Informatiebijeenkomst gerichte rondes kaderprogramma Passende Zorg
Welke kennis is nodig om betere keuzes te kunnen maken over passende zorg? En hoe vertaal je knelpunten in de praktijk naar onderzoekbare kennisvragen voor toekomstige gerichte subsidierondes? Om organisaties hierbij te ondersteunen, organiseerde ZonMw een interactieve informatiebijeenkomst.
Tijdens de informatiebijeenkomst van ZonMw op 5 oktober 2026 in Utrecht stonden de gerichte subsidierondes van het kaderprogramma Passende Zorg centraal. Beroeps- en koepelorganisaties, onderzoekers, zorgprofessionals en patiëntvertegenwoordigers waren uitgenodigd om met elkaar en met ZonMw in gesprek te gaan over welke kennis nodig is om passende zorg mogelijk te maken. Deze kennisvragen vormen het vertrekpunt voor de gerichte subsidierondes. De bijeenkomst richtte zich op de fase voorafgaand aan het onderzoek: het herkennen, agenderen en aanscherpen van kennisvragen die kunnen bijdragen aan betere keuzes in de zorg.
‘Er is geen gebrek aan ideeën over hoe het anders kan in de zorg’, stelden programmamanagers Max Poppelaars en Sanne Willems van ZonMw bij de opening van de bijeenkomst. ‘Maar over 1 ding zijn we het eens: passende zorg is nodig. En die beweging begint met betere vragen.’ De bijeenkomst moest deelnemers daarom niet alleen inspireren om relevante kennisvragen op te stellen, maar ook laten zien hoe zij die vragen verder kunnen brengen.
Welke vragen moeten we nú stellen om straks betere keuzes te maken?
Niet 1 soort kennisvraag
Mirte Brom-Pop, clusterhoofd Doelmatigheidsonderzoek bij ZonMw, ging eerst in op het begrip passende zorg. ‘Passende zorg is waardegedreven, komt tot stand in overleg met de patiënt, richt zich op gezondheid in plaats van ziekte en wordt waar mogelijk dicht bij de patiënt georganiseerd. Binnen het kaderprogramma Passende Zorg ligt een belangrijke nadruk op waardegedreven zorg. De andere principes kunnen nadrukkelijk onderdeel zijn van het onderzoek, in samenhang met de waarde van zorg.’ ZonMw richt zich daarbij op zorg die onder de Zorgverzekeringswet (Zvw) valt. Preventie en samenwerking met het sociaal domein zijn ook belangrijk, maar vallen grotendeels buiten de reikwijdte van het programma.
Brom: ‘Als we zorg volgens deze 4 principes van passende zorg willen organiseren, ontstaat er ook een bredere kennisvraag. Alleen wéten dat een behandeling effectief is, is dan niet voldoende. De oplossing kan daarom niet simpelweg zijn om steeds méér zorg te organiseren. We moeten bewuster kijken naar wélke zorg daadwerkelijk waarde toevoegt en hoe we die zorg zo goed mogelijk kunnen organiseren. Dat is waar de beweging naar passende zorg om draait: van méér zorg naar méér waarde. En daarmee komen we bij een belangrijke vraag: welke kennis hebben we nodig om passende zorg daadwerkelijk mogelijk te maken? Welke vragen moeten we nú stellen om straks betere keuzes te kunnen maken?’
Het kaderprogramma nodigt beroeps- en koepelorganisaties uit om de meest relevante kennisvragen zelf aan te dragen, stipte Brom aan. ‘Het kan bijvoorbeeld gaan om de vraag óf bepaalde zorg werkt, voor wie die werkt, waar deze het beste kan worden verleend, of hoe de zorg moet worden georganiseerd. Uiteindelijk moet de opgedane kennis bruikbaar zijn in richtlijnen, kwaliteitsstandaarden, pakketbeheer, contractering, beleid en praktijk.’
Geselecteerd voor uitwerking
Hoe zo’n kennisvraag ontstaat, liet Roel Mocking zien. Mocking is psychiater, universitair hoofddocent bij Amsterdam UMC en voorzitter van de Commissie Wetenschappelijke Activiteiten van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP). Als voorbeeld vertelde hij over onderzoek naar Chronokickstart: de vroege toepassing van chronotherapie bij depressie, waarbij patiënten onder meer 3 begeleide nachten wakker blijven, lichttherapie krijgen en een vast slaap-waakritme opbouwen.
