Paramedische zorg in de hoofdrol: substitutie en preventie in de praktijk
Paramedici spelen een onmisbare rol in passende zorg door duurdere of onnodige zorg te verplaatsen, te vervangen of zelfs te voorkomen. Maar hoe pak je dat aan? Waar liggen de kansen en welke uitdagingen kom je tegen? Hoe vind je bijvoorbeeld passende financiering en welke wet- en regelgeving speelt een rol?
Daarover gingen zo’n 150 betrokkenen bij de paramedische zorg, waaronder diëtisten, ergotherapeuten, fysiotherapeuten, huidtherapeuten, logopedisten, optometristen en podotherapeuten, onder leiding van dagvoorzitter Philip van der Wees (hoogleraar Paramedische Wetenschappen, Radboudumc), in gesprek tijdens het symposium: PARamedische EersteLijns Substitutie (PAREL-S) op donderdag 5 februari 2026 in The Lighthouse van de Haagse Hogeschool.
Het symposium is georganiseerd door het PAREL-consortium, een samenwerkingsverband van onder andere hogescholen, universiteiten, patiëntvertegenwoordigers en beroepsverenigingen vanuit de verschillende paramedische disciplines. De presentatie van de door hen ontwikkelde routekaart voor paramedische interventies met preventie en substitutiepotentieel staat centraal tijdens het symposium. Want met de dubbele vergrijzing – meer ouderen worden steeds ouder – wordt de zorg zoals die nu is onbetaalbaar.
Innovaties en bewijslast voor effectiviteit
Het symposium start met 2 lezingen over de substitutie – oftewel vervanging – van tweedelijns ziekenhuiszorg of huisartsenzorg door betaalbare en toegankelijke eerstelijns zorg in de wijk of gewoon bij de mensen thuis. Volgens Sjoerd Repping, hoogleraar Zinnige Zorg van Amsterdam UMC en voorzitter van het programma Zorgevaluatie en Gepast Gebruik (ZE&GG), ontbreekt het bij een groot deel van de paramedische interventies aan voldoende wetenschappelijk bewijs. ‘Is alle paramedische zorg even effectief,’ vraagt hij zich af? Na Repping is het woord aan Anneke van Vught, Chief Healthcare bij de Nederlandse Zorg Autoriteit (NZa) en bijzonder hoogleraar Regionale Geïntegreerde Netwerkzorg in het Radboudumc. ‘Mensen herstellen nergens beter dan thuis’, zegt ze. ‘De rol van paramedici is daarbij essentieel. Ook voor de ontwikkeling van innovaties, want de beste ideeën ontstaan in de praktijk.’
-
Innovaties en transformaties slagen alleen als beleid, onderzoek en praktijk samenkomen. Van Vught is opgeleid als verpleegkundige en deed lang praktijkgericht onderzoek met zorgprofessionals. Zij weet uit ervaring hoe complex het is om innovaties landelijk op te schalen. Evenals Sjoerd Repping benadrukt ze hierbij het belang van onderzoek: ‘Onderzoek is voor mij de smeerolie tussen beleid, praktijk en onderwijs’, zegt ze. Ze verklaart: ‘Het open staan en nieuwsgierig zijn voor een ander perspectief maakt dat er wederzijds begrip ontstaat. En alleen met wederzijds begrip kunnen we samen leren en bouwen aan borging van mooie praktijkinnovaties.’
