Lessen uit de COVID-19-pandemie voor kwetsbare groepen
Wat waren de gevolgen van de COVID-19-maatregelen voor mensen met psychiatrische aandoeningen en kinderen met een chronische ziekte? Onderzoekers laten zien hoe deze groepen werden getroffen, maar maken ook hun veerkracht zichtbaar. Verder benadrukken zij het belang van eigen regie en structurele aandacht voor welzijn.
Stresstest voor veerkracht en zorgsystemen
Tijdens de slotbijeenkomst van het ZonMw-programma ‘Uitkomstgerichte zorg: kennisagenda non-COVID-19’ op donderdag 2 oktober 2025 gaven 2 onderzoeksgroepen een presentatie over effecten van uitgestelde zorg voor kwetsbare groepen. De 2 ZonMw-projecten laten zien dat de COVID-19-pandemie niet alleen een gezondheidscrisis was, maar ook een stresstest voor veerkracht en zorgsystemen. Zowel kinderen met chronische aandoeningen als volwassenen met psychiatrische problematiek kunnen bij uitstek gevoelig zijn voor verstoring van routines, sociale isolatie en beperkte toegang tot zorg. Beide presentaties benadrukken dat vroegtijdige herkenning van signalen en continuïteit van zorg cruciaal zijn. Een gedeelde rode draad is verder het streven naar eigen regie. Samen beslissen is een middel om zelfvertrouwen, motivatie en herstel te bevorderen. Met veerkracht als uitgangspunt, niet als bijproduct.
Mensen met ernstige psychische aandoeningen
Lotte van Rijn (UMC Utrecht), arts-onderzoeker en psychiater in opleiding, neemt mede namens psychiater Janneke Zinkstok (Radboudumc) eerst het woord. Zij vertelt over het COFIT-PSY-project: gevolgen van COvid-19-maatregelen voor gezondheidsuitkomsten, leeFstIjl en hersTel bij mensen met PSYchiatrische aandoeningen. Het onderzoek richtte zich op mensen die langer dan 2 jaar met ernstige psychische aandoeningen (EPA) kampen en beperkingen ervaren in maatschappelijk en sociaal functioneren.
Tragere vooruitgang
‘Onze onderzoeksvraag was hoe mensen met EPA de coronamaatregelen hebben ervaren’, vertelt Van Rijn. ‘Wat was de invloed was op hun mentale gezondheid en dagelijks leven? Welke factoren speelden hierbij een rol? We hebben daarvoor kwalitatief en kwantitatief onderzoek gedaan. Bij 20 volwassenen in verschillende GGZ-instellingen hebben we jaarlijks vragenlijsten afgenomen. Over de tijd zagen we een verbetering in sociaal functioneren, kwaliteit van leven en persoonlijk herstel, maar tijdens de pandemie verliep deze vooruitgang wel trager.’
Uit de interviews met de volwassenen kwamen verder uiteenlopende ervaringen naar voren. ‘Sommige deelnemers ervoeren angst en stress door het virus. Anderen gaven aan nauwelijks verandering te merken, omdat hun leven al gekenmerkt werd door sociale isolatie. Iemand zei: “Corona was peanuts vergeleken bij wat ik al meemaakte.” Voor sommigen had de pandemie zelfs positieve impact, omdat er minder prikkels waren, meer rust en een gevoel van saamhorigheid: samen moesten we corona onder controle zien te krijgen. De mate van impact bleek sterk afhankelijk van de persoonlijke situatie vóór de pandemie.
Structureel hoger
De effecten van de COVID-19-maatregelen op de psychische gezondheid van kinderen is onderzocht binnen het DREAMS-consortium, ofwel Dutch Research on Early Adversity, Mental health and Staging. DREAMS is een samenwerkingsverband van Nederlandse universiteiten, GGZ-instellingen en kennisorganisaties dat onderzoek doet naar de mentale gezondheid van kinderen en jongeren.