‘Onze vraag is of de belasting daarvan opweegt tegen een mogelijk snellere verbetering van depressieve klachten’, aldus Mocking. ‘Aan die onderzoeksvraag ging een lang proces vooraf. Chronotherapie kwam terecht in de top 10 van de kennisvragen in de kennisagenda van de NVvP, die we samen met patiënten en naasten opstelden. De vraag werd geselecteerd door ZonMw en daarna samen met verschillende partijen in een co-creatiesessie bij ZonMw uitgewerkt. Dat leidde tot een onderzoeksvraag, die de basis werd voor een subsidieoproep.’ ZonMw organiseerde vervolgens een bijeenkomst voor alle partijen die interesse hadden in het indienen van een aanvraag. Tijdens deze bijeenkomst is een breed gedragen projectgroep gevormd die samen een aanvraag hebben ingediend.’
De samenwerking met onderzoekers in het veld en met patiëntenorganisaties bleek waardevol bij het verder brengen van de kennisvraag.
Samenwerking is cruciaal
Volgens Mocking is samenwerking cruciaal bij het opstellen en uitwerken van een kennisvraag. ‘We hebben samenwerking met onderzoekers in het veld gezocht. Ook patiëntenorganisaties waren vanaf het begin betrokken. Het contact met hen bleek waardevol bij het verder brengen van de kennisvraag.’
Voor kleinere beroepsorganisaties kan zo’n traject een flinke opgave zijn, bleek uit een reactie in de zaal. Van hen wordt verwacht dat zij als initiator en regievoerder optreden bij het opstellen van een kennisvraag, terwijl tijd en capaciteit beperkt kunnen zijn. Samenwerking met onderzoekers, andere beroepsgroepen en patiëntenorganisaties kan helpen om die rol toch te vervullen.
Zorg uit de Zorgverzekeringswet
‘Een groot deel van de verzekerde zorg is toegankelijk via een open systeem’, vertelde Jacqueline Zwaap, beleidsadviseur bij Zorginstituut Nederland. ‘Of zorg daadwerkelijk in het verzekerde pakket behoort, hangt onder andere af van de vraag of voldoende is aangetoond dat deze effectief is, en of patiënten er redelijkerwijs op zijn aangewezen. In het open systeem dragen zorgverleners, zorgaanbieders en zorgverzekeraars gezamenlijk de verantwoordelijkheid om dit te bepalen. Het Zorginstituut kan hierin zo nodig adviseren of een standpunt innemen.’
Een klinisch relevante vraag is niet automatisch ook maatschappelijk of beleidsmatig relevant.
Maatschappelijk agenderingskader
Maar wanneer is een kennisvraag maatschappelijk relevant? Bij passende zorg wordt breder gekeken dan alleen naar effectiviteit. ‘Zorginstituut Nederland heeft samen met de partijen van het Integraal Zorgakkoord (IZA) een maatschappelijk agenderingskader ontwikkeld om te bepalen welke onderwerpen het belangrijkst zijn voor pakketbeheer en passende zorg’, aldus Zwaap. ‘Daarin worden 7 criteria meegewogen: maatschappelijke ziektelast, arbeidsinzet, financiële impact, gezondheidswinst of -verlies, ongewenste praktijkvariatie, klimaat- en milieu-impact en domeinoverstijgende onderwerpen. Daarmee biedt het kader een breed perspectief. Want een klinisch relevante vraag is niet automatisch ook maatschappelijk of beleidsmatig relevant.’ Verdere uitwerking met (sectorspecifieke) normen is nodig om het kader goed te kunnen toepassen in de praktijk.
Betrek patiëntvertegenwoordigers vanaf het eerste moment. Zij kunnen helpen bepalen wat voor patiënten werkelijk relevant is en welke uitkomsten ertoe doen.
Patiënt vanaf het begin aan tafel
Wat verder essentieel is, al vanaf het opstellen van een kennisvraag, is het patiëntperspectief. Maya Gnoth, beleidsadviseur bij Patiëntenfederatie Nederland, benadrukte dat een goede kennisvraag ontstaat uit 3 bronnen: wetenschappelijke kennis, expertise van zorgverleners én ervaringsdeskundigheid.