Eenzaamheid, armoede en schuldenproblematiek
In een rapport van de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving staat dat nu nog veel hulpvragen in de zorg niet thuishoren in de zorg, bijvoorbeeld over eenzaamheid, armoede en schuldenproblematiek. Van Vught: ‘Het is onze gezamenlijke opgave om een antwoord te vinden op die problematiek. Daar gaat de NZa zich de komende 3 jaar extra voor inzetten. Dat doen wij samen met onder andere paramedici, verpleegkundigen, het sociaal domein, beleidspartijen, onderwijs en de samenleving.’ Op het beeldscherm verschijnen krioelende mieren die met vereende krachten een visje verslepen. ‘Om vooruit te komen moet je soms even buiten je eigen kaders te kijken. Dan helpt het om aan deze mieren te denken. We hebben een gezamenlijk belang. We moeten het samen doen.’ Tevens doet Van Vught de oproep om contact op te nemen met de NZa wanneer meedenken gewenst is bij nieuwe innovatieve projecten in de paramedische zorg.
-
Repping is ervan overtuigd dat er nog veel ‘lucht’ in zit: zorg die eigenlijk geen meerwaarde heeft voor patiënten ‘En dat is goed nieuws’, zegt hij. ‘Want we móeten keuzes maken. Daarvoor is bewijslast voor effectiviteit essentieel. We moeten kritisch gaan evalueren wat we doen, zodat we ons kunnen blijven wijden aan effectieve, zinnige paramedische zorg.’
Cirkel van Gepast Gebruik
Bewijslast verzamelen is doorgaans niet eenvoudig en kost veel tijd. Voor medisch-specialistische zorg is daarom de Cirkel van Gepast Gebruik ontwikkeld, een cyclische methode om kwaliteit, kosten, arbeidsinzet en duurzaamheid steeds opnieuw te evalueren. Hierbij dragen alle medisch specialistische zorg partijen (medisch specialisten, verpleegkundigen, zorgaanbieders, patiëntenverenigingen, zorgverzekeraars en overheid) ook formele verantwoordelijkheden. Repping: ‘Binnen deze Cirkel is er uitsluitend financiering voor de studies waarvoor commitment is van alle betrokken partijen. Zij bepalen gezamenlijk: dit is volgens ons betaalbare effectieve passende zorg.’ De methode is volgens Repping ook uitstekend toepasbaar voor paramedische zorg. Er verschijnt een dia met 3 pijlen die staan voor 4 stappen:
- agenderen
- evalueren
- implementeren
- monitoren
Repping: ‘Het proces om tot de juiste studieopzet te komen duurt steeds ongeveer 9 maanden. Welke bewijslast is er nodig om na afronding van het onderzoek binnen een jaar een sterke aanbeveling in de richtlijn te krijgen en de zorg vergoed te krijgen (of juist niet meer) van de zorgverzekeraar? Daarover zijn de afgelopen jaren met alle partijen heldere afspraken gemaakt.’
Routekaart
PAREL-S-projectleider Koen Verburg (Radboudumc) presenteert de ontwikkeling van de routekaart en licht het gebruik ervan toe. De routekaart ondersteunt paramedici, zorgorganisaties, samenwerkingsverbanden en beleidsmakers bij het implementeren en/of opschalen van (bewezen effectieve) paramedische interventies met substitutie-potentieel in de regio. Dat kan resulteren in het verplaatsen van paramedische zorg van de tweede naar de eerste lijn of bij het voorkomen van zorg naar de tweede lijn.
Waarom is dit belangrijk?
De inzet van eerstelijns paramedische zorg kan duurdere tweede- en derdelijnszorg voorkomen of vervangen. Bovendien is het voor patiënten prettiger om zorg dicht bij huis te ontvangen. De routekaart is in nauwe samenwerking met partijen uit beleid, praktijk, onderwijs en onderzoek ontwikkeld, waaronder Zorginstituut Nederland, Zorgverzekeraars Nederland, de Nederlandse Zorgautoriteit, Patiëntenfederatie Nederland, diverse paramedische beroepsverenigingen en hogescholen.
Hoe werkt de routekaart?
De routekaart is te vinden op de website Routekaartparamedisch.nl. De routekaart helpt je in 4 stappen door een proces:
- Is de routekaart van toepassing?
- Bepaal de kansrijkheid.
- Implementeren in 1 regio.
