De kracht van data in de zorg
Tijdens de COVID-19-pandemie waren veel ziekenhuizen genoodzaakt delen van de geplande zorg tijdelijk te staken. Door verschillende databronnen en vragenlijsten te koppelen hebben artsen onderzocht wat precies de effecten waren van deze uitgestelde zorg voor verschillende patiëntgroepen. Een aantal uitkomsten vielen hierbij op.
De impact van uitgestelde zorg kwam duidelijk naar voren tijdens de slotbijeenkomst van het ZonMw-programma ‘Uitkomstgerichte zorg: kennisagenda non-COVID-19’ op donderdag 2 oktober 2025. Daar lieten 3 onderzoeksgroepen zien hoe data-analyse nieuwe inzichten kan opleveren over de gevolgen van de pandemie voor patiënten. Inzichten die ook van belang zijn voor uitkomstgerichte zorg.
Het belang van databronnen
De 3 onderzoeken leveren waardevolle lessen op. Dankzij data-analyse zijn nieuwe inzichten ontstaan in hoe we zorg kunnen verbeteren. De bevindingen onderstrepen het belang van goed toegankelijke en gekoppelde databronnen en van structurele aandacht voor patiëntervaringen. Door deze inzichten te vertalen naar beleid en praktijk kan de zorg beter voorbereid zijn op toekomstige crises én beter aansluiten op wat de patiënten van nu nodig hebben.
Impact van uitgestelde ingrepen
De eerste presentatie ging over het Surg-III-project, waarin de impact van de COVID-19-pandemie is onderzocht op patiënten die een (chirurgische) ingreep nodig hadden. Onderzoeker en promovendus Rinske van den Hoek (DICA) analyseerde met haar onderzoeksgroep data uit maar liefst 15 uiteenlopende kwaliteitsregistraties en vulde die aan met PREMs en CREMs (Patient/Carer Reported Experience Measures) om zo ervaringen en uitkomsten te koppelen. ‘Dat is sneller gezegd dan gedaan’, vertelt Van den Hoek. ‘Het was een technisch en organisatorisch complex proces – het kostte anderhalf jaar om alle databronnen te koppelen.
Grote verschillen per zorgtype
Het Surg-III-project laat zien dat de pandemie grote verschillen veroorzaakte tussen uitkomsten per zorgtype. ‘In de acute zorg, zoals bij hart- en vaatingrepen, werden patiënten na de operatie minder vaak op de IC opgenomen, maar dit leidde niet tot slechtere uitkomsten’, vertelt Van den Hoek. ‘In de semi-urgente zorg, zoals bij niet-acute aorta-ingrepen, zagen we dat richtlijnen beter nageleefd werden en patiënten strenger geselecteerd. Ook dit leidde niet tot slechtere uitkomsten. En bij oncologische operaties leidde uitstel niet tot slechtere tumorstadia.’
In de electieve zorg waren de gevolgen groter: bij bariatrische chirurgie nam de kans op succesvol gewichtsverlies af naarmate wachttijden opliepen. Bij heup- en knieprotheses gaf 36% aan liever langer te wachten om daarmee voorrang te geven aan de COVID-19-pandemie patiënten, ondanks verminderde kwaliteit van leven. Daarnaast wilde 22% wel verder reizen om sneller geholpen te worden.
Data-gedreven zorg in de toekomst
Het Surg-III-project toont zo niet alleen de impact van de COVID-19 pandemie op chirurgische zorg, maar biedt ook richting voor data-gedreven zorg in de toekomst, vindt Van den Hoek. ‘Actuele data zijn cruciaal voor beleidsbeslissingen. We pleiten dan ook voor directe toegang tot databronnen en versimpeling van de koppeling. Patiëntervaringen en zorguitkomsten zouden structureel verbonden moeten zijn, zodat we beter kunnen bepalen of een slechte ervaring ook samenhangt met slechtere klinische resultaten. Al met al kunnen we met beter gekoppelde data beter sturen, niet alleen in tijden van crisis, maar ook in tijden van zorgschaarste.’