‘Betrek patiëntvertegenwoordigers vanaf het eerste moment, als de kennisvraag nog vorm moet krijgen. Zij kunnen helpen bepalen wat voor patiënten werkelijk relevant is en welke uitkomsten ertoe doen. Ook bij de onderzoeksopzet kunnen patiëntenorganisaties meedenken, bijvoorbeeld over uitkomstmaten, de communicatie, en de vraag welke patiëntengroepen betrokken moeten worden. De Patiëntenfederatie kan beroepsorganisaties helpen om passende patiëntenorganisaties te vinden bij een kennisvraag en te bepalen welke vorm van participatie bij een onderzoek past. Neem vooral contact met ons op, dan denken we mee.’
Pas als duidelijk is welke keuze in de praktijk voorligt en welke kennis daarvoor ontbreekt, kun je bepalen welke onderzoeksopzet nodig is.
Eerst de vraag, dan het onderzoek
Een belangrijke stap is vervolgens het scherp formuleren van de kennisvraag. Kevin Jenniskens, universitair hoofddocent bij UMC Utrecht, lichtte daarvoor het PICO-model toe. PICO staat voor Population, Intervention, Comparison en Outcome: over welke groep gaat het, welke interventie wordt onderzocht, waarmee wordt die vergeleken, en welke uitkomst is relevant? En bij de laatste voeg je ook Timing, het moment waarop de uitkomsten worden gemeten, en Setting, in welke context je de populatie ziet, toe.
Jenniskens’ belangrijkste advies was om niet te snel in onderzoekstermen te denken. ‘Blijf even weg van het uitdenken van de onderzoeksopzet in dit stadium. Vraag je eerst af: wat is de interventie die we overwegen en wat is het alternatief? Pas als duidelijk is welke keuze in de praktijk voorligt en welke kennis daarvoor ontbreekt, kun je bepalen welke onderzoeksopzet nodig is.’
Omdat het formuleren van een goede kennisvraag veel van organisaties vraagt, is er voor de komende ronde een beperkte startsubsidie beschikbaar voor het uitwerken van een kennisvraag.
Startsubsidie beschikbaar
Karen van Liere-Visser, programmamanager van ZonMw, sloot de bijeenkomst af met praktische informatie. ‘Alleen beroeps- en koepelorganisaties kunnen kennisvragen indienen bij de gerichte ronde van het kaderprogramma. Verder moet de vraag betrekking hebben op zorg vanuit de Zvw, een concreet beslispunt adresseren – bijvoorbeeld voor een richtlijn, het basispakket of contractering – en worden ondersteund door een patiëntenorganisatie. Ook moeten zowel de relevantie van de kennisvraag als het kennishiaat worden onderbouwd.’
Na selectie door een commissie vertaalt ZonMw de kennisvragen naar subsidieoproepen. Vervolgens worden geïnteresseerde onderzoekers en andere partijen bij elkaar gebracht om een projectgroep te vormen. ‘Omdat het formuleren van een goede kennisvraag veel van organisaties vraagt, is er voor de komende ronde een beperkte startsubsidie beschikbaar voor het uitwerken van een kennisvraag’, aldus Van Liere-Visser. ‘Die kan bijvoorbeeld worden gebruikt voor coördinatie, literatuuronderzoek of het zoeken van samenwerkingspartners.’
Gezamenlijk prioriteren
De rode draad van de bijeenkomst was daarmee helder: de beweging naar passende zorg begint niet bij het onderzoek, maar bij de vraag die daaraan voorafgaat. Welke onzekerheid belemmert nu een goede keuze in de praktijk? Welke kennis kan daadwerkelijk iets veranderen? Niet iedere kennisvraag kan worden onderzocht; daarvoor zijn de onderzoekscapaciteit en het budget te beperkt. Daarom is gezamenlijk prioriteren noodzakelijk. De uitdaging is om de vragen te vinden die er het meest toe doen, voor zorgvragers en professionals, en voor de toekomstbestendigheid van de zorg.
Met het kaderprogramma Passende Zorg stimuleert ZonMw beroeps- en koepelorganisaties om kennisvragen gericht te agenderen en zo bij te dragen aan de beweging naar passende zorg. Meer informatie over de gerichte rondes en aankomende indienmomenten voor kennisvragen vindt u op de pagina met uitnodigingen voor het agenderen van kennisvragen.