MANTRA en BENIGN samen aan de slag

Terugblik startbijeenkomst NWA-programma Klimaatadaptatie en gezondheid
Enthousiasme, levendigheid en gesprekken op hoog niveau. Dat waren de kenmerken van de startbijeenkomst van het programma Klimaatadaptatie en gezondheid van de Nationale Wetenschapsagenda (NWA).

Op donderdag 10 november ontmoetten vertegenwoordigers van de consortia in het programma en diverse stakeholders elkaar in Utrecht. De keynote lezing over de Nationale Adaptatie Strategie (NAS) werd verzorgd door NAS-coördinator Chantal Oudkerk Pool van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Vervolgens kwamen de 2 consortia van  het NWA-programma aan het woord. MANTRA richt zich op enkele landelijke gebieden, terwijl in BENIGN de nadruk ligt op steden. In 2 workshoprondes konden de deelnemers zich verdiepen in citizen science, in de mogelijke interventies bij klimaatadaptatie of in de uitdagingen bij transdisciplinaire samenwerking.

Na een lunch met de promovendi en postdocs, begon de bijeenkomst met een welkom door Yara ten Pas (ZonMw), coördinator van het NWA-programma Klimaatadaptatie en gezondheid. Het programma is erop gericht negatieve impact van klimaatverandering op de gezondheid te voorkomen. Dit gebeurt door op het snijvlak van drie domeinen (fysiek, sociaal en zorg) concrete handelingsopties te ontwikkelen. De integrale aanpak moet de samenhang met de grote transitieopgaven in de samenleving waarborgen.

Na de presentatie werd de begeleidingscommissie voorgesteld, bestaande uit onderzoekers en vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties en overheden.  Zij zullen de projecten tijdens de looptijd van advies voorzien.

Nationale adaptatiestrategie

Keynote speaker Chantal Oudkerk Pool schetste de ruimere context door in te gaan op de nationale adaptatiestrategie (NAS) die gecoördineerd wordt door het ministerie van IenW. De NAS, die in 2016 geformuleerd werd, is erop gericht om de negatieve effecten van klimaatverandering voor Nederland te verkleinen en beheersbaar te houden.

Uit de huidige evaluatie van de NAS blijkt dat er al veel in gang is gezet, maar dat er wel behoefte is aan meer concrete doelen, meer zicht op voortgang en effectiviteit, meer sturing en coördinatie en meer aandacht voor niet-economische gevolgen (mens, natuur en cultuur).

Oudkerk Pool maakte duidelijk hoe MANTRA en BENIGN kunnen bijdragen aan de gewenste verbeteringen van de NAS, onder meer door in living labs de onderlinge afstemming en het effect van maatregelen te monitoren, door sturingsarrangementen te organiseren en te evalueren en door onderzoek te verrichten op het grensvlak van mens en natuur. Zij sprak de hoop uit dat in 2025, als de NAS opnieuw herzien wordt en een aantal belangrijke nota's verschijnt, de eerste resultaten van MANTRA en BENIGN ook al meegenomen kunnen worden.

Prof. Pim Martens (Universiteit van Maastricht) besprak de plannen van het MANTRA-consortium op het gebied van klimaatadaptatie en gezondheid in landelijke (rurale) gebieden. MANTRA (CliMate AdaptatioN for HealThy Rural Areas) gaat in drie landelijke regio's transdisciplinaire living labs opzetten waarin lokaal maatwerk vorm kan krijgen en geëvalueerd zal worden. De regio's verschillen in de onderliggende problematiek. Zo spelen in Groningen bijvoorbeeld vergrijzing en de problemen door aardgaswinning een belangrijke rol, terwijl in Brabant als gevolg van de intensieve veehouderij de fijnstof- en stikstofproblematiek aandacht verdienen.

De presentatie over het BENIGN-consortium, gericht op klimaatadaptatie en gezondheid in steden, werd verzorgd door de Nijmeegse universitair docent Kevin Raaphorst. In BENIGN (BluE and greeN Infrastructure desiGned to beat the urbaN heat) ligt het accent op het aanpakken van hitte in de stad door een optimaal ontwerp van water en groen. Het uiteindelijke doel is een robuust netwerk van groen en water dat bijdraagt aan de gezondheid. Ook BENIGN gaat in drie living labs aan de slag en betrekt daarbij verschillende disciplines en ook burgers. Het onderzoek in de living labs moet bijdragen aan een analyse van de kwetsbaarheden en aan het monitoren van hittestress, waterkwaliteit en pollenproblematiek. Het eindresultaat waar de onderzoekers naar streven, is een instrument waarmee gemeenten kunnen werken aan een optimale blauw-groene infrastructuur.

Zowel Martens als Raaphorst benadrukten dat BENIGN en MANTRA nauw contact zullen houden. Ondanks de verschillen tussen platteland en stad zijn er immers ook altijd raakvlakken. De gezamenlijke begeleidingscommissie zal ook bijdragen aan de synergie tussen de beide consortia.