- Opschalen naar meerdere regio's.
Bij elke stap is aandacht voor de thema’s Doelgroep, Draagvlak & Motivatie, Samenwerkingsverband, Kwaliteitsaspecten, Financiering, Infrastructuur Zorg en Welzijn, en Impact.
Elke stap eindigt met een checklist om te bepalen of je door kunt naar een volgende stap.
Aan het einde van de presentatie is de routekaart feestelijk gelanceerd, waarbij Koen Verburg aangeeft dat deze eind februari 2026 volledig gereed is voor gebruik in de praktijk.
Aan de slag
Paneldebat
Dagvoorzitter Philip van der Wees en Yvonne van Zaalen (lector Relationele zorg, Haagse Hogeschool) gaan vervolgens met een breed panel in gesprek aan de hand van prikkelende stellingen.
Effectiever en goedkoper in de eerste lijn
Erik Bischoff (Hoogleraar en afdelingshoofd huisartsgeneeskunde, Erasmus MC) en Mathijs Winter (Manager Zorginkoop & Transformatie, VGZ) pitchen hun visie op de eerste stelling en gaan er vervolgens met elkaar over in gesprek: 'Veel zorgvragen bij de huisarts of medisch specialist kunnen effectiever en goedkoper door eerstelijns paramedici worden opgepakt'. Zoals verwacht is nagenoeg de gehele zaal het met de stelling eens. Bischoff zelf ook.
Ik zie beduidend minder mensen met lage rugklachten, schouders, knieën en enkels sinds mensen rechtstreeks naar de fysiotherapeut gaan.
‘Begeleiding bij voeding, leefstijl, bewegen en functioneel herstel kan direct door paramedici worden opgepakt.’ Winter vult de opsomming van Bischoff aan met het ziektebeeld artrose. ‘Fysiotherapeuten krijgen daarin een steeds belangrijke rol,’ zegt hij. Ook nuanceert hij de stelling.
Het is voor de paramedische sector een enorme klus om te bewijzen dat paramedische zorg de zorg ook werkelijk effectiever en goedkoper maakt.
Passende financiering
Van Zaalen vraagt wie ‘nee’ heeft geantwoord op de stelling. Een fysiotherapeut in de zaal staat op. ‘Veel mensen mijden de fysiotherapeut omdat ze het niet vergoed krijgen’, zegt ze. ‘Ze gaan dan alsnog naar de huisarts, waar de zorg voor hen gratis is.’ Winter begrijpt haar punt. ‘Het zou goed zijn als hier passende financiering voor is, waarbij dan duidelijk moet zijn dat de zorg door de fysiotherapeut effectiever en goedkoper geleverd kan worden.’
Eén klacht per keer
Van der Wees wordt getriggerd door het antwoord van Mathijs Winter. Hij heeft een vraag over de Cirkel van Gepast Gebruik, het hulpmiddel waarmee je in snelle cycli aantoont dat bepaalde zorg effectiever en goedkoper kan. ‘Hoe kun je cycli snel doorlopen met beperkte middelen?’ vraagt hij. Sjoerd Repping (ZE&GG) antwoordt: ‘Door het meteen vooraf goed samen te doen. Er gaat nu veel onderzoek verloren omdat niet iedereen het er achteraf mee eens is. Als je dat doet, gaat het onderzoek sneller, komen de resultaten in de richtlijn en zullen verzekeraars er ook op inkopen.’
Geen vergoeding voor de investering
Hinda Stegeman (directeur Zorgadvies Groningen) en Bianca Rootsaert (voorzitter Paramedisch Platform Nederland) pitchen de tweede stelling: 'Het laten zien van de meerwaarde van paramedische zorg vraagt om een investering van paramedici zelf, ook als hier geen vergoeding tegenover staat'. Stegeman somt op wat de investering zoal inhoudt.
