Vaccinatieonderzoek onder hoge druk
Toen de eerste COVID-vaccins beschikbaar kwamen, was nog niet bekend hoe goed ze werkten bij mensen die extra kwetsbaar zijn.
Prof. dr. Willy Spaan en prof. dr. Christina Vandenbroucke, beiden emeritus-hoogleraar, waren op verschillende momenten voorzitter van het ZonMw-deelprogramma Vaccinatie. Hoe kijken zij hierop terug en wat zijn hun lessen voor een volgende pandemie?
Waarom was een apart deelprogramma over vaccinatie nodig?
Spaan: De eerste vaccinatiestudies van de farmaceutische industrie waren vooral gedaan bij gezonde volwassenen. Dat is logisch in zo’n eerste fase, maar daarmee weet je nog niet genoeg. Hoe zit het met kinderen, zwangeren of mensen met een aangeboren of verworven afweerstoornis? En wat betekent vaccinatie voor mensen die medicijnen gebruiken die het immuunsysteem onderdrukken?
Juist die groepen waren belangrijk. We wisten dat zij kwetsbaar konden zijn voor infecties, maar niet of zij ook goed genoeg zouden reageren op de beschikbare vaccins. De vraag was dus: werken die vaccins bij hen voldoende, en moet je het vaccinatieschema misschien aanpassen?
Wat wilden jullie met het programma bereiken?
Spaan: Het programma moest onderzoek mogelijk maken bij groepen die in de eerste vaccinatiestudies niet of nauwelijks aan bod kwamen. Denk aan mensen met een transplantatie, ernstige nierziekte, aangeboren afweerstoornissen of downsyndroom. Uiteindelijk is er een breed scala aan projecten gehonoreerd, elk gericht op een andere doelgroep.
Belangrijk was ook dat projecten niet allemaal hun eigen wiel zouden uitvinden. Je wilt dat ze vergelijkbare protocollen gebruiken, dezelfde soort eindpunten meten en hun resultaten met elkaar kunnen vergelijken. Daar is vanuit de subsidievoorwaarden sterk op gestuurd.
Vandenbroucke: Daarvoor was er ook een overkoepelende structuur, Harmony. Die moest helpen om afspraken te maken over definities, eindpunten en laboratoriummetingen. Dat ging soms heel gedetailleerd: welke afweercellen meet je, hoe noem je die, welke test gebruik je? Dat soort harmonisatie is belangrijk als je resultaten uit verschillende studies naast elkaar wilt leggen.
Als je kijkt naar de doelgroepen, dan denk ik dat het programma zijn doel ruimschoots heeft bereikt.
Heeft het programma gebracht wat ervan werd gehoopt?
Spaan: Als je kijkt naar de doelgroepen, dan denk ik dat het programma zijn doel ruimschoots heeft bereikt. De belangrijkste kwetsbare groepen zijn in beeld gebracht. Over de inhoud van elk afzonderlijk project kan ik niet oordelen, maar de juiste populaties zijn bereikt.
Vandenbroucke: Ik denk dat de gezamenlijke opbrengst vooral is dat we veel beter weten hoe verschillende risicogroepen reageren op vaccinatie. Soms bleek dat een extra vaccinatie nodig was of verstandig kon zijn. Soms bleek de respons juist geruststellender dan vooraf gevreesd. Met dat soort kennis kon het vaccinatiebeleid beter worden onderbouwd.
Hoe bijzonder was het dat dit zo snel van de grond kwam?
Vandenbroucke: ZonMw-procedures zijn normaal gesproken niet snel, maar tijdens de pandemie ging er veel in hoog tempo. Er werd hard gewerkt om subsidieaanvragen te beoordelen, tussentijdse resultaten te bespreken en snel te besluiten over extra middelen. Dat vroeg veel van ZonMw, maar ook van de onderzoekers. Die moesten soms onder grote tijdsdruk nieuwe plannen maken of hun lopende studie uitbreiden.
Spaan: Ik vind dat er ook een compliment mag zijn voor het ZonMw-bureau. Daar zit ongelooflijk veel kwaliteit. De betrokkenheid en inzet waren groot, en het bureau wist de juiste mensen te vinden. Ik heb veel commissies bij ZonMw meegemaakt, maar dit programma vond ik van uitzonderlijke kwaliteit.
Tegelijkertijd verliep niet alles soepel. Waar liepen onderzoekers vooral tegenaan?
Vandenbroucke: In Nederland is het vaak moeilijk om gegevens snel te koppelen, of tussen instellingen te delen. In landen als Denemarken kan dat bijvoorbeeld - onder voorwaarden - veel sneller. Daar is 1 instantie die beoordeelt wat je wilt doen en welke data je nodig hebt. In Nederland verschilt de interpretatie vaak per ziekenhuis of universiteit. Dan kan 1 instelling met bezwaren een hele multicenterstudie vertragen.
Spaan: We zijn soms roomser dan de paus. Natuurlijk moet je zorgvuldig omgaan met gegevens, maar er zijn oplossingen, bijvoorbeeld via een trusted third party. Binnen klinisch onderzoek zijn eerder ook oplossingen gevonden voor lokale procedures die multicenteronderzoek vertraagden. Iets vergelijkbaars zou je voor acuut onderzoek ook moeten kunnen regelen.
Wie zou dat moeten oppakken?
Spaan: ZonMw zou daarin sterker kunnen sturen. Je zou subsidievoorwaarden kunnen verbinden aan landelijke afspraken over datadeling en gegevenskoppeling. Dan weet een instelling vooraf: als we meedoen aan deze subsidie, doen we dat volgens deze voorwaarden. Daarmee voorkom je dat dezelfde discussie bij elk project opnieuw begint.
Vandenbroucke: Het belangrijkste is dat zo een afspraak daarna niet alsnog langs alle lokale juristen hoeft. Want dan ben je weer terug bij af. Juist bij acuut onderzoek kan 3 maanden vertraging betekenen dat de epidemie alweer voorbij is.
In een volgende crisis moet betrouwbare kennis niet alleen snel beschikbaar zijn, maar ook snel het publiek bereiken.
Wat kan er beter in het zichtbaar maken van de resultaten?
Spaan: Ik vind dat ZonMw actiever mag zijn in het naar buiten brengen van wat programma’s opleveren. Rond COVID is veel desinformatie verspreid. Dan is het extra belangrijk dat betrouwbare onderzoeksresultaten niet alleen ergens op een website staan, maar ook actief bij gebruikers van die kennis terechtkomen. ZonMw kan hier een grotere rol in spelen.
Vandenbroucke: Precies. In een volgende crisis moet betrouwbare kennis niet alleen snel beschikbaar zijn, maar ook snel het publiek bereiken. Het zou helpen als na afloop van een programma heel toegankelijk wordt samengevat: waarom is dit onderzoek gedaan, welke projecten zijn gehonoreerd en wat hebben we geleerd? Niet alleen voor onderzoekers, maar juist ook voor de buitenwereld. Soms kun je de kern in 3 zinnen vertellen.