Achtergrond afbeelding Achtergrond afbeelding darkmode

Waarom sommige kinderen ernstig ziek werden na een milde COVID-infectie

Interview
Laatst aangepast:

Kinderen werden meestal niet ernstig ziek van COVID-19. Toch ontwikkelden sommige kinderen weken later een heftige ontstekingsreactie of langdurige klachten. Kinderinfectioloog-immunoloog dr. Emmeline Buddingh (LUMC) onderzocht met collega’s of daar afwijkingen in het afweersysteem achter schuilgaan.

Hoe begon dit onderzoek?

Aan het begin van de pandemie zagen we al snel dat kinderen meestal niet ernstig ziek werden van COVID-19. Maar het gebeurde soms wel. Daarom hebben kinderartsen uit heel Nederland de handen ineengeslagen om daar onderzoek naar te doen. Tegelijkertijd ontstond zicht op een nieuw ziektebeeld: MIS-C. Dat is een ernstige ontstekingsreactie van het hele lichaam die enkele weken na een verder milde of zelfs onopgemerkte COVID-infectie kan optreden. Bijna de helft van de kinderen met MIS-C belandde zelfs op de intensive care. Gelukkig knapten de meeste kinderen met de juiste behandeling ook weer snel op. In de eerste fase van de pandemie zagen we dit bij ongeveer 1 op de 5- tot 8 duizend kinderen die COVID kregen. Inmiddels zien we het ziektebeeld bijna niet meer. Waarschijnlijk speelt mee dat kinderen nu al vaker eerder met het virus in aanraking zijn geweest. Binnen dit project hebben we uiteindelijk 2 groepen kinderen onderzocht: kinderen met MIS-C en kinderen met post-COVID.

Waarom wilden jullie juist deze groepen onderzoeken?

Omdat de grote vraag was: waarom krijgt het ene kind nauwelijks klachten en wordt het andere ziek? We dachten dat er misschien iets bijzonders aan de hand was met het afweersysteem van deze kinderen. Daarom hebben we gekeken naar genetische afwijkingen die samenhangen met bekende aangeboren afweerziekten. We hebben genetisch onderzoek gedaan bij 86 kinderen met MIS-C, 74 kinderen met post-COVID en een controlegroep van 124 gezonde kinderen die wel COVID hadden doorgemaakt maar daar geen latere klachten door kregen. Daarbij hebben we heel gericht gekeken naar genen die betrokken zijn bij het afweersysteem. Er bestaan meer dan 5 honderd aangeboren afweerziekten. We wilden weten of kinderen met MIS-C of post-COVID soms zo’n onderliggende afweerziekte hebben. Of dat ze andere, subtielere aangeboren veranderingen hebben in het afweersysteem.

Wat kwam daaruit?

We vonden geen bekende aangeboren afweerziekten in deze groepen. Dat was ergens ook geruststellend, want zulke aandoeningen kunnen ernstig zijn. Wel zagen we aanwijzingen dat er bij sommige kinderen met post-COVID mogelijk subtielere genetische gevoeligheden bestaan. Maar dat zijn nog voorlopige resultaten. Om dat te bevestigen, heb je onderzoek in nieuwe patiëntgroepen nodig.

Afbeelding
Waarschijnlijk bestaan er verschillende subgroepen van patiënten, bij wie verschillende biologische processen een rol spelen.
dr. Emmeline Buddingh
Kinderinfectioloog-immunoloog, LUMC

Jullie onderzochten ook het afweersysteem zelf. Zagen jullie daar verschillen?

Ja. Bij kinderen met MIS-C zagen we dat een deel van de groep een heel specifiek patroon van activatie van het afweersysteem vertoonde. Dat leek op een reactie die we kennen van een zeldzame ernstige ontstekingsziekte, hemofagocytaire lymfohistiocytose. Ook zagen we dat een bepaalde geactiveerde afweercel verhoogd aanwezig was in het bloed. Bij kinderen met post-COVID zagen we ook verschillen ten opzichte van gezonde kinderen. Sommige typen afweercellen kwamen gemiddeld iets minder vaak voor. Maar dat soort resultaten zijn moeilijk te interpreteren. Je kijkt naar gemiddelden van groepen patiënten, terwijl individuele verschillen groot kunnen zijn. Het lijkt erop dat post-COVID niet 1 ziekte is met 1 oorzaak. Waarschijnlijk bestaan er verschillende subgroepen van patiënten, bij wie verschillende biologische processen een rol spelen. Dat betekent waarschijnlijk ook dat 1 behandeling niet voor iedereen zal werken. Een therapie die bij de ene groep helpt, doet misschien weinig bij een andere groep patiënten. Dat maakt onderzoek naar behandelingen ingewikkeld, maar wel noodzakelijk.

Kunnen deze inzichten uiteindelijk leiden tot nieuwe behandelingen?

Mogelijk wel, maar daarvoor is het nog te vroeg. Daarvoor zijn aanvullende analyses nodig waarin gekeken wordt of bepaalde veranderingen in het afweersysteem misschien met medicijnen beïnvloed kunnen worden. Maar eerst moeten de bevindingen nog bevestigd worden in nieuwe groepen patiënten. Ik wil daar dus voorzichtig mee zijn, ook omdat we geen valse hoop willen geven aan kinderen en ouders die met post-COVID te maken hebben.

Wat hebben jullie verder geleerd van de pandemie?

Dat signalen van artsen in de praktijk ontzettend belangrijk zijn. MIS-C werd oorspronkelijk ontdekt doordat kinderartsen opmerkten dat ineens meerdere kinderen met een vergelijkbaar ernstig ontstekingsbeeld binnenkwamen. Dat soort signalen komt niet altijd automatisch naar voren in bestaande surveillancesystemen. Daarom werken we nu aan een netwerk waarin kinderartsen sneller opvallende ziektebeelden met elkaar kunnen delen. Natuurlijk wel op een manier die voldoet aan de privacyregels.

Jullie zijn ook bezig met nieuwe voorbereidingen op toekomstige pandemieën?

Ja. Samen met andere kinderartsen in Nederland bouwen we nu aan een infrastructuur waarmee we bij een volgende uitbraak veel sneller onderzoek kunnen starten. Normaal duurt het maanden om multicenteronderzoek op te zetten: protocollen moeten worden goedgekeurd, contracten getekend en datasystemen ingericht. Wij willen dat die infrastructuur straks al klaarstaat. Dan hoef je bij een nieuwe uitbraak niet opnieuw alles op te bouwen, maar kun je meteen beginnen met het verzamelen van gegevens. Dat helpt om nieuwe ziektebeelden sneller te herkennen en beter te begrijpen.

Colofon
Auteur:
Diana de Veld
Fotografie:
Nancy Lutz
Redacteur:
ZonMw