Kwaliteitsstandaarden invoeren, goede dossiers bijhouden, data verzamelen, en uiteindelijk bestuurders informeren hoort bij het werk van iedere zorgprofessional.
'De paramedische bestuurders hebben dit nodig om met de juiste inhoud het paramedische gezichtspunt in te brengen. De vraag is in hoeverre dat betaald moet worden’, zegt ze. ‘Je kunt het misschien ook zien als puur werkplezier. Het zou passend zijn om het werk van de bestuurders betaald te laten worden. Gelukkig zien we hiervoor een positieve beweging.'
Harriët Jager-Wittenaar (bijzonder hoogleraar Diëtetiek en transmurale voedingszorg, Radboudumc en lector Malnutrition and Healthy Ageing, Hanze) reageert vanuit de zaal. ‘Binnen het landelijke MONDAY-onderzoek registreren diëtisten in de eerste lijn op uniforme wijze data over de dieetbehandeling van (risico op) ondervoeding. Dit vraagt enerzijds in het begin wat extra tijdsinvestering van de diëtist, maar draagt vervolgens bij aan het aantonen van de meerwaarde van de diëtist.’
Volgens Bianca Rootsaert bevinden we ons in een tussenland. ‘De gesprekken gaan over vooruitgang, maar ook over randvoorwaarden.’
We bevinden ons in een tussenland. Dat is spannend en het wringt. We zullen in de toekomst moeten toewerken naar meer uniforme kaders waarbinnen we onze persoonsgerichte zorg kunnen leveren.
‘Doelgericht en gezamenlijk, ook met de zorgverzekeraar, VWS en ZonMw. Daarvoor moeten we de mensen regelen die ervoor nodig zijn.’ Van Zaalen reageert: ‘Paramedici zijn opgeleid om explorerend te handelen, niet uniform. Is uniform handelen een middel om uit het tussenlandschap te komen? Rootsaerts antwoord laat geen ruimte voor twijfel. ‘Ja’, antwoordt ze. Punt.
Kappersloon
Een fysiotherapeut in de zaal reageert op de stelling. ‘Wij verdienen niet veel meer dan een gemiddelde kapper. Elke dag stoppen 10 fysiotherapeuten, omdat er zo veel niet bekostigd wordt in de eerste lijn. Dat raakt mij. En ja, we moeten investeren. Maar dat kan pas als de basis op orde is.’
Sluit aan bij wat al gemeten wordt
In de zaal zit ook fysiotherapeut Jenny Zwiggelaar werkzaam bij Chronisch ZorgNet. De pool van fysiotherapeuten die wil meewerken aan wetenschappelijk onderzoek wordt volgens haar steeds kleiner en kritischer. Zwiggelaar: ‘Onderzoekers willen altijd nét weer iets anders meten, met nieuwe items op nieuwe vragenlijsten,’ zegt ze. Ze doet een oproep: ‘Onderzoekers, sluit aan op wat er in de praktijk al gemeten wordt.’
In de etalage
Volgens Henri Kiers (lector Klinische Besluitvorming in de Beweegzorg bij Hogeschool Utrecht en voorzitter Stichting Keurmerk Fysiotherapie) hebben paramedici vooral een PR-probleem. ‘Fysiotherapeuten doen alles al’, zegt hij. ‘We hebben netwerken, leerstoelen, lectoraten, richtlijnontwikkeling en data-verzameling. Vrijwel alles is betaald door de beroepsgroep zelf.’ Anjo Geluk reageert vanuit het patiëntperspectief: ‘De paramedie is te bescheiden. Er gebeurt zóveel in de eerste lijn, maar mensen weten het niet. Zet jezelf in de etalage! Sluit je aan bij de cirkel van gepast gebruik werkwijze en laat op de inhoud zien wat je aan waarde toevoegt, dan kan niemand om jullie heen.’
