Achtergrond afbeelding Achtergrond afbeelding darkmode

ZonMw kent Klinische Fellowships toe aan 17 medisch specialisten

Laatst aangepast:

Klinische Fellowship uitgereikt aan 17 medisch specialisten die een brug gaan vormen tussen de Klinische praktijk en de wetenschap.

Met deze persoonsgebonden subsidies wordt gedurende een periode van 2 tot 5 jaar weteschappelijk onderzoek uitgevoerd gebaseerd op vragen vanuit de kliniek. 

Waar is de Klinische Fellows subsidie voor bedoeld?

De maximale ZonMw bijdrage per aanvraag is € 200.000 voor een looptijd van minimaal 36 maanden en maximaal 60 maanden. Het bedrag is voornamelijk bedoeld voor het salaris van de projectleider om op deze manier tijd vrij te maken van klinische taken. Daarnaast kan financiering aangevraagd worden voor niet-wetenschappelijke personele ondersteuning, de benchfee, materiële kosten maar ook implementatiekosten vallen binnen het budget.  

17 ZonMw Klinische Fellows projecten gehonoreerd

  • MRI-gestuurde adaptieve stereotactische radiotherapie voor baarmoederkanker (MASTEC)
    Dr. C.R. Reijnen, Radboudumc    
    Bestraling is een belangrijk onderdeel van de behandeling van baarmoederkanker. Het is belastend vanwege de blaas/darm bijwerkingen lange duur (25-30 bestralingen). Door gebruik van een nieuwe bestralingstechniek, MRI-gestuurde radiotherapie, kan het bestralingsplan voor iedere bestraling worden aangepast op de anatomie van die dag (adaptatie), rekening houdend met bijv. blaas- en darmvulling. Hierdoor kunnen de bestralingen preciezer (stereotactisch) en in een compacter schema gegeven worden met een hogere dosis per keer (hypofractionering). Deze onderzoekslijn  onderzoekt de veiligheid van gehypofractioneerde MRI-gestuurde adaptieve radiotherapie bij baarmoederkanker. Deel 1 bestaat uit voorbereiden van de bestralingstechniek (planningsstudies). Deel 2 bestaat uit een prospectieve fase 2 studie, waarbij 70 patiënten behandeld worden in slechts 5 bestralingen. Het vormt de basis voor een groot onderzoek naar MRI-gestuurde adaptieve radiotherapie voor vrouwen met baarmoederkanker.

    Naar betere therapie voor irresectabel st. III NSCLC via immuun- en medicijnprofilering – PulmoPrint
    Dr. F. Bensch, UMCG
    Patiënten met stadium III niet-kleincellige longkanker, die niet geopereerd kunnen worden, worden behandeld met chemoradiotherapie (CRT), gevolgd door immuuntherapie (durvalumab). Ondanks de toevoeging van immunotherapie, keert bij tweederde van de patiënten de ziekte binnen 5 jaar terug. Met PulmoPrint wil ik onderzoeken waarom deze behandeling vaak beperkt werkt. Ik wil beter begrijpen hoe CRT de tumoromgeving en de werking van immunotherapie beïnvloedt. In PulmoPrint kijk ik met een innovatieve bronchoscopie of en waar durvalumab zich in de tumor ophoopt. Tegelijk verzamel ik onder andere bloed- en weefselmonsters om de patiënt en de kanker gedetailleerd in kaart te kunnen brengen. Deze uitgebreide analyses helpen om de behandeleffecten beter te begrijpen en nieuwe meer gepersonaliseerde strategieën te ontwikkelen, zoals lokale toediening van medicijnen via de bronchoscoop, waarmee de werking van immuuntherapie mogelijk kan worden vergroot.

    Het delen van contextinformatie tussen eerste en tweede lijn in de oncologie 
    Dr. M.E. Stegmann, UMCG
    Veel oudere patiënten met kanker staan voor lastige behandelkeuzes. Voor een passend behandelplan is het belangrijk om kennis over de context van een patiënt en diens voorkeuren mee te nemen. De huisarts kan hier een waardevolle rol in spelen: die kent de patiënt vaak jarenlang en weet wat belangrijk voor hem of haar is. Toch wordt die kennis te weinig gebruikt in besluitvorming bij kanker, mede doordat communicatie tussen huisartsen en specialisten niet altijd optimaal verloopt.

    In dit project "Share to Care" wil ik die samenwerking verbeteren. Ik ga dat doen in drie stappen:
    1. Kijken naar voorbeelden uit landen met vergelijkbare zorgsystemen.
    2. Onderzoeken welke informatie gedeeld moet worden, en wanneer en op welke manier 
    3. Ontwikkelen en testen van een praktisch communicatiesysteem samen met alle betrokkenen. En een plan maken voor landelijke invoering van dat systeem.
    Het project draagt bij aan betere samenwerking en daarmee aan persoonlijkere zorg voor mensen met kanker.

