Lerend evalueren bij projecten vraagt om een brede blik en duurzame samenwerking
Om gezondheid structureel mee te nemen in de inrichting van de leefomgeving, is betere samenwerking nodig tussen GGD’en, gemeenten en kennisinstellingen. De projecten uit ons programma Gezonde Leefomgeving Integrale Aanpak zijn geëvalueerd en hieruit zijn mooie lessen te trekken.
Marieke Dijkema en Moniek Zuurbier van de Academische Werkplaats Gezonde Leefomgeving (AWGL) begeleidden de evaluatie van de grotere GLIA projecten uit het subsidieprogramma Gezonde Leefomgeving. Zij laten zien hoe evaluatie kan bijdragen aan betere samenwerking tussen GGD’en, gemeenten en kennisinstellingen, en hoe reflectie helpt om koers te houden, bij te sturen en resultaten te borgen.
Lerend monitoren en evalueren
ZonMw vroeg de AWGL om de grotere projecten met subsidie van uit ZonMw te evalueren. Het ging om de twee rondes: Ontwikkelen van kennis over gezondheid in kwetsbare wijken en gebieden (10 projecten) en Toepassen van kennis over een gezonde leefomgeving (15 projecten). Omdat de projecten nog liepen koos de werkplaats voor een aanpak van lerende monitoring, gebaseerd op een Theory of Change. Zij trokken hiervoor op met Pharos (bracht expertise in op participatie en gezondheidsbevordering) en Platform31 (dacht mee over proces en instrumenten). 'Samen konden we projecten zowel inhoudelijk als methodisch verder helpen', aldus Zuurbier.
Die aanpak leverde geregeld verrassende inzichten op. 'Zo bleek dat veel projecten hun resultaten wilden presenteren "aan het fysieke domein", maar nauwelijks concreet hadden wie ze daarmee bedoelden', vertelt Dijkema. 'Ging het om de rioolbeheerder, of juist om de beleidsmaker openbare ruimte? Deze vragen maken duidelijk dat output zoals rapporten of factsheets niet vanzelf leiden tot impact. Projecten moesten bewust nadenken of hun gekozen doelgroepen en middelen wel aansloten bij hun doelen en ambitie. Daarnaast bood het proces een kans om even gas terug te nemen. Door de korte looptijd waren veel teams vooral bezig met doorgaan en opleveren. De workshops dwongen hen om achterover te leunen, te reflecteren en zich af te vragen: zijn we nog op koers, of moeten we bijsturen?'
Ruimte om bij te sturen
Veel projecten deden voor het eerst een subsidieaanvraag bij ZonMw en kregen daarin te maken met specifieke richtlijnen. We zagen soms dat projectleiders zich sterk verbonden voelden aan hun oorspronkelijke aanvraag', vertelt Zuurbier. 'Zij vonden het dan spannend om daarvan af te wijken gedurende het project. Terwijl ZonMw juist stimuleert om met voortschrijdend inzicht bij te sturen, in goede afstemming.' De AWGL kon hierin een aanvullende en laagdrempelige rol vervullen. 'Voor sommige projectleiders was het prettig om eerst hun twijfels of vragen bij ons te verkennen', vertelt Dijkema. 'Zij benoemden dingen die ze nog niet meteen in een groter overleg wilden inbrengen. Wij konden die signalen, indien gewenst anoniem, terugkoppelen. Dat hielp om ruimte te creëren om te leren en aan te passen.'
Relatie tussen sociaal en fysiek
De evaluatie liet zien dat de rol van de GGD op het thema gezonde leefomgeving duidelijker op de kaart kwam te staan. Doordat GGD’en verplichte partners waren, ontstonden er nieuwe verbindingen met gemeenten en tussen domeinen waar die samenwerking eerder niet vanzelfsprekend was. Zuurbier: 'We zagen projecten rond gezondheidsbevordering die vanuit de GGD gedaan werden, zonder veel bestaande contacten met het fysieke domein, terwijl GGD-collega’s van Milieu en Gezondheid die contacten al wel hadden. Verkokering zie je bij alle organisaties, maar de relaties tussen sociaal en fysiek domein werden versterkt in deze projecten. Tegelijkertijd bouwden veel projecten voort op bestaande relaties, omdat de aanvraagtermijnen te kort waren om hele nieuwe samenwerkingsverbanden op te zetten.' Marieke Dijkema vult aan: 'In projecten zagen we hoe de GGD een brug kon slaan tussen verschillende beleidsterreinen. Dat soort kruisverbanden zijn waardevol.'