Investeringen gaan voor de baat uit
Ben van Koppen (Hogeschool Rotterdam en ook zorgondernemer) is een andere mening toegedaan. ‘Investeringen gaan voor de baat uit’, zegt hij. ‘We moeten het initiatief naar ons toe trekken. Dan komen de baten vanzelf.’
Lucelle van de Ven (Ergotherapie Nederland) herinnert het panel eraan dat ‘even de effectiviteit aantonen’ niet altijd makkelijk is. Ze zegt: 'Medisch specialisten en hoogleraren in umc’s hebben automatisch betaalde uren voor onderzoek in hun aanstelling. Daarnaast zijn er kwaliteitsgelden voor medisch onderzoek en richtlijnontwikkeling. Maar de paramedisch onderzoekers en hoogleraren hebben dit dikwijls niet. De paramedische sector neemt het initiatief, is erg gemotiveerd en investeert al veel zelf, zoals Henri Kiers net ook al zei, door het vak te willen ontwikkelen en onderzoek te willen doen. Een subsidieaanvraag schrijven vraagt veel investering, dikwijls vrije tijd en dus motivatie.’
Verplaatsing van budgetten
Artur Brouwer (MT-lid directie Curatieve Zorg, ministerie van VWS) pitcht de derde stelling: ‘Substitutie van zorg door eerstelijns paramedici is onmogelijk zonder verplaatsing van budgetten vanuit de tweede lijn.’ Hij wijst op het gedachtegoed van het nieuwe regeerakkoord over passende zorg: je besteedt het geld dáár waar je de meeste meerwaarde krijgt.
Er is veel potentie in de eerste lijn. Bij substitutie moet ook passend worden ingekocht. Dat vraagt iets van het stelsel.
‘We moeten het Zorginstituut en de zorgverzekeraar equiperen voor passende zorg.' Van Zaalen herinnert hem fijntjes aan nog een partij: ‘Vergeet je niet om de eerstelijnsprofessionals te equiperen?’
Groei eerste lijn al ingezet
Brouwer weet overigens te melden dat de rem op groei van de tweede lijn al fors is ingezet. ‘Bij VWS kijken wij naar macrokaders’, zegt hij. ‘De kaders van de eerste lijn groeien al veel sneller en de middelen verschuiven al jaren mee.’ Repping kaart de volgorde der dingen nog maar eens aan. ‘Eerst bewijzen dat de zorg effectiever en goedkoper kan, en daarna een verschuiving van budgetten.’
Te weinig paramedici
Een ergotherapeut in de zaal wijst op een beweging van vakgenoten die van de eerste naar de tweede lijn verhuizen, omdat zij daar meer verdienen. ’Dus leuk, al die oproepen voor initiatieven. Maar in de eerste lijn zijn er geen mensen om het te doen. Ook niet in de toekomst. Er zitten te weinig mensen op de opleiding voor ergotherapie.’
Wachtlijsten
Een ergotherapeut uit de zaal zegt: ‘We moeten evenmin doen in de eerste lijn wat thuishoort in de tweede lijn. En toch doen we het soms, vanwege wachtlijsten in de tweede lijn. Ik werk met kinderen. Zij staan soms jaren op de wachtlijst. Zij hebben niets anders dan de eerstelijns paramedici.’
Ontschotten
Rudi Steenbruggen (15 jaar manager geweest van paramedische afdeling van een topklinisch ziekenhuis) brengt vanuit de zaal de term ‘ontschotten’ erin. ‘Veel van wat ik vandaag hoor is zo heerlijk zwartwit’, zegt hij. ‘We moeten samen de patiënt gaan volgen, en het systeem van betaling gaan herzien. Als je aan de ene kant werkt met dbc’s en aan de andere kant met eerstelijnsstructuur, dan botst het zodanig dat het mislukt.’
