Achtergrond afbeelding Achtergrond afbeelding darkmode

Hoe kunnen er met big data grote stappen worden gezet

Panel Opbrengsten

Het programma Big Data en Kansrijke Start heeft veel opgeleverd. Maar hoe moet het nu verder? Wat is er nodig om voort te bouwen op de resultaten en te zorgen dat meer kinderen een kansrijke start maken? Het panel blikt vooruit en presenteert een toekomstvisie.

‘Om echt grote stappen te maken moeten er 3 dingen gebeuren’, zegt Tanja Houweling, projectleider van het consortium Betekenisvol Datagebruik voor een Kansrijke Start. Nu ligt de focus op gezinnen in de meest kwetsbare omstandigheden. ‘Die moeten we blijven ondersteunen. Maar verbreed het.’ Kijk naar de verdeling van het probleem in de hele bevolking. ‘Want elk stapje lager op de maatschappelijke ladder brengt slechtere kansen voor kinderen met zich mee. Zorg dat de hele trap minder steil wordt’, stelt Houweling.

Vroegsignalering en betere hulpverlening zijn belangrijk. ‘Maar dweil niet met de kraan open’, zegt ze. Richt de aandacht op preventief, intersectoraal beleid. Veel factoren op verschillende beleidsdomeinen spelen immers een rol bij kansrijke start. Ook is meer beleidscoherentie nodig, want nu worden gemeenten regelmatig geconfronteerd met de negatieve consequenties van rijksbeleid. Door kansengelijkheid als maatstaf te gebruiken om beleidsopties te evalueren, kunnen we intersectoraal beleid versterken. 

Dit kan met hulp van big data worden geëvalueerd met een ‘Equity Impact Evaluatie’ - een soort milieu-effect-rapportage, maar dan voor kansengelijkheid. Schotland doet het al. Zo wordt kansengelijkheid ‘niet alleen ingebed, maar ook geborgd.’ Tenslotte, ondersteun een dergelijke lange-termijn-strategie voor preventief intersectoraal beleid met structurele onderzoeksfinanciering. Nu ligt bij onderzoeksfinanciering vaak de nadruk op korte-termijn deliverables, zoals gezondheidsapps, terwijl er al honderdduizenden van dergelijke apps zijn. Verleg dit naar financiering voor onderzoek naar preventie op samenlevingsniveau.   

Noodzakelijk vervolgstappen

Bastian Ravesteijn, die leiding gaf aan het consortium C-4PO, richt zich op 2 noodzakelijke vervolgstappen van zijn project. Hij wijst op het grote belang van gegevens van de jeugdgezondheidszorg (JGZ) voor onderzoek binnen de beveiligde CBS-omgeving, om de ontwikkeling en gezondheid van kinderen te kunnen verbeteren. ‘Maar nu blijven veel JGZ-gegevens liggen en worden niet ingezet’, legt hij uit. 'Daarbij moeten JGZ-organisaties op individueel niveau worden ondersteund bij het veilig en verantwoord beschikbaar maken van gegevens voor onderzoek. Zorgvuldigheid, veiligheid, privacy en de relatie met ouders staan hoog in het vaandel als het gaat om toegang tot data'. Er zullen de komende jaren nog financiële middelen nodig zijn om een duurzame data-infrastructuur te bestendigen, op basis van de grote stappen die binnen C-PO zijn gezet.

Ook vertelt Ravesteijn over het prototype van de tool JAMES, die zijn consortium ontwikkelde. Hij hoopt dat er publiek geld komt voor de doorontwikkeling tot een gebruiksklare tool, die in de spreekkamer kan worden gebruikt. ‘Ik zou het zonde vinden als een commercieel bedrijf ermee aan de slag gaat’, aldus Ravesteijn.

Kritische stem

Hoe moet het verder, vraagt dagvoorzitter Piek Knijff. ‘Het is heel goed dat er wordt gestreefd naar meer aandacht voor effectiviteit’, zegt Yvonne Vanneste, senior onderzoeker bij het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid (NCJ). Maar sociaal economische gezondheidsverschillen nemen alleen maar toe, terwijl gezondheid een maatschappelijke opdracht is. ‘Ik hoop dat big data helpt’, zegt ze. Maar er klinkt ook ‘een kritische stem’ door. Als straks informatie over gezondheid op wijkniveau beschikbaar is, wat zegt het dan? Hoe kunnen we daarmee de situatie verbeteren? Zonder al die data kunnen we ook de wijk in om met mensen te praten.