Deelnemers konden zich tijdens 3 workshops verdiepen in de volgende onderwerpen:

Onder de inspirerende titel 'er is nog een wereld te winnen' verzorgde Movisie een levendige workshop over citizen science. Zij legden daarbij de nadruk op participatief onderzoek, waarbij burgers (ook) een sterke inbreng hebben in besluitvormingsprocessen. Aan de hand van de participatieladder en enkele aansprekende voorbeelden van projecten toonden zij de meerwaarde van burgerparticipatie in projecten die te maken hadden met gewenste verandering (dorpsspiegels om zicht te krijgen op de problematiek in een gemeenschap, een toolkit bewonersparticipatie voor het platteland, armoedebeleid, ruimtelijke ordening). Ook de problemen en valkuilen kwamen aan de orde, met name de uitdagingen bij het bereiken en betrekken van de meest kwetsbare groepen.

Tijdens de discussie in de workshop kwam naar voren dat het begrip citizen science verschillende betekenissen kent. Naast het participatieve onderzoek kan bijvoorbeeld ook gedacht worden aan het inzetten van burgers bij het verzamelen van (temperatuur)data of (water)monsters. Eigenlijk overal waar burgers betrokken zijn bij het proces van onderzoek, van agendabepaling en vraagstelling tot opzet, uitvoering en evaluatie, kan gesproken worden van citizen science. De deelnemers wisselden ook tips uit over het creëren van een dialoog met betrokken burgers. Rekening houden met verschillen, duidelijk maken wat er met de uitkomsten gebeurt, een open houding en een veilige omgeving waarin iedereen kan meepraten zijn van belang om zo laagdrempelig mogelijk burgers te betrekken. Dan nog blijft er sprake van een zekere selectiebias - juist de meest kwetsbare individuen hebben vaak niet de ruimte en de bereidheid om mee te doen met onderzoek.

In de workshop interventies bracht bureau UUM (Unlimited Urban Management) de deelnemers letterlijk in beweging: zij gingen naar buiten in 2 groepen en maakten aan de hand van een vragenlijst een inventarisatie van de buitenomgeving. De ene route had wel heel wat groen, maar nauwelijks beschutting, de andere route bood wel wat schaduw maar was vooral bebouwd en bestraat. Bij het nadenken over mogelijke interventies (bomen planten, asfalt verwijderen, bankjes plaatsen, verfraaien) werd duidelijk wat de voor- en nadelen zouden zijn. Ook werd aandacht besteed aan het sociale aspect, door de optie van een gezamenlijke buurtmoestuin te bespreken. Doordat deze workshop heel praktisch was ingericht, kreeg het aspect van bewonersparticipatie een heel concrete dimensie.

De workshop over samenwerking werd geleid door onderzoekers Kevin Raaphorst en Dore Engbersen. Zij benoemden dat bij transdisciplinaire samenwerking de onderlinge dialoog tussen onderzoekers van verschillende disciplines en ervaringsdeskundigen/burgers voor uitdagingen kan zorgen. De verschillende deelnemers hebben immers een verschillend kennisniveau over de relevante onderwerpen en verschillen ook in afstand tot de praktijk. Dat komt onder meer tot uiting in de betekenis die zij aan woorden geven.

Met behulp van de digitale tool Mentimeter konden de deelnemers associaties geven bij sleutelbegrippen zoals 'Fysieke ruimte', 'Interventie', 'Inclusiviteit' en 'Model'. Daaruit werd al snel duidelijk dat al deze begrippen tot spraakverwarring kunnen leiden. Het ontwikkelen van een gemeenschappelijke taal is dus een belangrijke voorwaarde voor transdisciplinaire samenwerking. Minstens even belangrijk is een alertheid of iedereen dezelfde betekenis geeft aan woorden en begrippen. Anders bestaat het risico dat men denkt consensus te bereiken, terwijl men in werkelijkheid langs elkaar heen praat. Een ander risico dat benoemd werd, is dat een gemeenschappelijke taal een barrière kan betekenen voor het includeren van nieuwe partijen in een samenwerking.

Conclusie: het belang van communicatie

De afronding van deze levendige dag stond in het teken van optimisme. De beide consortia staan te popelen om aan de slag te gaan in de praktijk en hopen al snel met eerste concrete resultaten bij te dragen aan het beleid op het gebied van klimaatadaptatie en gezondheid. Een rode draad door alle workshops en discussies is het belang van open communicatie, met aandacht voor individuele verschillen en uiteenlopende belangen. Het betrekken van onderzoekers uit verschillende werelden, beleidsmakers en burgers gaat niet vanzelf, maar het enthousiasme van deze startbijeenkomst is in elk geval een belangrijke voorwaarde voor succes.

Met dank aan

Chantal Oudkerk Pool (ministerie van IenW), Pim Martens (Universiteit Maastricht), Kevin Raaphorst (Radboud Universiteit), Sonja Döpp (NWO), Lisa de Kok (NWO), Pieter van Megchelen (wetenschapsjournalist), Frank Pierik (ZonMw-programmateam), Yara ten Pas (ZonMw-programmateam), Marije van der Kamp (ZonMw-programmateam), Joyce Andringa (ZonMw-communicatie), Wanda Vandrovska (ZonMw-communicatie) en alle deelnemers.