Regievoerder
Een paramedicus reageert in de zaal, ze zet haar hoop in op een poortwachter: ‘Mensen met chronische aandoeningen komen bij 3 of 4 zorgverleners tegelijk. We hebben een poortwachter nodig. Een regievoerder die de zorgverlener inschakelt. Dan kunnen we een enorme slag slaan.’ Het betekent volgens haar wel dat we uit heilige huisjes moeten stappen. Ze schetst een beeld van de toekomst: ‘Iemand komt binnen met knieklachten, maar wordt verwezen naar de diëtist. Dat is interprofessioneel samenwerken. Regievoering moet een sleutelbegrip worden.’
Afscheid nemen
Caroeline Stevens (Zilveren Kruis) kan een hele lijst noemen van zorg die naar de eerste lijn kan. ‘Maar dan moet je ook afscheid durven nemen van zorg die je niet meer gaat doen’, zegt ze. ‘‘Hulp (en aandacht) die eigenlijk thuishoort bij het sociaal domein. Dan is het niet nodig om te gaan schuiven met de budgetten.’ Ze wil nog iets kwijt, speciaal aan Sjoerd Repping. ‘Jij zit heel erg op de bewezen effectiviteit’, zegt ze. ‘Maar binnen de passende zorg wordt gepredikt: Kijk wat werkt. Gun het veld de ruimte en een beetje chaos om te ontdekken met een brede maatschappelijke blik. Ik ben bang dat we de neiging hebben om door te slaan naar steeds meer onderzoek op klacht- en aandoeningenniveau.’
Concrete vragen
Sjoerd Repping wijst op de urgentie: ‘We leven in een totaal andere tijd jongens! Hoe gaan we het redden met alle toekomstige zorgvragen? De filosofie over passende zorg is mooi, maar het gaat nu over heel concrete vragen als: wat doen we wel en wat doen we niet meer? Dat hoeft echt niet altijd via nieuw onderzoek. In de medisch-specialistische zorg (MSZ) wordt nu ook gezegd: als er geen bewijs is dat iets werkt, dan stoppen we er gewoon mee (zie als voorbeeld de 'Less is More'-onderwerpen van ZE&GG).'
Vraag en aanbod zijn niet meer met elkaar in lijn. Hoe behapstukken we de uitdagingen? We moeten keuzes maken. Nu.
Vrije keuze
Tijd voor stelling 4: 'Vrijheid van patiënt in kiezen van een zorgverlener staat voorop, ook bij verplaatste zorg van medisch specialist naar eerstelijns paramedicus'. Pitchers zijn Anjo Geluk (voorzitter Denktank 60+ Noord) (patiëntvertegenwoordiger Denktank 60+ Noord) en Anneke van Vught (NZa).
Geluk: ‘Bij keuzevrijheid hoort goed geïnformeerd zijn en op de hoogte zijn van de mogelijkheden. Ook dat patiënt en zorgverlener goed communiceren. Bespreken bij wie en waar je als cliënt het beste terecht kunt. Is er wel altijd een zorg-/behandelvraag? Dus: ook aandacht hebben voor de transitie van zorg naar welzijn. Wat heeft de inwoner nodig om een goed leven te leiden? En wat zou dan een volgende stap kunnen zijn?’
Je bespreekt samen welke zorg het beste is. Daarvoor is het belangrijk dat de arts de patiënt goed kent.
Bischoff: reageert: ‘De kracht zit in het volgen van de patiënt, oftewel continuïteit van zorg. Patiënten switchen veel vaker van paramedicus dan van huisarts. Wij kunnen daar als huisarts in sturen. Tegen de patiënt zeggen: "Je moet de fysiotherapeut of diëtist leren kennen". Zo kun je kwaliteit borgen.’ Van Vught verbindt de stelling aan de vrije artsenkeuze.
Ja, een vrije keuze, maar binnen kaders. Als we stepped-care afspreken is het belangrijk dat we ons daar ook aan houden en ook patiënten meenemen in de gedachte.
