Achtergrond afbeelding Achtergrond afbeelding darkmode

SARS-CoV-2 op weg naar seizoensvirus: lessen uit de staart van de pandemie

Interview
Laatst aangepast:

In de overgangsfase na de COVID-19-pandemie onderzocht viroloog prof. dr. Menno de Jong (Amsterdam UMC/RIVM) wat risicofactoren zijn voor herinfecties en hoe ernstig de symptomen van COVID-19 nog zijn. ‘Het virus lijkt zijn plek te vinden in de pikorde van luchtwegvirussen.'

Waarom zijn jullie dit onderzoek gestart?

We wilden weten wat de impact is van SARS-CoV-2 in de overgangsfase van pandemie naar endemie, dat wil zeggen: naar een continu aanwezig virus is zoals er zovele zijn. Wat zijn de risicofactoren voor een herinfectie in een tijd waarin de meeste mensen al immuniteit hebben opgebouwd door vaccinaties, infecties of beide? En hoe verhoudt dit virus zich tot andere luchtwegvirussen, zoals influenza of het rinovirus?

Jullie kozen voor een community cohort, oftewel een algemene groep mensen in de thuissituatie. 

Ja, omdat daar de meeste infecties plaatsvinden. Juist die alledaagse, vaak milde infecties wilden we in beeld brengen. Wat is het ziektebeloop? Hoeveel mensen blijven thuis van werk of school? En hoe ernstig zijn de klachten eigenlijk in vergelijking met andere virussen? Om dat goed te onderzoeken, hebben we zeven bestaande cohorten met deelnemers van alle leeftijden samengebracht. Die volgden we ruim anderhalf jaar.

Wat hield dat volgen precies in?

We vroegen deelnemers om elke drie maanden een bloedmonster in te leveren, meestal via een vingerprik. Als ze klachten kregen die leken op een luchtweginfectie, namen ze zelf een neus- en keelmonster af en vulden ze vragenlijsten in over hun symptomen en verzuim. In totaal hebben zo’n 660 mensen meegedaan, waarvan 18% kinderen. De gemiddelde leeftijd was 48 jaar. Ruim 730 monsters zijn ingestuurd, afkomstig van zo’n 360 deelnemers - sommigen stuurden meerdere keren in. In 70% van de gevallen konden we in die monsters ook daadwerkelijk een virus aantonen, wat vergelijkbaar is met wat we in ziekenhuizen zien. De zelf afgenomen monsters lijken dus betrouwbaar.

Welke virussen kwamen jullie het vaakst tegen?

Het rinovirus stond bovenaan. Niet gek, want dat circuleert het hele jaar door. Op de tweede plaats stond nog steeds SARS-CoV-2, gevolgd door een breed scala aan andere luchtwegvirussen: seizoensgebonden coronavirussen, influenza, RS-virus, parainfluenza en adenovirus.

Afbeelding
De pandemie bood een unieke kans om te bestuderen hoe een pandemisch virus verandert in een seizoensvirus.
prof. dr. Menno de Jong
viroloog, Amsterdam UMC/RIVM

Wat bleek uit jullie analyse van de risicofactoren voor herinfectie?

We keken naar leeftijd, geslacht, bijkomende ziekten, vaccinatiestatus en infectiegeschiedenis. De enige duidelijke beschermende factor was het aantal doorgemaakte infecties: hoe vaker iemand besmet was geweest met SARS-CoV-2, hoe kleiner de kans op een nieuwe infectie. Dat effect zagen we niet voor het aantal vaccinaties, mogelijk omdat in ons cohort bijna iedereen gevaccineerd was.

En hoe zat het met de ernst van de infecties?

We keken naar het optreden en de ernst van symptomen als keelpijn, neusverkoudheid of koorts, maar ook naar verzuim, bedrust, medicatiegebruik en ziekteduur. Daaruit bleek dat SARS-CoV-2 in deze fase van de pandemie milder verliep dan influenza en RS-virus. Wel ernstiger dan bijvoorbeeld rinovirus of seizoenscoronavirussen, maar het virus lijkt dus echt zijn plaats in de “pikorde” van luchtwegvirussen te vinden. Dat ondersteunt ook het huidige beleid om vooral kwetsbare groepen te vaccineren.

Wat heeft het onderzoek met bloedmonsters opgeleverd? 

Doordat we die over langere tijd verzamelden, konden we goed in kaart brengen hoe antistoffen en bepaalde afweercellen - T-cellen - zich ontwikkelen na infecties of vaccinaties. We zagen dat méér infecties of vaccinaties leiden tot hogere niveaus van antistoffen, oftewel titers, en dat die titers afnemen naarmate de laatste vaccinatie of infectie langer geleden is. Leeftijd speelde ook een rol: bij oudere deelnemers zagen we iets hogere titers, mogelijk door een beter ontwikkeld immuunsysteem. Bijkomende aandoeningen maakten weinig verschil. Daar moet ik wel bij opmerken dat het in ons cohort niet om kwetsbare mensen ging, dus ernstige aandoeningen waren er niet.

Hebben jullie zicht op hoeveel onopgemerkte infecties er waren?

In 1700 bloedmetingen zonder gerapporteerde infectie zagen we bij zo’n 250 toch een stijging in antilichamen, zonder dat er sprake was van een nieuwe vaccinatie. Dat wijst op een infectie die geen klachten gaf. Theoretisch zou het ook kunnen dat deze mensen wél klachten hadden maar ze niet gerapporteerd hebben. Maar omdat dit een zeer gemotiveerde groep deelnemers was, gaan we daar niet vanuit. Het betekent dat zo’n 15% van de SARS-CoV-2-infecties in deze periode geen symptomen gaf. En dat de infectie dus eigenlijk gemiddeld nog iets milder verloopt.

Wat zijn de verdere toekomstplannen?

De biobank die we nu hebben opgebouwd is een goudmijn voor vervolgonderzoek. Bijvoorbeeld naar infecties zonder klachten en naar klachtenpatronen bij andere luchtwegvirussen. Daarnaast zou ik dit onderzoek graag nog eens herhalen in de huidige context, om te zien hoe SARS-CoV-2 zich verder ontwikkelt. De pandemie was voor iedereen verschrikkelijk, maar als viroloog is het fascinerend om van zo dichtbij mee te maken hoe een pandemisch virus verandert in een seizoensvirus. Dat is uniek.

Colofon
Auteur:
Diana de Veld
Fotografie:
Eigen beeld Amsterdam UMC/RIVM
Redacteur:
ZonMw