nederland heel snel iets worden georganiseerd. Welke kennis hebben we nodig? Welke onderzoeken moeten als eerste starten? Hoe houden we de zorg overeind? Dat speelde allemaal tegelijk.
Ik noem het vaak een vliegtuig dat in de lucht gebouwd werd. De grote lijnen waren er wel, maar veel onderdelen moesten tijdens de crisis nog worden ingericht.
Wat maakte het organiseren van onderzoek in die periode zo bijzonder?
Tjoeng: Vooral de snelheid. Normaal gesproken duren subsidieprocedures maanden. Nu moesten beoordelingen, vergaderingen en besluitvorming in zeer korte tijd plaatsvinden. In plaats van reguliere subsidierondes benaderden we onderzoeksinstituten soms rechtstreeks om snel onderzoek op te zetten, waarbij we samenwerking met andere instituten actief stimuleerden. Veel gebeurde online, omdat we elkaar niet fysiek konden ontmoeten. Dat vroeg enorm veel van iedereen: onderzoekers, beoordelaars, ZonMw-medewerkers en zorgprofessionals. Artsen schoven na hun werk op de IC online aan bij commissievergaderingen. Toch bleef de betrokkenheid groot.
Molema: Wat ik bijzonder vond, was dat iedereen hetzelfde gevoel van urgentie had. Daardoor werden data en kennis veel sneller gedeeld dan normaal. Tegelijkertijd moest je als commissie wel zorgvuldig blijven beoordelen. Ook in crisistijd wil je dat onderzoeksvoorstellen wetenschappelijk goed onderbouwd zijn en uitvoerbaar blijven.
Ook in crisistijd wil je dat onderzoeksvoorstellen wetenschappelijk goed onderbouwd zijn en uitvoerbaar blijven.
Het programma veranderde gaandeweg ook van richting. Hoe ging dat?
Molema: Dat hing samen met de ontwikkeling van de pandemie. In het begin draaide veel om acute vragen: hoe verspreidt het virus zich, hoe kunnen we testen, welke behandelingen lijken kansrijk? Later kwamen er andere vragen naar voren, bijvoorbeeld rond langdurige klachten na COVID-19. Dan verschuift logischerwijs ook de focus van onderzoeksprogramma’s.
Tjoeng: In het begin hadden we nauwelijks kennis over het virus. Naarmate er meer bekend werd, kon onderzoek specifieker worden ingericht. Sommige projecten sloten aan bij internationale studies, andere maakten gebruik van bestaande databanken of cohorten. Daardoor konden onderzoekers relatief snel verder bouwen op bestaande kennis.
Wat heeft het programma volgens jullie opgeleverd?
Tjoeng: Het programma heeft veel kennis opgeleverd over diagnostiek, behandeling en herstel na COVID-19. Maar we hebben ook geleerd hoe je tijdens een pandemie snel samen nieuw onderzoek opzet.
Molema: Het was daarnaast opvallend hoe snel onderzoek relevant kon worden voor de praktijk. Normaal duurt het vaak jaren voordat resultaten hun weg vinden naar de zorg, maar tijdens COVID-19 gebeurde dat soms veel sneller.
Welke lessen nemen jullie mee voor een volgende pandemie?
Tjoeng: Deze pandemie heeft laten zien hoe belangrijk voorbereiding is. In het begin moesten veel structuren nog tijdens de crisis worden opgebouwd. Ook zagen we hoe kwetsbaar de beschikbaarheid van geneesmiddelen kan zijn als de vraag wereldwijd ineens explosief stijgt. Daar moeten we ons ook beter op voorbereiden.
Molema: Ik denk dat we tijdens deze pandemie veel hebben geleerd over hoe je wetenschap, zorg en beleid sneller met elkaar kunt verbinden. Die ervaring is minstens zo waardevol als de afzonderlijke onderzoeksresultaten.