Achtergrond afbeelding Achtergrond afbeelding darkmode

Rivaliserende virussen tijdens de pandemie

Interview

Tijdens de coronapandemie gingen, naast SARS-CoV-2, na de eerste lockdowns ook weer andere virussen rond. Hoe beïnvloeden die elkaar precies? Kinderarts-epidemioloog prof. dr. Patricia Bruijning (UMC Utrecht) onderzocht of gelijktijdige virusinfecties elkaar kunnen versterken of juist onderdrukken.

Wat was de aanleiding voor jullie onderzoek?

Tijdens de COVID-19-pandemie ging de samenleving na verloop van tijd weer open. Daarmee kwamen ook andere infectieziektes weer terug die eerst even van de radar verdwenen waren. Wat dat zou betekenen voor mensen die tegelijkertijd besmet raakten met meerdere virussen, oftewel co-infecties, was onbekend. We besloten daarom die wisselwerkingen nader te onderzoeken. Hoe beïnvloeden virussen elkaar? Word je bijvoorbeeld zieker als je tegelijk corona én een ander virus hebt? Of kan het ene virus het andere juist buiten de deur houden?

Hoe hebben jullie dat onderzocht?

We gebruikten data uit 11 binnen- en buitenlandse studies die waren uitgevoerd tijdens de pandemie. De data van individuele deelnemers aan die studies brachten we samen in een zogeheten individual participant data meta-analyse. We keken op individueel niveau: wie had naast een SARS-CoV-2-infectie nog een ander virus? Wat betekende dat voor de klachten? En hoe vaak kwam het voor? De 11 studies liepen sterk uiteen. Sommigen draaiden om ernstig zieke mensen in het ziekenhuis, andere om gezinnen waarin het virus zich verspreidde. We besloten daarom om de data van mensen met milde infecties in de maatschappij en mensen met ziekenhuisopnames apart te analyseren.

Wat viel op in de ziekenhuisgroep?

Daar zagen we opvallend weinig co-infecties. Dat kan ermee te maken hebben dat er in de eerste periode nauwelijks andere virussen rondgingen. Een andere mogelijke verklaring is dat een ziekenhuisopname vaak pas in de tweede of derde week van ziekte plaatsvond. Als er dan ooit een tweede virus was, zou dat inmiddels alweer verdwenen kunnen zijn. Wat de oorzaak ook is, we zagen in deze groep geen duidelijke relatie tussen co-infecties en ernst van ziekte.

En in de groep buiten het ziekenhuis?

Daar hadden mensen veel vaker een co-infectie, met name met het rinovirus, een veelvoorkomend verkoudheidsvirus dat ook tijdens de pandemie bleef rondgaan. Wat we zagen, was opmerkelijk: mensen die tegelijk corona én een rinovirusinfectie hadden, hadden gemiddeld minder klachten dan mensen die alleen besmet waren met SARS-CoV-2. De odds ratio*  voor het optreden van klachten passend bij een acute luchtweginfectie lag op 0,39. Dat betekent dat de kans op klachten bij een co-infectie ruimschoots gehalveerd was.
*Een odds ratio laat zien hoe groot de kans is dat iets gebeurt in de ene groep vergeleken met een andere groep.

Afbeelding
Mensen die tegelijkertijd een rinovirusinfectie hadden, ervaarden minder klachten dan mensen die alleen besmet waren met SARS-CoV-2.
prof. dr. Patricia Bruijning
kinderarts-epidemioloog, UMC Utrecht

Hoe valt dat te verklaren?

Het heeft waarschijnlijk te maken met virale interferentie: het fenomeen dat het ene virus het andere kan onderdrukken. Als het rinovirus zich bijvoorbeeld al in je luchtwegen heeft genesteld, zet dat je aangeboren immuunsysteem lokaal aan het werk. Dat maakt het moeilijker voor een tweede virus om zich te vestigen. Die verhoogde paraatheid kan ervoor zorgen dat een infectie met corona minder ernstig verloopt. Dat mechanisme is ook bekend uit dierproeven, bijvoorbeeld bij fretten.

Jullie onderzochten ook of het ene virus de kans op besmet raken met een ander virus kan verlagen. Wat leverde dat op?

We vonden ook aanwijzingen dat het hebben van een andere virusinfectie de kans op besmetting met corona verkleint. De aantallen waren wel klein, dus deze conclusies zijn voorzichtig. Interessant was dat dit effect sterker leek bij mensen met meer klachten. Dat kan erop wijzen dat mensen met meer symptomen vaker thuisblijven en daardoor minder in contact komen met besmettingsbronnen voor andere virussen. Maar het kan ook een immunologisch effect zijn, dat is lastig uit elkaar te trekken.

Wat betekenen deze bevindingen voor de praktijk?

De belangrijkste boodschap is: virussen beïnvloeden elkaar. En dat moet je meenemen als je nadenkt over vaccinatiestrategieën. Stel dat je een virus met een vaccin terugdringt, dan zou een ander virus juist meer ruimte kunnen krijgen. Of dat komt door gedrag of door immunologie maakt voor het effect weinig uit - het gevolg op populatieniveau is hetzelfde. Dat vraagt dus om geïntegreerde modellen waarin virusinteracties worden meegenomen.

Is er vervolgonderzoek gepland?

Ja, we doen momenteel een onderzoek naar dit onderwerp binnen een ander ZonMw-project, de Viool-studie. Daarin volgen we jonge kinderen wekelijks gedurende het winterseizoen om te kijken welke virussen ze op welk moment hebben en hoe die infecties zich tot elkaar verhouden. Ook meten we in neusmonsters immuunmarkers om beter te begrijpen wat er op lokaal niveau gebeurt. Daarmee willen we verder ontrafelen of interferentie vooral gedrag of immunologie is of allebei.

Hoe werd jullie onderzoek ontvangen in de wetenschappelijke wereld?

We presenteerden de bevindingen op een internationaal congres. De resultaten vielen op, vooral de sterkte van de associaties. Mensen vonden het interessant, maar het riep ook vragen op: hoe kan het dat het effect zó sterk is? Dat willen we verder onderzoeken, ook in andere settings. Maar dát er sprake is van virale interferentie, daar zijn we inmiddels wel van overtuigd.

Colofon
Auteur:
Diana de Veld
Fotografie:
Eigen beeld UMC Utrecht
Redacteur:
ZonMw