Doordat GGD’en verplichte partners waren, ontstonden er nieuwe verbindingen met gemeenten en tussen domeinen waar die samenwerking eerder niet vanzelfsprekend was.
Nieuwe netwerken en kennisdeling
De projecten trokken veel nieuwe professionals aan. 'Bij de eerste leernetwerkbijeenkomst dacht ik: ik ken bijna niemand. Dat vond ik bijzonder en ook heel leuk', zegt Dijkema. Dit zorgde voor nieuwe energie en verbreding van het netwerk, maar ze zagen ook dat basiskennis soms ontbrak. Zuurbier: 'Veel deelnemers kwamen uit de gezondheidsbevordering en waren nieuw in dit thema. Dat vraagt om investeren in gezamenlijke taal en kennisontwikkeling.'
Daarnaast viel op dat stedelijke gemeenten sterk vertegenwoordigd waren, terwijl landelijke gemeenten nauwelijks deelnamen. Kleinere GGD’en en gemeenten hebben minder capaciteit en ervaring met subsidieprocedures. Volgens Zuurbier zou het helpen als grotere gemeenten kleinere partijen actiever meenemen. Ook hogescholen zouden een belangrijkere rol kunnen spelen in regionale borging en vervolgonderzoek. De evaluatie laat ook zien dat integraliteit in de praktijk nog steeds niet vanzelfsprekend is. Veel projecten claimen integraal te werken, maar blijven in uitvoering beperkt tot één of twee domeinen. 'Veel projecten gaven aan met groen te werken aan bewegen, ontmoeten en hitte - maar in de praktijk deden ze dat dan niet echt, of spraken er niet over met de betrokkenen', vertelt Dijkema.
Het mooiste resultaat is dat er nu een grote en diverse groep mensen met gezonde leefomgeving aan de slag is gegaan. Dat geeft vertrouwen voor de toekomst.
6 hoofdlessen voor onderzoekers, GGD en gemeente uit de evaluatie
- Hanteer een brede blik op wat een gezonde leefomgeving inhoudt
Een gezonde leefomgeving is een omgeving die 1) uitnodigt tot gezond gedrag, 2) beschermt tegen gezondheidsrisico’s en 3) aantrekkelijk en prettig is. Een brede, integrale blik levert de meeste kansen voor verbeteringen in de leefomgeving. Betrek hiervoor partners met verschillende expertises. - Maak gebruik van de kracht van domeinoverstijgende samenwerking
Werken aan een gezonde leefomgeving betekent domeinoverstijgend samenwerken. Samenwerking tussen het sociaal- of gezondheidsdomein en het fysiek domein is essentieel om doelen en middelen effectief met elkaar te combineren. - Creëer samenwerking die het verschil maakt in je project
Samenwerken loont! Investeer gedurende de hele looptijd (en daarvoor) in een goede samenwerking binnen je project: niet alleen de juiste partijen, maar ook de juiste mensen met de juiste expertise. Heb aandacht voor een gezamenlijke taal en werkwijze en de daarvoor benodigde randvoorwaarden. - Werk aan een gezonde leefomgeving voor én met bewoners
Schep gedurende het gehele project de juiste omstandigheden om samen te werken met de mensen om wie het gaat. Oftewel voor participatie van bewoners en gebruikers. - Zorg ervoor dat jouw initiatief van blijvende waarde is voor de gezonde leefomgeving
Organiseer tijdig ruimte voor reflectie op output en impact. Stuur bij waar nodig; een project loopt altijd anders dan gepland. Bedenk tijdig hoe je je resultaten wilt verspreiden. Zorg voor borging van de resultaten van je project. Neem maatregelen op in begroting en beleid van zowel fysiek als sociaal domein. Hiermee behaal je een langdurige impact van je project. - Benut de kennis uit andere initiatieven binnen en buiten je organisatie
Investeer in samenwerking met andere projecten om expertise op het gebied van de gezonde leefomgeving (door) te ontwikkelen. Samenwerking vind je bijvoorbeeld in netwerken zoals AWGL en programma’s zoals Programma Gezonde Leefomgeving. Integreer - waar mogelijk - verschillende gebiedsspecifieke bevindingen tot meer generieke conclusies of aanbevelingen (op inhoud en/of proces), zodat deze ook toepasbaar zijn in andere gebieden.