Afbeelding
BD_dagvoorzitter
Afbeelding
BD_YvonneVaneste

Big data en gesprekken vullen elkaar aan

Lyne Blanchette, beleidsadviseur Stevige Start bij de gemeente Rotterdam, wijst erop dat professionals vaak hetzelfde publiek zien en ‘blind’ kunnen worden voor risicofactoren. ‘De data van de gemeente laten zien: waar zijn de risicofactoren in grotere mate aanwezig?’, aldus Blanchette. Data kunnen helpen om het beleid meer passend bij de groep te maken.

Vanuit de zaal klinkt de waarschuwing dat data lang niet altijd goed zijn. Maar er is ook bijval. ‘We hebben bij de JGZ veel data beschikbaar. Het biedt kansen om op individueel en collectief niveau iets te betekenen’, zegt een deelnemer. De focus ligt wel erg op risicofactoren, terwijl hulpverleners juist in de gesprekken kunnen achterhalen welke beschermende factoren er zijn. ‘Die moet je goed in beeld krijgen’, aldus de deelnemer. De gespreksmethode Gezamenlijk Inschatten van Zorgbehoeften (GIZ), helpt bijvoorbeeld om te ontrafelen waar de echte behoeften liggen. Het is belangrijk om te weten wat het hoofdprobleem in een gezin is.

Het belang van omgevingsfactoren

De discussie richt zich kort op de omgevingsfactoren. ‘Blanchette stelt dat we met hulpverlening al heel veel hebben gedaan, en dat het belangrijk is te verbreden, naar een gezonde, kansrijke leefomgeving en bestaanszekerheid. ‘Het zou enorm helpend zijn als het rijk gemeenten de opdracht geeft om intersectoraal te werken voor een kansrijke start. Zorg dat gemeenten hiervoor de financiële middelen krijgen, en ondersteund worden met kennis en onderzoek over beleidsopties.’ In de zaal wijst één van de deelnemers daar ook op. De omgeving speelt een belangrijke rol bij volksgezondheid en leefstijl. ‘Ik wil het Rijk adviseren om de fastfoods flink terug te dringen’, zegt deze deelnemer. Deze bedrijven maken het ongelooflijk moeilijk voor mensen in een kwetsbare situatie om kinderen gezond op te voeden, terwijl kansengelijkheid al zo te lijden heeft onder bezuinigingen op het onderwijs en de opvang. 

De kosten van niets doen met big data

Een deelnemer wijst erop dat het met 85 procent van de kinderen goed gaat, terwijl 15 procent hulp nodig heeft. Het vroegsignaleren gaat goed, maar daarna stokt het. ‘Wat kost het nu als je niks met big data doet?’, wil ze weten.

Ravesteijn verwijst naar een rapport uit 2018 over interventies voor kindermishandeling. Daaruit blijkt dat er over interventies die gebruikt worden, vaak weinig bekend is. Terwijl het huisbezoekprogramma Voorzorg positief werd beoordeeld, koopt 2/3 van de gemeenten het niet in. Andere interventies, die geen bewezen effect hebben, worden weer wel ingekocht. Ravesteijn stelt dat geen gebruik maken van data veel kost. ‘We zetten veel in, waarvan we niet weten of het werkt.’

Wat is de opbrengst van meer registreren?

Yvonne Vanneste is voor het gebruik van data. ‘Maar veel geld gaat naar big data, tools en apps, terwijl er steeds minder geld naar de JGZ gaat. Er is steeds minder tijd voor het gesprek met ouders en kinderen, terwijl het ontzettend belangrijk is om te begrijpen wat er speelt en te kunnen aansluiten bij de behoeften. We moeten steeds meer registreren, maar we krijgen weinig terug’, aldus Vanneste.

Ravesteijn stelt een synthese voor: als meer registreren ertoe leidt dat aangetoond kan worden dat bepaalde interventies en ondersteuning werken, dan komt daar ook meer geld voor. Houweling zit op eenzelfde spoor. Ze roept op tot steun voor onderzoek dat kan bijdragen aan Kansrijke Start. ‘Investeer in onderzoek ter ondersteuning van preventief intersectoraal beleid op rijks- en gemeenteniveau, zodat we kansrijke omgevingen voor alle kinderen kunnen creëren, in de eerste 1000 dagen, en ook daarna.’ 

Colofon
Auteur:
Tjitske Lingsma
Fotografie:
Hans Tak