Sneller testen in crisistijd met LAMP-technologie
Toen de coronapandemie uitbrak, ontstond wereldwijd een enorme vraag naar testen. Prof. dr. Bart Keijser (TNO) werkte met partners aan een alternatief: een snelle en flexibele testmethode op basis van LAMP-technologie. Het project liet zien hoe je diagnostiek kunt opschalen in crisistijd en wat daarvoor nog meer nodig is.
Hoe is dit onderzoek ontstaan?
Aan het begin van de pandemie deed TNO onder de naam TNO Brains4Corona een brede oproep: kom met goede ideeën. Wij werkten normaal gesproken niet met virussen maar met DNA en RNA van bacteriën en schimmels. Die genetische principes zijn eigenlijk universeel. Tegelijkertijd zagen we dat testen op corona technisch niet zo ingewikkeld was, maar dat er grote tekorten ontstonden aan materialen, apparatuur en capaciteit. Daardoor werd testen vooral ingezet in ziekenhuizen, terwijl er juist ook daarbuiten grote behoefte was, bijvoorbeeld in verpleeghuizen. We zijn toen gaan nadenken: kunnen wij een test ontwikkelen die minder afhankelijk is van de bestaande infrastructuur?
Wat maakt deze test anders dan de standaard PCR-test?
De veelgebruikte PCR-test werkt met nauwkeurig gereguleerde temperatuurcycli om genetisch materiaal te kopiëren. Daar heb je speciale apparatuur en specifieke materialen voor nodig, en daar ontstonden juist tekorten. LAMP – kort voor Reverse Transcription Loop-mediated Isothermal Amplification - werkt anders. Die methode werkt bij één constante temperatuur. Daardoor ben je veel flexibeler in hoe en waar je de test uitvoert. Je hebt minder gespecialiseerde apparatuur nodig en kunt andere materialen gebruiken. Dat maakt je veel minder afhankelijk van schaarse middelen. Bovendien gaat het sneller: een PCR-test duurt ongeveer een uur en een LAMP-test kan in zo’n 20 minuten klaar zijn.
Hoe ging de ontwikkeling in de praktijk?
We zijn gestart met een proof of concept binnen TNO. Daarna hebben we, op verzoek van het ministerie van VWS, via ZonMw een project opgezet om de test met publieke en private partners verder te ontwikkelen. Daarbij was het belangrijk dat we ook de benodigde materialen in Nederland of Europa konden produceren, zodat we minder afhankelijk zouden zijn van internationale ketens. We werkten in een consortium met onder andere de Universiteit Leiden, GGD Amsterdam en bedrijven zoals DSM en Micronit. In korte tijd hebben we de test doorontwikkeld en klinisch gevalideerd.
Is de test ook daadwerkelijk gebruikt?
Ja, onder andere in de RAI in Amsterdam. Daar hebben we een tijdelijk lab opgezet waarmee we monsters direct konden analyseren. Dat scheelde veel tijd, omdat transport naar een centraal laboratorium niet meer nodig was. Daardoor kon de tijd van afname tot uitslag aanzienlijk verkort worden.
Waar liepen jullie tegenaan?
De grootste uitdagingen zaten uiteindelijk niet in de test zelf, maar in alles eromheen. Denk aan apparatuur, logistiek, personeel en het opzetten van een systeem waarin zo’n test landelijk gebruikt kan worden, plus de bestaande bekostigings- en organisatiemodellen in de laboratoriumdiagnostiek. Daarnaast speelde mee dat andere testmethoden, zoals antigeensneltesten, zich ook snel ontwikkelden en uiteindelijk makkelijker schaalbaar bleken in de praktijk. Daardoor is de LAMP-test minder breed uitgerold dan mogelijk was geweest.
Wat heeft dit project concreet opgeleverd?
Het project laat zien dat je onafhankelijker wordt als je niet volledig leunt op 1 technologie, zoals PCR, maar meerdere testmethoden naast elkaar kunt inzetten. Dat maakt het systeem robuuster. Daarnaast hebben we in korte tijd gezamenlijk een test ontwikkeld en gevalideerd en laten zien dat die in de praktijk kan werken. Dat is op zichzelf al een hele prestatie in zo’n crisissituatie.
Is deze kennis ook bruikbaar buiten COVID-19?
Zeker. De technologie is breed toepasbaar, bijvoorbeeld voor andere infectieziekten. Maar misschien nog belangrijker zijn de lessen over hoe je zulke innovaties snel kunt ontwikkelen en implementeren. Na dit project zijn we verder gegaan met een nieuw programma, P3DX, waarin we samen met partners – waaronder Wageningen Bioveterinary Research (WBVR), Radboud Universiteit, Erasmus MC en innovatieve bedrijven – werken aan snellere en flexibelere diagnostiek voor toekomstige uitbraken. RIVM adviseert daarbij vanuit haar publieke gezondheidsrol.
Je zag dat mensen echt iets wilden bijdragen aan de oplossing. Even niet denken in concurrentie of verdienmodellen, maar in wat nodig was voor de samenleving.
Wat moet er anders bij een volgende pandemie?
Een pandemie vraagt om meer flexibiliteit dan ons zorgsysteem normaal toestaat. We zijn gewend om heel strikt volgens protocollen te werken, en dat is terecht voor kwaliteit en veiligheid. Maar in een crisis moet je ook ruimte hebben om nieuwe methoden sneller te testen en in te zetten. Daarnaast is het belangrijk om niet alleen te investeren in voorraden, maar ook in systemen die snel kunnen opschalen. Die kun je het beste nu al ontwikkelen en toepassen, bijvoorbeeld in andere sectoren. Dan blijven ze actueel en kun je ze in een crisis direct inzetten.
Wat viel je persoonlijk het meest op in deze samenwerking?
Wat mij echt geraakt heeft, is hoe bereid mensen waren om te helpen, ook zonder direct eigen belang. Een mooi voorbeeld is Ronnie van het Oever van Micronit, inmiddels helaas overleden. Hij zag hoe belangrijk dit project was en heeft met zijn bedrijf financieel bijgedragen, terwijl daar voor zijn bedrijf commercieel nauwelijks iets tegenover stond. Dat typeert voor mij die periode. We hebben met veel partijen gesproken, uit allerlei sectoren, en je zag dat mensen echt iets wilden bijdragen aan de oplossing. Even niet denken in concurrentie of verdienmodellen, maar in wat nodig was voor de samenleving. Dat vond ik bijzonder om mee te maken.