Tegelijkertijd is het ook belangrijk om goed in beeld te hebben welke zorgverlener welke specialisatie heeft, zodat de best passende zorg geboden wordt. Het is belangrijk dat regio’s dat in kaart brengen.’
Dezelfde taal spreken
Een paramedicus in de zaal reageert: ‘Vrije keuze draagt bij aan behalen van de behandeldoelen. Zorgverlener en patiënt moeten dezelfde taal spreken. Dan is er meer motivatie om thuis oefeningen te doen.’ Een huidtherapeut in de zaal weet uit ervaring dat het niet altijd zo eenvoudig ligt: ‘Ons regionaal ziekenhuis draaide slechte cijfers’, zegt ze. ‘Ineens moest alles verwezen worden via de thuiszorgorganisatie. Dat ging ten koste van de vrije keuze van de patiënt.’ ’
We moeten het samen doen
Van Zaalen sluit het PAREL-S-symposium af met een dankwoord. ‘We wilden vandaag laten zien dat er veel perspectieven zijn en dat we het samen moeten doen. Dat is gelukt. Een dik compliment voor de openheid en eerlijkheid van jullie allemaal. De antwoorden hebben we nog niet. Maar we hebben wél de dialoog gevoerd.’ Ze roept de paramedici nogmaals op om in de regio en in de wijk het gesprek aan te gaan. ‘Oók als we niet worden uitgenodigd.’
Praktijkvoorbeelden routekaart
De routekaart is in 3 regio’s getest bij paramedische interventies met substitutiepotentieel. Deze regio’s hebben hun bevindingen gepresenteerd tijdens het symposium. Bij de presentatie van deze 3 projecten ligt er veel nadruk op samenwerking met vele organisaties en uiteenlopende achtergronden.
EDOMAH: Ergotherapie bij de Ouderen met Dementie en hun Mantelzorgers Aan Huis
De presentatie van Patricia Verstraten gaat over het zorgen voor passende en tijdige verwijzing naar ergotherapie volgens het EDOMAH-programma. EDOMAH is een ergotherapeutisch programma om mensen met dementie én hun mantelzorgers thuis beter te laten functioneren. Het programma blijkt in onderzoek effectief en kostenbesparend in de regio Maashorst. Het levert per interventie € 1.748,- op.
TSA: Transmuraal Schouder Spreekuur
Barry Scholte neemt ons mee in een fysiotherapeutisch project van 'Almere durft' over het transmuraal schouderspreekuur voor niet-traumatische schouderpijn. Het project heeft in 4 jaar € 880.000,- aan zorgkosten bespaard.
PARAPLU: PARamedici als Actieve Partners in Lokale eerstelijns netwerken oUderenzorg
Tijmen Geurts vertelt tot slot hoe het PARAPLU-project huisartsen, wijkverpleegkundigen en paramedici structureel laat samenwerken in lokale netwerken voor kwetsbare ouderen. Tijdens het project zijn onder andere meer mensen gescreend op ondervoeding en zo nodig verwezen naar eerstelijns paramedici.
ZonMw en paramedische zorg
Om de eerstelijnszorg voor iedereen beschikbaar en toegankelijk te houden, met behoud van kwaliteit, investeert ZonMw in kennisontwikkeling voor de dagelijkse praktijk én in de toepassing daarvan. Dat doen we bijvoorbeeld door te investeren in de versterking van de monodisciplinaire organisatiegraad van de paramedische zorg, in de doorontwikkeling van het kwaliteitsbeleid en in de ontwikkeling van kwaliteitsinstrumenten (zoals kwaliteitskaders, indicatoren en richtlijnen). Daarnaast financieren we onderzoek naar interprofessionele samenwerking en naar het beantwoorden van kennisvragen uit de kennisagenda’s van de paramedische beroepsgroepen. Zo werken we samen aan de kwaliteit van paramedische zorg én aan oplossingen voor urgente vraagstukken in de zorg.