‘Weloverwogen afbouwen medicatie helpt patiënt in laatste fase’
Patiënten gebruiken vlak voor hun overlijden vaak nog veel medicijnen. Maar hoe zinvol zijn bijvoorbeeld bloeddrukverlagers nog in de stervensfase? Je kunt medicatie veilig afbouwen of zelfs stoppen, stelt het onderzoeksteam van Karin van der Rijt. Wel is geautomatiseerde beslisondersteuning nodig, gekoppeld aan het medicatie-overzicht.
Patiënten slikken in hun laatste levensfase vaak nog handenvol medicijnen. Dat is deels onvermijdelijk, omdat medicatie klachten kan verminderen. Maar van veel medicijnen is het de vraag of je ze nog wel moet gebruiken als het einde nabij is. Karin van der Rijt, internist-oncoloog in het Erasmus MC: ‘Er is een zekere angst bij artsen om medicatie in deze fase af te bouwen of te stoppen. Kan het veilig? En wat denkt een patiënt als de dokter zegt dat medicijnen geen zin meer hebben? Ben ik dan écht opgegeven?’ Op het jaarlijkse GGG-congres op 26 maart 2026 vertelde Van der Rijt over beslisondersteuning bij het afbouwen. Dat deed ze in een sessie over de rol van medicatie in de laatste levensfase.
Erover in gesprek
Passend medicatiegebruik is volgens Van der Rijt cruciaal bij palliatieve zorg. En het gesprek met de patiënt hierover hoort bij de zogeheten proactieve zorgplanning (advanced care planning). ‘De kwaliteit van leven in de allerlaatste fase kan verbeteren als je niet nodeloos allerlei medicijnen slikt die jou niet meer helpen. Minder bijwerkingen, minder interacties, en uiteindelijk ook gewoon veel minder gedoe.’ Als arts zul je erover in gesprek moeten, maar daarbij kun je niet terugvallen op veel wetenschappelijk bewijs. Er is nog weinig onderzoek gedaan met patiënten in de laatste levensfase. Om de gezamenlijke besluitvorming te verbeteren, kan beslisondersteuning helpen. Het onderzoeksteam onderzocht het effect van een geautomatiseerde beoordeling van het medicatiegebruik, waarmee artsen potentieel overbodige medicatie konden herkennen.
Ontbrekende richtlijnen
Heroverweging van medicatie bij een beperkte levensverwachting vindt in de praktijk onvoldoende plaats, aldus Van der Rijt. Een belangrijke reden – naast het gebrek aan onderzoek naar de gevolgen van stoppen – is het ontbreken van richtlijnen die de arts bij afbouwen ondersteunen. In de studie van het Erasmus MC is met 7 centra – ziekenhuizen, een hospice en huisartsenpraktijken – onderzocht hoe je samen met de patiënt tot een goede afbouwbeslissing kunt komen. Uitgangspunt was de zogeheten PIM-lijst: potentieel inadequate medicatie in de laatste levensfase. Het team is gestart met de uitkomsten van een Delphi-onderzoek met een internationaal panel. Onder welke omstandigheden kun je bepaalde medicatie stoppen? De consensus uit dit onderzoek is als uitgangspunt gebruikt.
Extra handelingen
Ondanks het enthousiasme voor de studie, stuitten de onderzoekers op belemmeringen bij de uitvoering van de interventie. Met name voor eerstelijnszorgverleners bleken de drempels hoog. Van der Rijt: ‘De meeste patiënten – met een levensverwachting tussen de 3 maanden en 2 weken – werden in het ziekenhuis geïncludeerd. In hun allerlaatste fase gingen deze mensen vervolgens naar een hospice of naar huis. Hun dossier werd weer overgedragen aan de huisarts, van wie we vervolgens verwachtten allerlei handelingen voor de studie te verrichten. Niet dat ze het onderzoek niet belangrijk vonden, maar als huisarts heb je er niet voor gekozen hieraan mee te doen. En dan moet er naast de begeleiding van de patiënt ineens nóg iets extra’s.’
Als we dit kunnen integreren in het LSP - of beter nog: in het EPD - kan een arts ook met iemand in de laatste levensfase onderbouwd in gesprek over passende medicatie.
Aparte link
Deze hobbel hangt direct samen met een technisch probleem dat al snel opdook. Het lukte niet om het Clinical Decision Support System – CDSS – te verbinden met het elektronisch patiëntendossier (EPD). Het best haalbare was een koppeling met het Landelijk Schakelpunt (LSP), een beveiligd netwerk waarmee zorgverleners medicatiegegevens met elkaar delen. Via de op die manier gekoppelde gegevens gaf het CDSS per PIM-medicament een advies te overwegen medicatie af te bouwen of te stoppen. Geen ‘dwingend’ voorschrift dus, maar een prikkel om een goede afweging op maat te maken, benadrukt Van der Rijt. Dat het CDSS niet aan het EPD kon worden gekoppeld, wierp een drempel op. ‘Je moest via een aparte link speciaal naar het CDSS om de adviezen te vinden. Een onhandige extra stap buiten het EPD om. Daardoor zijn er ook minder interventies uitgevoerd.’
Bewustwording
Wat is er uit de studie gekomen? Van der Rijt: ‘Het onderzoek laat duidelijk zien dat afbouwen of stoppen veilig kan. Er ontstaan geen belangrijke complicaties, mits je het weloverwogen doet. En in afstemming met de patiënt. Maar uiteindelijk bleek er geen effect op de kwaliteit van leven. En er was tussen interventie- en controlegroep ook geen significant verschil in het daadwerkelijk afbouwen of stoppen. Hoe dat komt is een hypothese. Mogelijk zijn er in de controlegroep ook meer artsen geweest die gingen afbouwen, alleen al omdat ze zich vanwege hun studiedeelname bewuster werden van het medicatiegebruik van hun patiënten.’ Hoe dan ook, vindt Van der Rijt, is deze bewustwording als winst te beschouwen, al heeft de studie wetenschappelijk gezien geen ‘positieve’ uitkomst laten zien. Bijkomend voordeel is dat er minder verspilling van geneesmiddelen is.
Systeem goed voeden
Om artsen goed te helpen met een geautomatiseerde beslisondersteuning, is in elk geval een betere techniek onmisbaar. In het LSP staat alleen wat er is uitgegeven, maar als arts en patiënt besluiten af te bouwen wordt dat lang niet altijd zichtbaar in het systeem. ‘Misschien overschatten we het medicatiegebruik in de laatste levensfase zelfs. In elk geval is het relevant om een CDSS goed te voeden met écht actuele informatie. Daar wordt inmiddels aan gewerkt en onze ziekenhuisapotheek is daarbij betrokken. Als we dit kunnen integreren in het LSP – of beter nog: in het EPD – wordt de beslisondersteuning veel adequater. En kan een arts ook met iemand in de laatste levensfase onderbouwd in gesprek over passende medicatie. Belangrijk, want je kunt mensen in hun laatste fase juist helpen door ze minder te laten slikken.’
Karin van der Rijt is hoogleraar Palliatieve oncologische zorg en internist-oncoloog bij het Erasmus MC Kanker Instituut in Rotterdam. Ze is voorzitter van Palliactief, de landelijke multidisciplinaire beroepsvereniging voor palliatieve zorg. Sinds november 2018 maakt ze deel uit van de commissie Palliatieve Zorg van de Nederlandse Vereniging voor Medische Oncologie.