Carla Vos: ‘Laten we van de lappendeken aan dataverzamelingen één mooi kleed maken.’
De GGG-raad adviseert hoe het programma Goed Gebruik Geneesmiddelen (GGG) kan aansluiten bij vragen en behoeften van de samenleving én van relevante stakeholders. In een korte reeks gesprekken met leden is het de beurt aan Carla Vos, algemeen directeur van de Vereniging Innovatieve Geneesmiddelen (VIG).
Wie is Carla Vos?
‘Ik was 17 toen mijn moeder overleed aan kanker. Ik was de jongste van 4 en woonde als enige nog thuis. Deze ingrijpende gebeurtenis heeft mede mijn studiekeuze bepaald, én mijn promotieonderwerp. Na mijn studie Gezondheidswetenschappen in Maastricht promoveerde ik in Leiden op genetische veranderingen bij het voorstadium van borstkanker. Dat onderzoek heeft mijn interesse voor de geneesmiddelensector gewekt. Wetenschap vond ik prachtig, maar bij een farmaceutisch bedrijf gaat de zoektocht naar het beïnvloeden van ziektemechanismen – en die naar een levensreddend of levensverlengend medicijn – veel sneller. Ik heb ruim 20 jaar bij MSD Nederland gewerkt. Ik heb een sterke drive om met innovatieve geneesmiddelen bij te dragen aan een beter leven van patiënten. Die kan ik al enkele jaren heel mooi kwijt in mijn rol bij de VIG.’
Je bent al geruime tijd betrokken bij de GGG-raad. Hoe ervaar je dit?
‘Ik ben pas lid van de GGG-raad sinds ik VIG-directeur ben. Maar ik heb vanuit mijn vorige rol bij MSD mede aan de wieg gestaan van het ZonMw-programma én deze raad. Vanuit de industrie praatte ik bij het ministerie mee over mogelijkheden om het aantal medicatiegerelateerde ziekenhuisopnamen terug te dringen. Dat probleem was scherp in beeld gekomen door de zogeheten HARM-studie. Ik weet nog goed dat op de schrikkeldag 29 februari 2012 de GGG-raad werd geboren: een adviesgroep van het gelijknamige ZonMw-programma, waarin alle betrokken maatschappelijke partijen zouden meedenken over onderzoek naar goed gebruik van geneesmiddelen. Dus patiënten, wetenschappers, medici, apothekers en de industrie. Niet alleen door verbeteringen te realiseren in de concrete farmacotherapeutische zorg, maar ook door bijvoorbeeld gerichter voor te schrijven met behulp van farmacogenetica. Er zijn inmiddels veel stappen gezet, maar dit probleem is beslist nog niet opgelost. Nog altijd is zo’n 15% van de ziekenhuisopnamen medicatiegerelateerd, net als bij de start van GGG. In de GGG-raad praten we over hoe het beter kan. Het motiveert mij sterk om daaraan mee te doen in het belang van de patiënt – ik zeg: ons gemeenschappelijk belang.’
Als we alle beschikbare data beter met elkaar koppelen – en ik zie daarvoor veel kansen met de inzet van AI – genereren we nieuwe kennis voor een gerichter, gepersonaliseerd gebruik van geneesmiddelen
Wat is het belang van de deelname van de VIG aan de GGG-raad?
‘Ik weet dat de farmaceutische industrie soms met enig wantrouwen wordt bekeken. Maar er is geen andere partij die de enorme, risicovolle investeringen kan doen die nodig zijn voor de ontwikkeling van nieuwe medicijnen. Per geneesmiddel kost dat tussen de 2 en 4 miljard euro. De academie doet onmisbaar fundamenteel onderzoek naar ziektebeelden en vindt aanknopingspunten om met een geneesmiddel patiënten te helpen. Maar de academie is niet ingericht op het doen van de grote klinische trials die vervolgens nodig zijn om een veilig en effectief medicijn te ontwikkelen. Laat staan om dat ook massaal te produceren. Wij zitten overigens beslist niet in de GGG-raad om de belangen van de industrie te behartigen. Wij willen zorgen dat in goede samenwerking ook het vervolgonderzoek naar het gebruik van geneesmiddelen – dus na toelating – gedaan wordt. Hoe pakt het gebruik uit in de praktijk? Wat leren real world data over effectiviteit en veiligheid wat niet is af te leiden uit de klinische trials van de fabrikant?’
Hoe kunnen de VIG en het GGG-programma elkaar versterken?
‘In dat vervolgonderzoek kan het ook een vraag zijn hoe we innovatieve geneesmiddelen nóg effectiever kunnen inzetten. Bij specifieke patiënten bijvoorbeeld mogelijk al eerder in de behandeling, wanneer dat bij hen beter blijkt uit te pakken. Juist met real world data kun je veel scherper voorspellen welk geneesmiddel wel en niet werkt bij welke patiënten. Dat brengt me meteen op wat ik zie als dé grote uitdaging voor geneesmiddelonderzoek: van de lappendeken aan dataverzamelingen en registers één mooi kleed maken, dat we als het ware over veel meer ziektebeelden kunnen leggen. Als we alle beschikbare data beter met elkaar koppelen – en ik zie daarvoor veel kansen met de inzet van AI – genereren we nieuwe kennis voor een gerichter, gepersonaliseerd gebruik van geneesmiddelen. Vanuit de VIG ben ik hierover ook steeds met onze leden in gesprek. Zij beschikken over enorme hoeveelheden data, die we wat mij betreft veel meer ter beschikking kunnen stellen aan onderzoekers. Dan creëren we samen cruciale real world evidence voor een beter gebruik van geneesmiddelen.’
Waar zie jij nog mooie uitdagingen voor GGG?
‘Ik denk dat we nog meer kunnen met AI. Heel interessant vind ik de ontwikkelingen rond de personal health train, een soort AI-treintje dat langs allerlei beschikbare data reist en de opgehaalde informatie vertaalt naar een persoonlijk advies. Dergelijke technologie is mogelijk goed bruikbaar voor het gericht inzetten van geneesmiddelen. Ook hier kunnen we met elkaar stappen zetten. Dus laten we blijven samenwerken, met respect voor ieders rol.’
Carla Vos is algemeen directeur bij de Vereniging Innovatieve Geneesmiddelen (VIG). Ze geeft leiding aan het VIG-bureau en onderhoudt relaties met externe stakeholders en leden. Daarnaast is Vos bestuurslid bij de Europese koepelorganisatie EFPIA. Samen met haar Deense collega-directeur vertegenwoordigt ze de zogenoemde G2-landen: landen met een middelgroot aandeel in de Europese geneesmiddelensector.