Onderzoek naar bijwerkingen: essentieel voor veilige zorg
COVID-vaccins voorkwamen veel ernstige ziekte, maar signalen die wezen op mogelijke bijwerkingen vroegen om snel en zorgvuldig onderzoek.
Neuroloog prof. dr. Jonathan Coutinho (Amsterdam UMC) dook op een zeldzame vorm van trombose na vaccinatie. Prof. dr. Agnes Kant, directeur van Bijwerkingencentrum Lareb, onderzocht hoe elektronische patiëntendossiers kunnen helpen om signalen eerder op te pikken.
Jullie onderzochten allebei bijwerkingen, maar vanuit een andere hoek. Welke?
Kant: Lareb verzamelt en analyseert meldingen van vermoedens van bijwerkingen van patiënten en zorgverleners. Zulke meldingen zijn cruciaal om nieuwe signalen op te pikken, maar je bent afhankelijk van mensen die daadwerkelijk melden. Zeker tijdens een pandemie staat dat - begrijpelijkerwijs - niet altijd bovenaan het prioriteitenlijstje. Wij onderzochten daarom of extra casussen uit elektronische patiëntendossiers een aanvulling kunnen zijn.
Coutinho: Ik kwam erbij vanuit de kliniek. Ik ben neuroloog en gespecialiseerd in sinustrombose: een zeldzame vorm van beroerte. Toen er berichten kwamen over zeldzame tromboses na vaccinatie met AstraZeneca, hoorde ik van een Zwitserse collega dat het om sinustrombose ging. Opvallend was de combinatie met een heel laag aantal bloedplaatjes. Dat zien we eigenlijk nooit bij sinustrombose. Bovendien waren deze patiënten ernstig ziek. In het begin overleed zelfs ongeveer de helft.
Hoe komt zo’n zeldzame bijwerking aan het licht?
Coutinho: Vaak doordat artsen iets zien wat niet klopt. Collega’s uit Duitsland en Engeland herkenden dat het beeld leek op een bestaande aandoening waarbij mensen na behandeling met heparine én trombose én lage bloedplaatjes krijgen. Alleen was hier geen heparine in het spel. De gezamenlijke deler was vaccinatie met AstraZeneca of – in beperktere mate – Janssen. Later kreeg het ziektebeeld de naam VITT: trombose met lage bloedplaatjes door een afweerreactie na vaccinatie. We hebben toen ons internationale consortium geactiveerd en collega’s wereldwijd gevraagd zulke patiënten te melden. Ook keken we terug naar gegevens van patiënten met sinustrombose van vóór COVID. Kwam dit beeld misschien altijd al voor, maar hadden we het over het hoofd gezien? Dat bleek niet zo te zijn.
Hoe kun je zulke signalen sneller versterken?
Kant: Met tekstzoekmethoden kun je elektronische patiëntendossiers gericht doorzoeken. Wij onderzochten dat door te zoeken op vermelding van een COVID-vaccinatie in combinatie met bepaalde klachten die bij ons als mogelijke bijwerking gemeld waren. Daarna beoordeelden we of zo’n casus inderdaad een melding had moeten zijn. Uiteindelijk vonden we 41 extra casussen bij 6 mogelijke bijwerkingen. Bij 2 ernstige bijwerkingen zagen we dat deze 18 en 2 maanden eerder hadden kunnen worden opgepikt als deze methode al tijdens de pandemie beschikbaar was geweest.
Coutinho: Bij VITT verzamelden we in korte tijd gegevens uit verschillende landen en gebruikten ook Europese melddata om meer zicht te krijgen op het risico, het beloop en de vaccins waarbij dit vooral voorkwam.
Wat verandert er als je zo’n signaal eerder herkent?
Coutinho: Bij VITT had herkenning direct gevolgen voor de behandeling. Bij lage bloedplaatjes kun je als arts denken: dan moeten we bloedplaatjes geven. Maar bij VITT is dat juist niet verstandig. De behandeling verschoof naar onder meer immunoglobulinen, waarmee je het afweersysteem beïnvloedt. Naarmate artsen het ziektebeeld beter herkenden, leek de sterfte duidelijk te dalen. Snel kennis delen heeft waarschijnlijk levens gered.
Deze bijwerking was zeldzaam en niet te voorspellen uit de oorspronkelijke studies. Toch werd hij snel opgepikt.
Welke boodschap komt uit jullie onderzoek naar voren?
Coutinho: Voor mij is dit óók een geruststellend verhaal. Deze bijwerking was zeldzaam en niet te voorspellen uit de oorspronkelijke studies. Toch werd hij snel opgepikt doordat artsen, meldsystemen en onderzoekers elkaar vonden. Zoiets blijft dus niet zomaar onopgemerkt.
Kant: Maar het laat ook zien dat het beter kan. Spontane meldingen blijven nodig, want je hebt een eerste signaal nodig. Daarna kunnen elektronische patiëntendossiers helpen om sneller te zien of vergelijkbare gevallen voorkomen. We passen deze methode inmiddels ook op beperkte schaal toe bij andere geneesmiddelen.
Spontane meldingen blijven nodig, want je hebt een eerste signaal nodig. Daarna kunnen elektronische patiëntendossiers helpen om sneller te zien of vergelijkbare gevallen voorkomen.
Wat moet er bij een volgende pandemie anders?
Kant: Dit soort methoden moet klaarstaan vóórdat er een crisis is. Dan kun je bij nieuwe vaccins of geneesmiddelen sneller nieuwe bijwerkingen ontdekken. Daarom zijn we ook blij dat er nu met subsidie van ZonMw een implementatieproject loopt.
Coutinho: Ik hoop vooral dat onderzoekers bij een volgende pandemie minder vastlopen in bureaucratie. Tijdens COVID konden we snel internationaal samenwerken, omdat iedereen voelde: dit moet nú. Eerlijk gezegd hielp het ook dat sommige normale procedures tijdelijk naar de achtergrond verdwenen. In gewone tijden kunnen privacyregels, contracten en discussies over data zó verlammend werken dat urgent onderzoek veel te traag op gang komt. Bij een volgende crisis moet verantwoord datadelen vooraf beter geregeld zijn.