Lessen uit 3 proeftuinen wijkverpleging: reflecteren moet (je leren)
Hoe gebruik ik richtlijnen en kwaliteitsstandaarden in mijn dagelijkse werkpraktijk? Die vraag kunnen professionals in de wijkverpleging zichzelf én elkaar vaker stellen. Daarom financierde ZonMw 3 proeftuinen die reflectiemethoden ontwikkelen voor de wijkverpleging. ‘Je hoeft niet alles toe te passen, maar denk wel na over wat jou kan helpen.’
De geïnterviewden voor dit artikel werkten mee aan 3 projecten waarin reflectiemethoden werden ontwikkeld:
- Nicole Vullings en Maud Heinen deden mee aan SPARK (Self- & Peer Assessment om te Reflecteren op Kwaliteitsstandaarden) waarin bij de reflectiemethode voor de richtlijn ‘verslaglegging’ het geven en ontvangen van feedback centraal staat en waarin het bij de richtlijn ‘mantelzorg’ vooral over het kritisch reflecteren op een ingebrachte casus gaat.
- Stephanie Dauphin was betrokken bij reflectiemethode Wijzer in de Wijk, die zorgverleners helpt om richtlijnen te gebruiken in hun dagelijks handelen én in combinatie met kennis en ervaring in het team.
- Inge Wolbers deed mee aan LEARN, waarin professionals aan de hand van innovatieve reflectiemethoden leerden werken met de richtlijnen voor eenzaamheid en mantelzorgbelasting.
Dé vraag aan deze onderzoekers is: Welke lessen hebben jullie geleerd?
Belang van reflectiemethoden
Dát reflectiemethoden noodzakelijk zijn en waaróm ze nodig zijn, maakt Maud Heinen meteen in heldere woorden duidelijk: ‘Er zijn allerlei mooie richtlijnen ontwikkeld,’ zegt ze, ‘bijvoorbeeld over dementie, mantelzorg, diabetes, obstipatie, chronische bekkenpijn en nog tientallen meer. Maar we zien tegelijkertijd dat deze richtlijnen in de wijkverpleging nog veel te weinig worden gebruikt. Daarom is het belangrijk om reflectiemethoden te ontwikkelen, want die ondersteunen verpleegkundigen, verzorgenden en verpleegkundig specialisten bij het bewust toepassen van richtlijnen.’ En áls je richtlijnen toepast, zo vult Stephanie Dauphin aan, ‘dan kun je belangrijke verbeteringen realiseren in de beroepspraktijk. Daarom zijn deze projecten belangrijk voor toekomstbestendige verpleging en verzorging en professionele identiteit van de beroepsgroepen.’
Vind de juiste taal
Allereerst is het belangrijk om de juiste taal te vinden, zegt Maud. Dat begint al met de term ’reflecteren’: ‘Dat woord wordt niet door iedereen goed begrepen. Het betekent: nadenken over je eigen handelen en dat koppelen aan wat er in een richtlijn staat: Wat doe ik zelf wel en niet? En waarom? Het doel is niet om alles te doen wat in een richtlijn staat, maar wel dat je nadenkt over hoe jij onderdelen kunt inzetten.’ Stephanie: ‘Bij het ontwikkelen van onze reflectiemethode hebben we ons steeds afgevraagd of het er aantrekkelijk uitzag én we hebben de professionals zelf gevraagd: welke woorden werken voor jullie het beste? Wij ruilden “reflecteren” in voor “stilstaan bij wat je doet”.’
Het doel is niet om alles te doen wat in een richtlijn staat, maar wel dat je nadenkt over hoe jij onderdelen kunt inzetten.
Vergroot de basiskennis
Niet alleen ‘reflecteren’ is een lastig begrip, dat geldt ook voor ‘richtlijnen’, zegt Nicole: ‘In de praktijk zien we dat verzorgenden, maar ook verpleegkundigen vaak niet weten wat een richtlijn precies is. Vaak is onbekend waar het handelen op gebaseerd wordt en is de inhoud van een richtlijn onbekend.’ Wat is hiervan het risico, volgens Nicole? ‘Dat je een geweldige reflectiemethode ontwikkelt, maar dat de leuke reflectie waarmee je eindigt geen reflectie is op het handelen volgens richtlijnen. De basiskennis over richtlijnen moet echt omhoog.’ Ligt daar een mooie taak voor de opleidingen? ‘Zeker,’ beaamt Nicole, ‘en bij mensen die net van de opleiding kwamen, zagen we dat deze kennis beter op orde was.’
Actief leren
Maar vervolgens speelt een volgende uitdaging, weet Inge: ‘Als deze beginnende professionals in een team komen werken waar richtlijnen niet of nauwelijks worden gebruikt, passen ze zich aan de gangbare normen binnen de organisatie aan. Ik heb letterlijk een ervaren professional horen zeggen: “Wij doen het hier anders dan de richtlijn.”’ Inges advies? ‘Laat professionals actief leren. Wij hebben mensen gevraagd: “Wat zijn jullie leervragen? Vaak komen ze dan met een e-learning. Wij daagden ze uit. Aan een helpende vroegen we bijvoorbeeld: zou jij “aandachtsvelder” willen worden over de richtlijn eenzaamheid? Reactie: “Moet ik dan ook mijn team gaan mailen om dingen te inventariseren? Dat is toch niet mijn rol? Ik kom gewoon bij cliënten achter de voordeur.” Als je iets anders vraagt dan wat in het standaard repertoire zit, spreek je een enorme leerpotentie aan. Het maakt mensen actiever.’
