Sessie 6: Medicatieveiligheid: van beleid naar praktijk
Tijdens deze sessie staat 1 vraag centraal: hoe zorgen we ervoor dat de aanbevelingen uit het HARM‑Wrestling rapport en het vervolgonderzoek Medicatieveiligheid nu écht landen in de dagelijkse praktijk?
Ondanks de aanbevelingen in deze rapporten vermindert het aantal potentieel vermijdbare ziekenhuisopnames door medicatie niet. De sessie brengt zorgverleners, beleidsmakers en patiënten samen om te bespreken hoe samenwerking, gegevensuitwisseling en patiëntbetrokkenheid kunnen worden versterkt.
Sessievoorzitter Bart van den Bemt (Sint Maartenskliniek) opent met een scherpe constatering: ‘Het is het vierde lustrum van het HARM‑rapport, maar het is eigenlijk helemaal geen feest.’ 20 jaar na het eerste rapport is het aantal medicatiegerelateerde ziekenhuisopnames nauwelijks gedaald. 'Er moet iets gebeuren om dit aantal te verminderen', benadrukt hij.
Hij schetst 3 pijlers die volgens hem cruciaal zijn voor vooruitgang: betere ICT‑ondersteuning, sterkere samenwerking tussen zorgverleners en meer samenwerking mét patiënten.
Samen werken aan medicatieveiligheid
Liset van Dijk (Nivel) vertelt over de resultaten uit het onderzoek ‘Samen werken aan medicatieveiligheid’. Het doel van dit onderzoek was om inzicht te krijgen in de mate en wijze van implementatie van de aanbevelingen uit het HARM-Wrestling rapport en het vervolgonderzoek Medicatieveiligheid. Uit het onderzoek is gebleken dat sommige aanbevelingen goed zijn ingevoerd (zoals het voorkomen van bloedingen bij anticoagulantia of het toevoegen van laxantia bij opioïden), maar andere aanbevelingen duidelijk achterblijven, zoals labcontroles bij RAAS‑remmers, valpreventie, glucocorticoïd‑gerelateerde fracturen en het delen van indicatie en gebruiksduur.
Van Dijk benadrukt: 'Belemmerende en bevorderende factoren spelen altijd multifactorieel en op meerdere niveaus. Daarom is samenwerking zo essentieel.' Andere factoren die cruciaal blijken voor succesvolle implementatie zijn gegevensuitwisseling en beslisondersteuning, bekostiging en ondersteuning van patiënten.
Veel van deze randvoorwaarden zijn bekend, maar in de praktijk blijkt het lastig om ze structureel te realiseren. De conclusie van het rapport is helder: er is veel gedaan om medicatieveiligheid in Nederland te bevorderen, maar niet alle aanbevelingen zijn goed geïmplementeerd. Verdere verbetering vraagt om een sterk samenspel tussen landelijk beleid, regionale afspraken, zorgverleners en patiënten.
Om die samenwerking tastbaar te maken, kondigt Van den Bemt het tweede deel aan van deze interactieve sessie waarin de deelnemers letterlijk in de huid van andere zorgverleners kruipen. ‘Uw inbeeldingsvermogen wordt vandaag sterk op de proef gesteld’, zegt hij, ‘maar na afloop hebben we hopelijk samen mooie dingen bedacht om de zorg te verbeteren.’
Aan de slag: samenwerken vanuit verschillende perspectieven
De deelnemers gaan in groepjes aan de slag. Elk groepje krijgt een werkvel met een aanbeveling en een casus uit het rapport. De opdracht is om met elkaar te bespreken hoe de huidige samenwerking wordt ervaren, welke belemmeringen er zijn en welke stakeholders nodig zijn om de aanbeveling beter te implementeren. De deelnemers doen dit vanuit verschillende expertises, van artsen en apothekers tot verzekeraars en patiëntenorganisaties. Met als doel om gezamenlijk tot een uitvoerbaar plan te komen om medicatieveiligheid structureel te verbeteren.
Door inzichten samen te brengen en knelpunten te bespreken ontstaat een realistisch beeld van wat nodig is om beleid om te zetten in oplossingen voor de praktijk. Marloes Dankers (Instituut Verantwoord Medicijngebruik) en Mette Heringa (SIR Instituut & Academische Apotheken) begeleiden de groepen hierbij.
Tot slot worden de concrete actiepunten uit de verschillende groepen opgehaald. Een van de voorbeelden komt van de groep die werkt aan aanbeveling 4 (fracturen door glucocorticoïden). Zij benadrukken dat artsen en apothekers elkaars expertise beter moeten erkennen. 'De apotheker ontvangt vaak wel een signaal over een indicatie, maar kan dat niet altijd opvolgen omdat cruciale gegevens ontbreken.' Het laat zien hoe kleine, praktische stappen direct bijdragen aan meer medicatieveiligheid.
Uit de bevindingen van alle groepen, ontstaat een opvallend consistent beeld. Ongeacht de aanbeveling of casus komen dezelfde thema’s terug:
- Duidelijkheid over verantwoordelijkheden en expertise: Heldere afspraken over wie de hoofdbehandelaar is, wie monitort, wie stopt en wie opvolgt.
- Betere gegevensuitwisseling: Bijna elke groep benoemt dat cruciale informatie ontbreekt of te laat beschikbaar is.
- Patiënt als partner: De patiënt blijkt in veel casussen de sleutel tot verbetering. Wanneer patiënten beter begrijpen wat ze gebruiken, waarom en wanneer ze moeten opletten, neemt de veiligheid direct toe. Mantelzorgers spelen hierbij een belangrijke rol.
- Kleine stappen maken het verschil: Opvallend veel oplossingen zijn praktisch en direct uitvoerbaar: een terugvraagmethode gebruiken, een stopdatum noteren of een terugkomafspraak plannen
Conclusie
De sessie laat zien dat medicatieveiligheid geen technisch probleem is, maar een samenwerkingsvraagstuk. De aanbevelingen uit het rapport vormen een stevige basis, maar de echte vooruitgang ontstaat wanneer de informatie-uitwisseling tussen zorgverleners, beleidsmakers en patiënten wordt verbeterd. Zoals een deelnemer het treffend zegt: ‘Medicatieveiligheid gaat niet alleen over systemen, maar vooral over elkaar weten te vinden.’
De energie in de zaal maakt duidelijk dat die bereidheid er is. Door helder te communiceren, verantwoordelijkheid te delen en patiënten actief te betrekken, kan de kloof tussen beleid en praktijk daadwerkelijk worden overbrugd.