Achtergrond afbeelding Achtergrond afbeelding darkmode

APOSTEL 8: geen effect weeënremmers op gezondheid baby

Interview met Larissa van der Windt en Martijn Oudijk
Laatst aangepast:

Jaarlijks bevallen 12.000 vrouwen in Nederland vóór de 37 weken zwangerschap. Deze vroeggeboortes geven vaak complicaties bij het kind en vormen de belangrijkste doodsoorzaak van pasgeborenen. Weeënremmers kunnen de bevalling uitstellen. Maar Amsterdam UMC toonde aan dat ze na 30 weken geen toegevoegde waarde hebben voor de gezondheid van de baby.

Het idee om met weeënremmers een dreigende vroeggeboorte te voorkomen, heeft de charme van de logica. Het uitstellen van de bevalling geeft de ongeboren baby immers extra tijd zich te ontwikkelen, met minder gezondheidsproblemen als resultaat. Maar er bestond geen wetenschappelijk bewijs of het kind daadwerkelijk baat heeft bij deze behandeling. Een team van Amsterdam UMC wilde uitzoeken wat beter is: wel of geen weeënremmers tussen 30 en 34 weken zwangerschap? Dat gebeurde binnen APOSTEL, een onderzoekslijn rond de behandeling van vrouwen die een vroeggeboorte meemaken. Dit is alweer de achtste studie in de reeks. 

Uitkomsten voor het kind

APOSTEL 8 ging niet over het verlengen van de zwangerschapsduur, maar over uitkomsten voor het kind. Arts-onderzoeker Larissa van der Windt: ‘Dit is wereldwijd de eerste grote studie die specifiek onderzocht wat weeënremmers opleveren voor de gezondheid van de baby.’ Vroeggeboorte is het grootste probleem binnen de verloskunde, vervolgt projectleider Martijn Oudijk. ‘Het komt in Nederland bij 6 tot 7 procent van de zwangerschappen voor. Kinderen die te vroeg worden geboren, lopen meer kans op sterfte of ernstige gezondheidsproblemen op korte én lange termijn. Variërend van ademhalingsproblemen – omdat de longen onvoldoende rijp zijn – tot gedrags- en leerproblemen op latere leeftijd.’ 

Afbeelding
In de groep met weeënremmers kreeg 8 procent een ernstige aandoening, in de placebogroep 9 procent. Er is dus geen verschil voor de gezondheid van de baby – niet in het voordeel en niet in het nadeel.
Larissa van der Windt
arts-onderzoeker in Amsterdam UMC

Geen significant verschil

In de APOSTEL 8-studie ging het niet om dergelijke langetermijneffecten, aldus Van der Windt. ‘Die worden wel geëvalueerd door het team van Carolien Dijkstra-Roos in een follow-up-studie rond het 4e levensjaar. Wij keken naar een gecombineerde uitkomstmaat van ernstige complicaties bij pasgeborenen op korte termijn, inclusief sterfte. Denk aan hersenbloedingen, bloedvergiftiging of darmontstekingen.’ Aan de studie deden 24 Nederlandse ziekenhuizen mee, plus 2 in Engeland en Ierland. Onder een groep van 755 vrouwen – tussen 30 en 34 weken zwanger, met symptomen van een vroeggeboorte – werd geloot tussen 2 behandelingen. De ene groep kreeg weeënremmers en corticosteroïden, de andere een placebo en corticosteroïden. De studie volgde in totaal 884 kinderen (er waren ook meerlingen) tot 3 maanden na de geboorte. De uitkomsten zijn eenduidig, aldus Van der Windt. ‘In de groep met weeënremmers kreeg 8 procent een ernstige aandoening, in de placebogroep 9 procent. Het verschil is niet significant. Er is dus geen verschil voor de gezondheid van de baby – niet in het voordeel en niet in het nadeel.’

Overtuigingskracht nodig

Oudijk vertelt over de uitdaging om voldoende vrouwen te includeren. Zowel patiënten als artsen geloven sterk in weeënremmers, die al jaren op het verloskundige repertoire staan. ‘Ons hoofdargument was dat er nooit naar wetenschappelijk bewijs is gezocht op uitkomsten bij het kind. Weeënremmers vertragen de bevalling, dat is een feit, maar is de baby daarmee ook beter af? Daarvoor waren de collega’s zeker gevoelig, toch vergde het overtuigingskracht om de studie overal opgestart te krijgen. We schoven bijvoorbeeld regelmatig aan bij een ochtendoverdracht, waar het hele team bij elkaar zit.’ Een ander argument is dat een geboorte afremmen soms juist gevaarlijker is voor het kind. Oudijk: ‘Vroeggeboorte heeft vaak een medische oorzaak, bijvoorbeeld een infectie of placentaproblemen. Dan kan het juist ongunstig zijn als het kind langer in de baarmoeder blijft.’