Zoek richtlijnen op
Ook Maud ziet soms een passieve houding bij organisaties én professionals. ‘Vaak verwacht een organisatie van verpleegkundigen, verzorgenden en verpleegkundig specialisten dat ze zich verdiepen in richtlijnen, en die professionals wachten af wat de organisatie hen aanbiedt. Dat komt dus niet altijd bij elkaar.’ Mauds tip: ‘Is er een nieuwe richtlijn verschenen, loop je tegen een bepaald thema aan of is een bepaald thema juist in jouw regio actueel: ga op zoek naar de richtlijnen. Het Kennisinstituut V&VN heeft bijvoorbeeld een mooie database. Maak richtlijnen bespreekbaar binnen je team. Dan vind je de juiste mensen en lukt het om de juiste mensen aan te haken.’
Ontwikkel in de juiste context
Belangrijk bij het ontwikkelen van een reflectiemethode is ook om de mensen te betrekken om wie het gaat. ‘Geef hen een stem in het proces,’ adviseert Maud. ‘Of je nu werkt aan de hand van een participatieve methode, actieonderzoek of ontwerpgericht onderzoek: in de kern komt het erop neer dat je het doet in co-creatie met de eindgebruikers. In dit geval betekent dat: wat je in de wijkverpleging wilt inzetten, moet je daar ook ontwikkelen – en dus niet in bijvoorbeeld een ziekenhuis. Ontwikkel je je reflectiemethode in de juiste context, dan verklein je de kans dat hij op de plank blijft liggen.’
Ruim ‘samentijd’ in
Zorg ook dat er tijd is om te reflecteren en te leren. ‘Sommige teamleden zien elkaar niet,’ weet Inge. ‘Anderen zien elkaar eens in de zoveel tijd. En weer andere teams hebben wel tijd samen, maar die wordt dan ingevuld door een vergadering geleid door een manager. De “samentijd” is vaak marginaal. Mijn tip aan zorgorganisaties is om teams te faciliteren door momenten te creëren waarin gezamenlijk leren plaatsvindt.’
Misschien moet we zelfs kijken of de indicatiestelling iets verbreed kan worden, zodat er verbetertijd in wordt verdisconteerd?’
Stephanie knikt instemmend: ‘Eén van de lessen die wij hebben geleerd, is dat je binnen een team een aanjager nodig hebt: “Kom, we gaan met de reflectiemethode aan de slag.” Want anders wordt de spaarzame tijd door andere dingen ingevuld. Ik heb professionals horen zeggen: “Waar moet ik dit wegschrijven dan?” En inderdaad: als je samen aan het leren bent, ben je niet in de wijk aan het werk.’
Eén van die lessen die wij hebben geleerd, is dat je binnen een team een aanjager nodig hebt. Want anders wordt de spaarzame tijd door andere dingen ingevuld.
Solistisch en complex
Vergeet ook niet, zegt Nicole, dat professionals in de wijkverpleging per definitie behoorlijk solistisch werken: ‘In een ziekenhuis zien professionals elkaar de hele dag. Daar denken ze gemakkelijker na over: “Hoe doet die ander dit? Zal ik dat ook doen? Of doe ik het beter?” Als je in de wijkverpleging met een reflectiemethode gaat werken, is het voor veel mensen de eerste keer dat ze horen dat het ook anders kan, of dat het in de richtlijn anders staat.’
Bovendien, vult Inge aan, werken professionals in de wijkverpleging ‘heel erg achter elkaar aan’: ‘Je bouwt bijna altijd voort op de erfenis van je voorganger, zonder dat je volledig inzicht hebt in wat die voorganger deed. De complexe setting die wijkverpleging is, maakt samen reflecteren extra belangrijk.’
Laat verzorgende meedenken
Tot slot. Als het dan toch gaat over ‘samen’, dan vraagt Nicole speciale aandacht voor verzorgenden: ‘Verzorgenden moeten meer bij werkgroepen betrokken worden, omdat zij een hele mooie en duidelijke kijk op de zorg hebben. Wil je iets voor iedereen ontwikkelen, dan moet hun stem ook klinken. Maar als het gaat over meedenken en reflecteren, dan worden altijd de wijkverpleegkundigen ingezet. Het verbaasde me hoe vaak wij te horen kregen van verzorgenden dat ze dat jammer vinden.’
Als je iets wilt ontwikkelen dat past bij iedereen in je diverse club, laat dan ook die gemotiveerde verzorgenden meedenken die dat ontzettend leuk vinden.
Wie is wie?
Inge Wolbers werkt als PhD-kandidaat en docent aan de Hogeschool Utrecht. Opgeleid als verpleegkundige. Is enthousiast over samenwerken. ‘Richtlijnen kun je gebruiken om samenwerkingen te verbeteren en daardoor het werk te verbeteren.’
Maud Heinen is senior onderzoeker aan de leerstoel verplegingswetenschap van Radboudumc. Van oorsprong verpleegkundige. Net als Nicole Vullings betrokken bij SPARK. Werkt aan de ontwikkeling en implementatie van richtlijnen: ‘SPARK is een heel mooi project om het gebruik van richtlijnen in wijkverpleegkundige teams te stimuleren.’
Nicole Vullings is docent verpleegkunde bij de HAN. Werkte als jeugdverpleegkundige, stroomde via de master Verpleegwetenschap door naar onderwijs en onderzoek. SPARK is haar promotieonderzoek. ‘Ik vind het ontzettend belangrijk dat je als professional evidence based handelt, dus op basis van iets waarvan we weten dat het werkt.’
Stephanie Dauphin is docent en onderzoeker bij de Hogeschool Rotterdam. Is fan van reflectiemethoden, ‘omdat ze ervoor zorgen dat het raadplegen van richtlijnen en standaarden veel meer gemeengoed wordt.’ Wijzer in de Wijk is onderdeel van haar promotieonderzoek.