Heeft chemotherapie zin bij niet-uitgezaaide MSI-maagkanker?
De standaardbehandeling voor verwijderbare maagkanker bestaat uit een operatie en perioperatieve chemotherapie. Uit onderzoek met kleine aantallen kwamen signalen dat patiënten met een zogeheten MSI-tumor juist eerder overlijden na deze chemotherapie. Met tumorweefsel en data van een grote groep patiënten onderzocht Amsterdam UMC of dat klopt. Het onderzoek leverde interessante bijvangsten op, vertelt projectleider Nicole van Grieken.
Wat was de aanleiding voor de studie?
‘Een Britse studie was met een opmerkelijk resultaat gekomen. Patiënten bij wie de maagtumor een specifiek genetisch kenmerk heeft – microsatelliet instabiliteit (MSI) – leken na perioperatieve chemotherapie eerder te overlijden dan mensen die alleen een operatie ondergingen. De vraag of standaard chemotherapie wel geschikt is voor deze specifieke groep leidde tot veel debat in de maagkankerwereld. De Britse patiëntengroep was klein, toch stopten sommige grote centra in de VS er al mee. Wij wilden met tumorweefsel en data van een veel grotere groep kijken of MSI-patiënten inderdaad die geringere overlevingskans hebben. We hebben een grote serie maagkankerweefsels uit eerdere trials (zie onderaan, red.) onderzocht op MSI. Het materiaal stamde soms nog uit de jaren ’90. Toen kregen deze patiënten nog geen perioperatieve chemotherapie, dus hun gegevens vormden mooi vergelijkingsmateriaal.’
Hoe zijn jullie aan de benodigde data gekomen?
’MSI komt tegenwoordig nog maar in ruim 5% van de maagkankergevallen voor. We moesten dus veel tumoren analyseren voor een duidelijk antwoord. Uit eerdere trials was het tumorweefsel soms deels al vernietigd, maar met enige moeite hebben we toch materiaal van een paar honderd patiënten kunnen verzamelen. Voor sommige pathologielaboratoria heeft zo’n studie niet de hoogste prioriteit; de directe patiëntenzorg gaat natuurlijk voor. Het hielp dat we een duidelijke onderzoeksvraag hadden, die relevant was voor een betere behandeling.’
Wat hebben jullie ontdekt?
‘Over de hele groep bleken MSI-patiënten na de chemotherapie niet eerder te overlijden. Maar net als in de Britse studie zagen we nauwelijks effect op de tumor in het operatiepreparaat. De vraag of chemotherapie een positief effect heeft op overleving, blijft zo nog onbeantwoord. Opvallend was bovendien dat bij mensen met een slijmvormende tumor – ‘mucineus’ in medisch jargon – de chemotherapie juist een heel sterk effect had. Slijmvorming is dus mogelijk een relevante biomarker voor gepersonaliseerde behandeling van maagkanker. En we ontdekten nog wat opmerkelijks. Uit een nadere analyse – samen met onderzoekers uit Keulen – bleek dat de in het algemeen gunstigere overleving van MSI-patiënten niet opging voor mannen, maar alleen voor vrouwen. Dat gold zowel voor de mannen met als zonder chemotherapie. De vrouwen bleken de groep als geheel als het ware omhoog te trekken. Hoe dit biologisch precies te verklaren is, vergt vervolgonderzoek.’
Er is inderdaad belangrijk vervolgonderzoek nodig. Komen die man-vrouwverschillen bijvoorbeeld door een anders werkend immuunsysteem? Heeft het met genetische mutaties te maken? En hoe zit het met andere tumortypes dan maagcarcinoom?
Nog veel nadere onderzoeksvragen dus?
‘Er is inderdaad belangrijk vervolgonderzoek nodig. Komen die man-vrouwverschillen bijvoorbeeld door een anders werkend immuunsysteem? Heeft het met genetische mutaties te maken? En hoe zit het met andere tumortypes dan maagcarcinoom? We doen inmiddels al vervolgonderzoek naar die mucineuze tumoren. De eerste resultaten laten zien dat chemotherapie gunstig uitpakt bij zowel MSI-tumoren als bij stabiele MSS-varianten met een mucineus fenotype. We hebben weer grote aantallen nodig, want ook mucineuze tumoren zijn relatief zeldzaam. Om aan die aantallen te komen, koppelen we data van de Nederlandse Kankerregistratie (NKR) en het Pathologisch Anatomisch Landelijk Geautomatiseerd Archief (PALGA) aan elkaar.’
Wat is er nodig voor de implementatie?
‘We hebben met onze retrospectieve studie laten zien dat MSI-patiënten door chemotherapie niet eerder overlijden. Maar daarmee is nog niet aangetoond of ze er ook baat bij hebben. De klinische praktijk verandert dus niet. Je zou daarvoor prospectief onderzoek moeten doen. Maar met een groep die maar 5% van de maagkankerpatiënten omvat, is dat niet haalbaar. Daarbij komt dat de ontwikkelingen rond immuuntherapie intussen razendsnel gaan. Bij operabele darmkanker reageren patiënten die daarmee zijn voorbehandeld bijvoorbeeld extreem goed. Er lopen inmiddels ook studies voor maagkanker. Voor gepersonaliseerde zorg met immuuntherapie, zou het bijvoorbeeld een relevante onderzoeksvraag kunnen zijn of ook hier sprake is van man-vrouwverschillen.’
Nog tips voor collega’s?
‘Het gaat door de introductie van de FAIR-principes al veel beter dan vroeger, maar het goed registreren van data – en deze ook delen – blijft cruciaal voor studies als die van ons. Juist ook ouder materiaal is goud waard, zoals wij hebben ondervonden. Een goede biobank kost ruimte en geld. Maar voor biologisch onderzoek naar specifieke effecten van alle revolutionaire nieuwe kankerbehandelingen is het echt zonde om waardevolle weefsels weg te gooien.’
Prof. dr. Nicole van Grieken is klinisch patholoog aan het Cancer Center Amsterdam, onderdeel van Amsterdam UMC.
Het patiëntmateriaal voor de studie was afkomstig van de D1D2-trial en de CRITICS-trial. Zie ook deze artikel in Gastric Cancer en het European Journal of Cancer
Tekst: Marc van Bijsterveldt (januari 2023)