Afbeelding
portret Martijn Oudijk
Internationaal wordt implementatie lastiger, vooral omdat weeënremmers in veel landen nog altijd als dé behandeling gelden
Martijn Oudijk
gynaecoloog-perinatoloog in het Amsterdam UMC en hoogleraar Verloskunde aan de Vrije Universiteit Amsterdam

Inzetten op preventie

Al met al heeft de studie 8 jaar gelopen. Maar met een mooi resultaat, vindt Van der Windt, gezien de publicatie van een artikel in The Lancet op 3 maart 2025. Er ligt nu bewijs dat weeënremmers niet de beste optie zijn bij een zwangerschap boven de 30 weken. Wat kun je dan beter doen? Oudijk: ‘Allereerst: preventie. Gezonder de zwangerschap ingaan verkleint het risico op vroeggeboorte. Leefstijladviezen als niet roken en meer bewegen zijn dus belangrijk.’ Van der Windt: ‘Ook moeten we beter inschatten of er een vroeggeboorte dreigt. Mogelijke ademhalingsproblemen kun je bijvoorbeeld voorkomen met longrijpingsprikjes voor de moeder, die de rijping van de longen van de baby versnellen. Uit onderzoek is bekend dat dit gezondheidswinst oplevert.’

Missiewerk op congressen

De volgende uitdaging wordt de implementatie. Voor Nederland voorziet Oudijk weinig problemen. ‘In onze wetenschappelijke beroepsvereniging NVOG werken we met een kwaliteitscirkel, waarvan implementatie expliciet onderdeel is. Ook krijgt ons advies een plek in de herziene richtlijn Dreigende vroeggeboorte.’ Internationaal wordt het lastiger, vooral omdat weeënremmers in veel landen nog altijd als dé behandeling gelden. De Lancet-publicatie gaat beslist helpen, verwachten beide onderzoekers, maar er is wel missiewerk op congressen nodig. Van der Windt: ‘Er was veel interesse voor onze recente presentatie in Denver (zie onderaan, red.), maar we proefden ook terughoudendheid. We gaan op meer plekken vertellen over onze bevindingen. In 2022 schreef Wereldgezondheidsorganisatie WHO nog dat er geen bewijs was. Dat ligt er nu, maar dan dus tégen het standaard gebruiken van weeënremmers.’ 

Persoonlijke contacten

Een vaste teamgrap is dat Jezus 12 apostelen had. Er komen dus nog meer APOSTEL-studies aan, vertelt Oudijk, naast het al lopende onderzoek naar preventieve behandelingen. Carolien Dijkstra-Roos overweegt een studie rond vroeggeboorten tussen de 24 en 30 weken. De lessen van APOSTEL 8 kunnen ook daarin goed van pas komen, zegt Oudijk. Een daarvan is dat je niet moet onderschatten hoeveel werk een multicenter-studie is (‘Ik kan er een boek over schrijven…’). ‘Zorg allereerst dat je samenwerkt met patiëntenorganisaties. En investeer stevig in het motiveren van collega’s die in al die centra vrouwen moeten includeren. Met weeënremmers ben je in een kwartiertje klaar, terwijl je met alle onderzoekshandelingen voor zo’n studie zo een uur verder bent.’ Van der Windt: ‘Het zit sterk in de persoonlijke contacten. Veel langsgaan bij de centra, de nieuwe arts-assistenten spreken, opfrispresentaties geven, heel veel bellen tussendoor. En af en toe met taart op de koffie, om samen een inclusiesucces te vieren.’

Martijn Oudijk is gynaecoloog-perinatoloog in het Amsterdam UMC en hoogleraar Verloskunde aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Larissa van der Windt is arts-onderzoeker in het Amsterdam UMC. Zij is bezig met een promotie op het onderzoek. De studie zal te zijner tijd worden meegenomen in de aanpassing van de richtlijn ‘Dreigende vroeggeboorte’ in de FMS Richtlijnendatabase.

Colofon

Tekst: Marc van Bijsterveldt (maart 2025)
Beeld: Martijn Oudijk en Larissa van der Windt