‘Bij de ruim 2.500 kinderen tussen de 8 en 18 jaar die binnen het consortium zijn onderzocht, bleek dat psychische problemen toenamen tijdens de pandemie en daarna structureel hoger bleven dan voorheen’, vertelt Van Rijn. ‘Het ging hierbij om wat kinderen zelf aangaven via PROMs (Patient Reported Outcome Measures) en om rapportages van ouders over gedrags- en emotionele problemen. Interne problematiek, zoals angst en depressie, kwam vaker voor bij kinderen met angst- en stemmingsstoornissen. Externe problematiek, zoals gedragsproblemen, werd vooral gezien bij kinderen met autisme en ADHD.’
Behoefte aan persoonlijke zorg
De uitkomsten en ervaringen uit het kwalitatief en kwantitatief onderzoek vulden elkaar aan. ‘De diversiteit van meningen geeft weer dat er behoefte is aan flexibiliteit en persoonlijke zorg en dat aandacht nodig is voor individuele behoeften’, aldus Van Rijn. ‘Daarom hebben we met hulpverleners, ervaringsdeskundigen en cliënten een gesprekhulp ontwikkeld. Deze ondersteunt zorgverleners om met cliënten in gesprek te gaan.
Chronisch zieke kinderen
Na de eerste presentatie neemt kinderarts in opleiding Emma Berkelbach (UMC Utrecht) het stokje over. Samen met kinderartsen Sanne Nijhof (UMC Utrecht) en Elise van de Putte (UMC Utrecht) onderzocht zij hoe veerkracht en kwetsbaarheid van kinderen met een chronische ziekte tijdens de coronapandemie werden beïnvloed met als doel meer gepersonaliseerde zorg mogelijk te maken, gericht op autonomie, eigen regie en samen beslissen.
‘In Nederland leven ongeveer 1,3 miljoen kinderen met een chronische aandoening, variërend van astma en ADHD tot autisme en kanker’, vertelt Berkelbach. ‘Deze kinderen ervaren vaker uitdagingen op lichamelijk, psychisch en sociaal vlak, met gevolgen die doorwerken in hun verdere leven. Tijdens de pandemie bleek uit data van 410 kinderen dat de gemiddelde levenstevredenheid daalde van 7,2 naar 6,7. Ongeveer 22% rapporteerde een negatief tot zeer negatief effect op hun leven door het missen van school en sociale contacten. Tegelijkertijd ervoer een deel juist een betere gezondheid. Dit wijst erop dat welzijn meer is dan alleen lichamelijke gezondheid.
Hersteld welzijn
Uit de data kwamen ook risicoprofielen naar voren: kinderen die ouder waren, eerder al angst- of depressieve klachten hadden, minder veerkracht toonden en uit gezinnen met een lagere sociaaleconomische status kwamen, bleken vatbaarder voor psychosociale problemen. ‘Na corona herstelde het welzijn van de meeste kinderen’, aldus Berkelbach. ‘De gemiddelde levenstevredenheid steeg zelfs naar 7,6, vergelijkbaar met gezonde leeftijdsgenoten, die een 7,8 gaven. Jongens en meisjes rapporteerden vergelijkbare niveaus van tevredenheid, al gaven oudere jongeren iets lagere scores.’
Vroegsignalering en patiëntgerichte zorg
In de zorg voor de chronisch zieke kinderen bleken de PROMs waarmee kinderen zelf hun kwaliteit van leven kunnen aangeven, waardevol. ‘De PROMs bevorderen vroegsignalering en patiëntgerichte zorg’, aldus Berkelbach. ‘Ze ondersteunen het samen beslissen tussen arts en kind. Verder hebben we de Kindtool Positieve Gezondheid ontwikkeld, samen met kinderen zelf. De tool bevordert betekenisvolle gesprekken en helpt zorgverleners gerichter te ondersteunen, al vraagt dit tijd en structurele inbedding in zorgsystemen.’
Belangrijkste lessen
Berkelbach vat de belangrijkste lessen van het onderzoek samen: ‘Kinderen met een chronische aandoening zijn niet per definitie kwetsbaar, ze tonen juist vaak veel veerkracht. Het gaat erom tijdig te signaleren wie extra steun nodig heeft. De belangrijkste uitdaging is dan ook duurzame inbedding van psychosociaal welzijn als integraal onderdeel van medische kindzorg, niet alleen in crisistijd, maar dagelijks.’