Inhaalslag rond man-vrouwverschillen in de psychiatrie

Interview met Iris Sommer
Verschillen tussen mannen en vrouwen beïnvloeden soms niet alleen de werkzaamheid en veiligheid van geneesmiddelen, maar ook de bereidheid om aan onderzoek mee te doen. Onderzoekers van het UMCG ondervonden het in een studie naar het effect van raloxifeen bij mensen met een schizofreniespectrumstoornis.

Wat was de aanleiding voor de studie?

‘We weten al langer dat vrouwen met een schizofreniespectrumstoornis vóór de overgang minder last hebben van hun aandoening dan daarna. Daarnaast is het ziektebeeld bij mannen de eerste jaren meestal ernstiger dan bij vrouwen. Het geslachtshormoon oestrogeen lijkt een beschermend effect te hebben op de hersenen. Raloxifeen – oorspronkelijk ontwikkeld voor de behandeling van borstkanker – bleek in eerder onderzoek in Australië te werken. Het stimuleert de oestrogeenreceptor in de hersenen, maar remt die juist in borst- en baarmoederweefsel. Wij wilden dat bevestigen in een gerandomiseerde, placebogestuurde studie. En we hoopten dat ook mannen er profijt van zouden hebben. Het middel kent relatief milde bijwerkingen en heeft ook positieve effecten, bijvoorbeeld op botontkalking.’

Hoe verliep de inclusie?

‘Die bleek erg lastig. Onze studie is mede daardoor erg uitgelopen. Van ZonMw mag zoiets gelukkig budgetneutraal, maar voor de deelnemende centra lopen kosten natuurlijk wel gewoon door. Het punt is onder meer dat mensen met een schizofreniespectrumstoornis vaak wat achterdochtig zijn. Dat hoort bij hun aandoening. En als in een gerandomiseerde trial niemand je vertelt welk geneesmiddel je krijgt, wordt die achterdocht eerder groter. Vooral vrouwen zeiden vaak nee. Te veel onzekerheid, te veel risico. Ook vervoer was voor hen vaak lastig omdat vrouwen minder vaak een auto hebben. We hebben via verschillende bronnen geworven (zie kader, red.) en het is uiteindelijk wel gelukt. We wilden ook graag doorzetten. Als je studie niet genoeg statistische power krijgt, heeft immers niemand wat aan je werk.’

Wat hebben jullie ontdekt?

‘Bij vrouwen had raloxifeen een tamelijk spectaculair effect. De symptomen werden minder, en na drie maanden bleek het denkvermogen aantoonbaar verbeterd. Helaas trad het positieve effect op de klachten bij mannen niet op. We vermoeden dat dit komt doordat zij minder oestrogeenreceptoren hebben waar raloxifeen op aangrijpt.’

Wij zien raloxifeen als onderdeel van de behandeling van een schizofreniespectrumstoornis.

Wat betekent dit voor de behandeling?

‘Voor mannen verandert er dus niets, helaas. Maar bij vrouwen werkt raloxifeen dus inderdaad. Er zijn aanwijzingen dat sekse-sensitieve psychosezorg veel voordelen heeft en wij zien raloxifeen als onderdeel van de behandeling van een schizofreniespectrumstoornis. Van sommige antipsychotica moet de dosering aangepast worden. Antipsychotica verstoren vaak de stofwisseling, met risico’s op hart- en vaatziekten tot gevolg. En antipsychotica die het melkproductiehormoon prolactine verhogen, hebben voor vrouwen veel nadelen. Voor specifieke richtlijnen voor de behandeling van vrouwen is het nog te vroeg, maar dit onderzoek is een belangrijke stap in die richting.’

Relevante kennis over man-vrouwverschillen dus?

‘Zeker, sekseverschillen zijn relevant voor de hele ggz. Geslachtshormonen hebben een groot effect op het gedrag. Dat blijkt alleen al uit de toename van angst- en stemmingsstoornissen bij vrouwen tijdens en na de menopauze. Die problemen zijn overigens zeker niet alleen hormonaal bepaald. Ook genderrollen spelen mee. Veel vrouwen worstelen bij het ouder worden met zingevingsvragen, als ze het gevoel krijgen dat hun rol als het ware is uitgespeeld. Het is steeds een combinatie van biologie en sociologie.’

Wat is er nodig voor de implementatie?

‘Binnenkort verwachten we een wetenschappelijk artikel te publiceren. In mei spreken we op een internationaal schizofreniecongres in Canada. Ook communiceren we via de kanalen van patiëntenorganisaties Ypsilon en Anoiksis en verspreiden onze kennis in bij- en nascholing. Psychiaters zijn erg geïnteresseerd. Ze beseffen dat vrouwen een andere behandeling nodig hebben dan mannen en dat we daar als relatief jong vak eigenlijk nog onvoldoende kennis over hebben. Er is nog veel onderzoekswerk te doen.’

Nog tips voor collega’s?

‘Houd er rekening mee dat vrouwen in de psychiatrie nog minder geneigd zijn aan onderzoek mee te doen dan mannen. Je moet dus extra je best doen in de werving. Ook daar speelt de sociologie een rol, zoals dat gegeven dat vrouwen minder vaak een auto hebben. Wij hebben daarom regelmatig aangeboden thuis langs te komen. Die moeite doen is absoluut nodig om de vrouwengeneeskunde meer ruimte te geven. Zeker in geneesmiddelenonderzoek weten we gewoon nog veel te weinig van de invloed van geslachtsverschillen.’

Prof. dr. Iris Sommer (links op de foto en voor artikel geïnterviewd) is psychiater en hoogleraar Cognitieve aspecten van neurologische en psychiatrische aandoeningen aan het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG). Ze deed de studie samen met onderzoeker drs. Bodyl Brand (rechts op de foto). Het UMCG werkte samen met Ypsilon (vereniging van familieleden en naasten van mensen met psychosegevoeligheid), Anoiksis (vereniging voor en door psychosegevoelige mensen), Academisch Ziekenhuis Antwerpen, GgzE (Eindhoven), Reinier van Arkel (Den Bosch) en UMC Utrecht. Tijdens het GGG-congres op 30 maart 2023 staat het onderzoeksproject centraal in subsessie F. Hoe kun je al tijdens de opzet van een geneesmiddelenstudie rekening houden met sekseverschillen?

Tekst: Marc van Bijsterveldt (februari 2023)