Achtergrond afbeelding Achtergrond afbeelding darkmode

‘Mentorgesprekken meest helpend volgens de meiden’

Sessie 5 - Behandelaanbod
Laatst aangepast:

‘Kies bewust en verklein het aanbod aan interventies’, zegt Stefanie Abrahamse, onderzoeker bij het Nederlands Jeugdinstituut (NJi). Het is één van de aanbevelingen uit het onderzoek naar het behandelaanbod en de behandeluitkomsten. Ruim 30 meisjes werden van het begin tot het eind van de behandeling gevolgd.

De zorgprogramma’s van zes instellingen, respectievelijk Fier, De Rading, Sterk Huis, Pluryn, Horizon en Levvel, zijn in de zogeheten N=1 deelstudie onderzocht. In totaal betrof het meiden bij 3 gesloten en 5 open groepen, verduidelijkt onderzoeker Abrahamse.

Het behandelaanbod bestaat grofweg uit dezelfde onderdelen: diagnostiek, gesprekken met de mentor en vervolgens divers aanbod van interventies met betrekking tot weerbaarheid, sociale-emotionele problematiek, traumabehandeling en de relaties met familie. Toekomstgerichte interventies kwamen de onderzoekers veel minder tegen. In de praktijk zijn er veel verschillen per meisje in welke specifieke interventies er zijn in gezet en ook in de frequentie en behandelduur.

Afbeelding
Groep professionals in gesprek
‘Er is inderdaad heel veel aanbod, een klein aantal werkt echt en is bewezen effectief. Ik vind het een goed punt om het aanbod te verkleinen.’

Aanbod

‘We zien vooral een groot aanbod op het gebied van psychosociale problematiek. Zowel in de handboeken als in behandelingen in de praktijkkomen we heel veel verschillende interventies tegen..’ Daarom is het volgens de onderzoekers nuttig om het aanbod - nog eens goed tegen het licht te houden, scherpe keuzes te maken en het aantal te beperken.

Verbetering

Wat betreft het succes van de behandeling - de 34 meiden en ook mentoren en ouders zijn hierover bevraagd - maken de onderzoekers onderscheid tussen 3 groepen. De groep waar verbetering zichtbaar is, een tweede groep die geen vooruitgang laat zien en een groep ‘waar geen helder beeld’ is. De uitkomsten zijn dus divers, net als het aanbod dat zij krijgen. Abrahamse: ‘Meiden op een gesloten groep vinden zelf niet altijd dat er sprake is van ‘problemen. Dat verschilt met meiden op de open groepen. Het feit dat ze zelf geen problematiek ervaren, maakt ook dat ze weinig verandering zien. Ouders en mentoren zien wel vaker problematiek en eerder verbetering.’

‘Geen nieuwe interventies meer, er zijn er genoeg. Laten we ons richten op wat we nu weten.’

Een andere aanbeveling van de onderzoekers is om vooral realistische doelen te stellen. ‘Deze meiden hebben vaak al zoveel meegemaakt, het stabiliseren en motiveren is vaak een eerste stap. Professionals en de meiden zijn dan nog niet met de uitkomsten bezig, of therapieën kunnen nog niet worden ingezet, maar er kunnen wel al kleine stapjes door de meiden worden gezet. Dat betekent overigens niet dat alle zorgen weg zijn.’ Wanneer de focus alleen ligt op te grote doelen, vervliegen de kleine succesjes, waarschuwt Abrahamse.

Mentorgesprekken

Een ander belangrijk inzicht is is dat door de meiden de mentorgesprekken ‘als meest helpend’ zijn ervaren. ‘Ook het positieve leefklimaat heeft veel invloed.’ De meiden gaven ook na afloop aan een vaste mentor te missen. ‘Soms hebben ze maanden na de behandeling nog contact met hun mentor, maar dat is heel persoonsafhankelijk.’

Volgens Abrahamse kunnen sommige ouders om uiteenlopende redenen niet altijd bij de hulp betrokken worden. ‘Sommige meiden hebben ook geen breed netwerk om uit te putten terwijl het in het traject ná de behandeling heel belangrijk is om iemand te hebben. Daar zou tijdens de behandeling meer aandacht voor moeten zijn. Misschien dat een ervaringsmaatje juist voor deze meiden een alternatief kan zijn.’

Colofon

Tekst: Jessica Maas
Fotografie: Frank Hoyinck (via Hogeschool Leiden)