Meer weten? Bekijk de brochure:
Borging van resultaten en blik op de toekomst
Volgens Zuurbier vormen deze lessen de basis voor verdere ontwikkeling van (onderzoeks)projecten in het werkveld. 'Het mooiste resultaat is dat er nu een grote en diverse groep mensen met gezonde leefomgeving aan de slag is gegaan. Dat geeft vertrouwen voor de toekomst.' Een terugkerende vraag is hoe resultaten duurzaam geborgd kunnen worden. Te vaak blijven interventies tijdelijk of projectmatig. 'We zien nog te vaak dat een ‘speeltuintje wordt neergezet’ die na een paar jaar overgroeid en ongebruikt raakt omdat er geen onderhoud of een programma is geregeld', zegt Dijkema. 'Borging vraagt om structurele afspraken – beleidsmatig én financieel.'
Reflectie aan de hand van een Theory of Change kan projecten helpen om hun resultaten beter te vertalen naar beleid en praktijk. Ook benadrukt de AWGL dat projectleiders eerst in eigen organisaties over schotten heen moeten kijken, voordat ze externe partners opzoeken. 'Gebruik je eigen collega’s en combineer netwerken. Dat biedt inhoudelijke en financiële kansen', aldus Zuurbier.
De AWGL ziet gezonde leefomgeving als een thema dat voortdurend in beweging is. Vraagstukken zoals klimaatadaptatie, binnenmilieu en digitalisering worden de komende jaren steeds belangrijker. 'We weten niet hoe het er over twintig jaar uitziet, maar de beweging naar preventie, integraliteit en samenwerking zet duidelijk door', zegt Dijkema. Voor gemeenten en GGD’en betekent dit dat gezonde leefomgeving niet langer een apart thema is, maar een integraal onderdeel van beleid en inrichting. 'Door kennisontwikkeling, samenwerking en borging te versterken, kan gezondheid duurzaam worden verankerd in de leefomgeving.'
Over de geïnterviewden
Ten tijde van het interview waren zowel Marieke Dijkema als Moniek Zuurbier de coördinatoren van de Academische Werkplaats Gezonde Leefomgeving. Beiden als Strategisch Beleidsadviseur bij het bovenregionaal team Milieu en Gezondheid van de GGD’en in Overijssel en Gelderland. Dijkema is daarnaast voorzitter van de GGD werkgroep Luchtkwaliteit en Gezondheid en Zuurbier is voorzitter van de werkgroep Klimaat en Gezondheid bij de Vakgroep Milieu&Gezondheid van de GGD GHOR Nederland.
Over de Academische Werkplaats Gezonde Leefomgeving
De academische werkplaatsen publieke gezondheid bestaan sinds 2006 en verbinden onderzoek, beleid en praktijk. De Academische Werkplaats Gezonde Leefomgeving (AWGL) is vanaf het begin landelijk georganiseerd, omdat de beroepsgroep medisch milieukunde klein is en landelijke samenwerking noodzakelijk bleek. 'We zijn begonnen als academische werkplaats medisch milieukunde, maar dat is verbreed naar milieu en gezondheid en later naar gezonde leefomgeving', vertelt Moniek Zuurbier. Die verbreding weerspiegelt ook een inhoudelijke verschuiving, aldus Marieke Dijkema: 'Het vakgebied is van reactief en individueel advies steeds meer gegaan naar preventief en collectief, met focus op beleidsadvisering.' Sinds 2021 draagt de werkplaats officieel de naam AWGL, waarmee de lading beter wordt gedekt.
De werkplaats heeft twee hoofddoelen: het versterken van samenwerking tussen beleid en praktijk, en het professionaliseren van GGD’en. Onderzoeken worden daarom uitgevoerd door GGD-professionals, altijd in samenwerking met kennispartners. 'We willen dat de GGD’ers zelf onderzoek doen, zodat zij hun academische vaardigheden ontwikkelen en die ook in de praktijk kunnen inzetten', benadrukt Dijkema. De coördinatie van de werkplaats ligt bewust bij de GGD en niet bij de universiteit – een afwijking van veel andere academische werkplaatsen.
Kennisbundel
Dit interview is verschenen in de kennisbundel Samenwerken aan de gezonde leefomgeving. In deze bundel ontdek je praktische instrumenten en lessen, bijvoorbeeld over domeinoverstijgend samenwerken en inwoners betrekken. Het zijn de opbrengsten uit meer dan 50 projecten, waarin gemeenten en GGD'en samenwerkten, met subsidie uit ons programma Gezonde Leefomgeving Integrale Aanpak