Positieve Gezondheid in beleid, onderzoek, onderwijs en praktijk
Nu de kijk op gezondheid fundamenteel verandert, heeft dat ook zijn weerslag op andere beleidsterreinen. Het concept Positieve Gezondheid biedt als het ware een kapstok om integraal te gaan werken. Dit geldt zowel voor de wereld van het beleid, onderzoek, onderwijs als de praktijk. Wat is het effect nu en wat moet er nog gebeuren? Wetenschappers, onderzoekers en experts gaan achtereenvolgens in vier verschillende panels in gesprek over deze vier onderwerpen.
Beleid: verankeren, verdiepen en verbreden
Mariëtte Hamer, voorzitter van de SER, sprak de aanwezigen toe via een videoboodschap. Daarin stelt ze dat het huidige zorgstelsel, met een hoge werkdruk, een hoog personeelsverloop en te verwachten verdubbeling van de zorguitgaven, niet meer voldoet. Er is een andere benadering van zorg en gezondheid nodig, die uitgaat van de sociale en fysieke context van mensen en ruimte geeft aan preventie. Positieve Gezondheid is die andere benadering, waarbij preventiebeleid een van de instrumenten is. Het is een brede beweging waarbinnen al veel initiatieven plaatsvinden. Dat sijpelt ook door in het beleid, bij zorgverzekeraars, gemeenten, bedrijven en bij politici.
De initiatiefgroep Preventieakkoord, die bestaat uit 25 maatschappelijke organisaties, heeft voor het volgende kabinet een advies uitgebracht met drie hoofdlijnen: 1. preventie verankeren in het beleid; 2. het preventiebeleid verdiepen en 3. het preventiebeleid verbreden. Dat houdt in dat alle ministeries gezondheid mee moeten nemen in hun beleid. Eén minister moet erop toezien dat ze dit ook daadwerkelijk doen. En op regionaal en lokaal niveau moeten er doelstellingen komen voor de gezondheid van inwoners ondersteund door een regionaal preventiefonds. Preventie moet overal in de omgeving van mensen komen, in de opvang, op school, bij de sportvereniging en op de werkvloer.
Bekijk het filmpje van Mariëtte Hamer tijdens de conferentie: bekijk hier het filmpje
Onderzoek: meer evidence nodig
ZonMw hanteert de brede benadering van gezondheid, zo steekt Véronique Timmerhuis, algemeen directeur van ZonMw, van wal. Ze illustreert dit met voorbeelden in de langdurende zorg en de palliatieve zorg. Wel stelt ze dat er meer onderzoek nodig is om Positieve Gezondheid beleidsmatig steviger te verankeren. Om ervoor te zorgen dat Positieve Gezondheid een plek krijgt in het verzekerde pakket, zijn harde bewijzen nodig. Daarvoor zijn nog belangrijke stappen te zetten. Dat doet ZonMw langs twee lijnen.
Twee lijnen
Er moet meer evidence worden gecreëerd in lopende onderzoeksprojecten, en de methodologie vraagt nader onderzoek. Dit wordt opgepakt binnen het Health Technology Assessment-programma. De focus op meer evidence sluit aan op de visie van Marianne Geleijnse, vicevoorzitter van de Gezondheidsraad. We zijn het stadium van ‘geloof’ voorbij. Er is behoefte aan onderbouwing en het kunnen aantonen dat een bredere kijk op gezondheid werkt. We zijn goed op weg, maar gezien de complexiteit zijn we er nog niet. De samenwerking met NWO biedt ook kansen volgens Anita Hardon, lid Raad van Bestuur van NWO, die vanuit de praktijk de methodologie wil doorontwikkelen. NWO heeft hierbij voor ogen om onderwerpen als een veerkrachtige samenleving, leefstijl, leefbare steden ook in andere programma’s integraal mee te nemen. Met co-creatie kom je tot andere uitkomstmaten.
Onderwijs: goed verweven in de curricula
Hoe zit dat in het onderwijs? John Dierx, lector Leven Lang in Beweging bij Avans Hogeschool, stelt dat Avans al doet wat Hardon aangeeft, namelijk Positieve Gezondheid verankeren in de curricula van onder meer Fysiotherapie en Verpleegkunde. Datzelfde horen we terug van Marjolein van de Pol, opleidingsdirecteur Geneeskunde aan de Radboudumc, die verzekert dat de arts van de toekomst gezondheid bevordert en beschermt. Waar in de vorige raamplannen nog lijstjes met ziektebeelden en symptomen waren opgenomen, staan in het laatste raamplan gezondheidsbevordering, preventie en welzijn centraal.
Ook Bas van den Brand, collegedirecteur ROC Midden Nederland, benadrukt dat vitaliteit, beweging en sport in alle opleidingen een plek heeft. Het ROC beschikt zelfs over een vitaliteitslab waarin professionals, studenten en bewoners kunnen ervaren hoe de aanpak van Positieve Gezondheid hun eigen leven en dat van de mensen om hen heen kan beïnvloeden. De rode draad van het panelgesprek is dat de gereedschapskist van Positieve Gezondheid blijkt te zorgen voor een gemeenschappelijke taal tussen het mbo, het hbo en de universiteiten. De uitdaging zit vooral in het toerusten van de praktijk zodat jonge artsen het geleerde niet meteen weer afleren.
Praktijk: ‘het andere gesprek’ is waardevol
In de praktijk gaat het om liefdevolle zorg en elkaar echt ontmoeten, aldus Bert van Rixtel, verpleegkundig specialist urologie/oncologie bij UMC Utrecht. In de gesprekken met zijn patiënten gebruikt hij het spinnenweb van Positieve Gezondheid met de dimensies: lichaamsfuncties, mentaal welbevinden, dagelijks functioneren, kwaliteit van leven, sociaal-maatschappelijk participeren en zingeving. Hans Peter Jung, huisarts en medeauteur van het handboek Positieve Gezondheid in de huisartspraktijk, is het roerend met Van Rixtel eens. Hij startte de pilot Meer tijd voor de patiënt en ontwikkelde een gesprekstechniek gericht op ‘Wat is belangrijk voor u en wat heeft u nodig?’ Deze methodiek leidt tot meer tevredenheid bij patiënten en meer voldoening bij huisartsen. En bovendien tot minder opnamen in ziekenhuizen en minder doorverwijzingen naar de ggz.
Ook Peter de Visser, algemeen directeur Incluzio, ziet de waarde van het voeren van ‘het andere gesprek’ zodat de vraag achter de vraag kan worden achterhaald. Noodzaak, want bij 75 procent van de klachten wordt geen medische oorzaak gevonden. Zo stimuleert de gespreksmethodiek dat de samenwerking wordt gezocht met professionals in het sociale domein. Echter, zo plaatst Jung als kanttekening, dat andere gesprek kan alleen gevoerd worden als de huisartsenzorg op een andere manier gefinancierd wordt. Geen vergoeding per verrichting maar een vast bedrag per patiënt per jaar.