Zorgmijdingsonderzoek
Als tweede presenteren epidemioloog en socioloog Marije Splinter (Erasmus MC) en huisarts Kristel van Asselt (UMC Utrecht) de resultaten van hun zorgmijdingsonderzoek. Dit onderzoek richtte zich op de gevolgen van beperkte zorgtoegang voor mensen met hart- en vaatziekten en kanker tijdens de coronapandemie en op strategieën om de zorg toegankelijk te houden. ‘Tijdens de eerste coronagolf daalde het aantal consulten voor hart- en vaatziekten met 38%’, vertelt Splinter. ‘Data lieten zien dat 1 op de 5 mensen zorg meed ondanks klachten. Een derde van deze klachten was zelfs potentieel urgent. Zorgmijders hadden dan ook dubbel zo vaak een verhoogde mortaliteit. Na de eerste golf herstelden de cijfers zich.’
Ook in de oncologie was een duidelijke dip tijdens de eerste coronagolf: er waren minder consulten en langere verwijstijden, vooral bij longkanker. ‘Als je symptomen had die overlapten met COVID-19, zoals hoesten of vermoeidheid, dan werd snel gedacht dat het wel corona zou zijn’, aldus Van Asselt. ‘Dat droeg bij aan de langere verwijstijden. En dit leidde tot meer longkankerdiagnoses in stadium 4. De langetermijneffecten op overleving worden nog onderzocht. Maar we kunnen al wel stellen dat verandering in toegankelijkheid van zorg leidt tot vermijdbare gezondheidsschade.’
Zorg op afstand
Een tweede vraag die de onderzoekers wilden beantwoorden was: Kan zorg op afstand de gezondheidsschade beperken? ‘We hebben de telefonische consulten geëvalueerd’, vertelt Splinter. ‘Patiënten waardeerden dat ze met telefonische consulten minder reistijd en wachttijd hadden, maar misten non-verbale communicatie en lichamelijk onderzoek. Problemen ontstonden ook bij taal- en gehoorbarrières. Toch bleken bij chronische aandoeningen, zoals bijvoorbeeld diabetes, telefonische consulten geen slechtere uitkomsten te geven. Onze conclusie: telefonische consulten en afschalen van controles kunnen helpen om de zorgcapaciteit te behouden.’ Daarbij zouden patiënten wel vanuit de zorgverlener de keuze moeten krijgen hoe zij benaderd en behandeld willen worden, fysiek of digitaal. Uit ons onderzoek bleek dat nog zeer weinig gezamenlijke besluitvorming plaatsvindt op dat gebied.
Vroeggeboortenonderzoek
Een trend tekent zich af na de eerste 2 presentaties: niet alle patiënt- of cliëntgroepen ondervonden nadelige effecten van uitgestelde of afgeschaalde zorg. Dat is zeker het geval bij zwangere vrouwen tijdens de pandemie. In het PREPARE-onderzoek (PREgnancy outcomes during a PAndemic Response) onderzocht kinderarts-neonatoloog Jasper Been (Erasmus MC) de vermindering in vroeggeboorten na de coronamaatregelen.
‘Tijdens de eerste lockdown werd onverwacht een daling van 15-23% in vroeggeboorten gevonden’, vertelt hij. ‘We ontdekten dit via hielprikkaartjes met gegevens over zwangerschapsduur. Deze trend bleek wereldwijd zichtbaar. Maar wat waren de oorzaken? Hypotheses zoals schonere lucht, minder medische ingrepen of toegenomen foetale sterfte werden onderzocht, maar bleken onvoldoende verklaring te bieden. Integendeel: ook foetale sterfte nam juist af.’
Meer leren over preventie
Mogelijke verklaringen liggen in veranderde leefomstandigheden van zwangere vrouwen tijdens de COVID-19-pandemie, met meer rust, meer regelmaat, minder stress, minder infecties en minder blootstelling aan omgevingsfactoren. Daarnaast steeg het aantal thuisbevallingen zonder dat dit leidde tot meer complicaties. ‘Opvallend was wel dat veel vrouwen in coronatijd stress ervoeren, doordat hun partner niet aanwezig kon zijn bij de bevalling. Bovendien waren ze bang voor besmetting in het ziekenhuis. Toch vertaalde dit zich niet in slechtere uitkomsten.’
Een unieke kans
De bevindingen bieden een unieke kans om meer te leren over preventie van vroeggeboorten, meent Been. ‘Vervolgonderzoek is nodig om beter te begrijpen welke factoren tijdens de lockdown echt beschermend werkten. Dit kan waardevolle inzichten opleveren voor toekomstige zwangerschapszorg en preventie van vroeggeboorten. Hoe dan ook was dit een effect van coronamaatregelen met een gouden randje.’