    REPAIR – PCD
    Dr. T. Paff, UMC Utrecht - WKZ
    Primaire Ciliaire Dyskinesie (PCD) is een zeldzame, erfelijke aandoening waarbij trilhaartjes in de luchtwegen niet goed werken. Hierdoor blijven slijm en bacteriën in de longen zitten, wat leidt tot ernstige, terugkerende luchtweginfecties en chronische longschade. Er is tot op heden nog geen behandeling die de oorzaak van de ziekte aanpakt. Nieuw onderzoek laat zien dat mRNA therapie de trilharen in de luchtwegen mogelijk weer kan laten werken. In dit project testen we verschillende mRNA therapieën op luchtwegcellen van patiënten met ernstige vormen van PCD. We kijken of de trilhaartjes hun normale structuur en beweging terug krijgen en of de behandeling veilig is. Mijn doel is om mRNA therapie geschikt te maken voor toekomstige klinische studies en uiteindelijk een persoonlijke, genezende behandeling te ontwikkelen voor mensen met PCD.

    Innovatieve bioinformatica voor betere surveillance van infectieziekten bij kinderen
    Dr. J.M. Zachariasse, Erasmus MC
    Elektronische patiëntendossiers bevatten een schat aan medische informatie. Door technische, juridische en ethische beperkingen worden deze waardevolle gegevens echter onvoldoende benut om de patiëntenzorg te verbeteren. In dit project wil ik nagaan hoe innovatieve technieken uit de bioinformatica elektronische medische gegevens beter beschikbaar kunnen maken voor onderzoek. Hierbij richt ik mij op de surveillance van infectieziekten bij kinderen. Sneller en beter begrip van trends in infecties leidt tot gerichtere diagnostiek en behandeling van patiënten en een efficiëntere planning van zorg. Ik onderzoek hiervoor een “gemeenschappelijke taal” voor medische gegevens, waardoor patiëntengegevens in het lokale ziekenhuis met geavanceerde methoden geanalyseerd kunnen worden. Met een innovatieve infrastructuur worden samenvattende gegevens gedeeld in een Nederlands netwerk, dat in de toekomst ook voor andere onderzoeksgebieden kan worden gebruikt.

    Onderzoek naar de microcirculatie en glycocalyx in subarachnoïdale bloeding patiënten
    Dr. R.H.L. Haeren, Universiteit Maastricht
    In Nederland krijgen jaarlijks 1500 personen een subarachnoïdale bloeding (SAB), een bloeding rondom de hersenen die wordt veroorzaakt door het scheuren van een zwakke plek in een hersenbloedvat. Slechts 1 op de 3 patiënten kan na zo’n bloeding weer zelfstandig verder leven. Dit komt voor een groot deel door complicaties na een SAB, zoals laattijdige herseninfarcten. 
    Uit onze pilotstudie blijkt dat de kleinste bloedvaten in het lichaam bijdragen aan complicaties en schade na een SAB. Dit komt mede doordat een dun beschermlaagje in de bloedvaten, de glycocalyx, kapotgaat. In dit project onderzoeken we of wat het effect is hiervan is op de gevolgen van een SAB. We zullen bij 150 SAB-patiënten metingen doen aan de bloedvaten. We verwachten hiermee aan te tonen dat de beschermlaag een belangrijke rol speelt bij de complicaties en gevolgen van een SAB. Als dit het geval is, kunnen we een medicijn gebruiken om de glycocalyx te herstellen en daarmee de impact van een SAB verminderen.

    Over het Bestaan en de Pathofysiologie van Ware Ischemie in Coronaire Microvasculaire Dysfunctie
    Dr. B.O. Bingen, Leids Universitair Medisch Centrum
    De gouden standaard voor diagnostiek naar coronaire microvasculaire dysfunctie (CMD) is het bepalen van de coronary flow reserve (CFR) en index of microcirculatory resistance (IMR) tijdens een coronaire functietest (CFT). Echter, de validatie van beide getallen berust op een model van macrovasculair coronairlijden en de afkapwaarden zijn gebaseerd op de waarden waarbinnen 95% van de gezonde populatie valt. Het is dus nooit onderzocht welke CFR en IMR waarden daadwerkelijk correleren met ischemie door CMD. Binnen het voorgestelde project zullen we bij patiënten met een klinisch geïndiceerde CFT, tijdens CFT, de lactaatspiegel en zuurstofsaturatie in de sinus coronarius, en de drukken in linker- en rechter harthelft bepalen. Zodoende kan ischemie met zekerheid bewezen of ontkracht worden, worden gecorreleerd aan de bijbehorende CFR en IMR waarden, en worden gecorreleerd aan de mechanisme dat leidt tot ischemie. Dit is een essentiële stap in de verbetering van de diagnostiek naar CMD.

    Kiembaandata in moleculaire tumordiagnostiek: ethisch verantwoord benut
    Dr. N.A.A. Giesbertz, Antoni van Leeuwenhoek – Nederlands Kanker Instituut
    Voor zorg op maat aan patiënten met kanker zijn DNA-testen van de tumor belangrijk. Hiervoor wordt steeds vaker tumor DNA vergeleken met DNA uit normale cellen (kiembaan DNA). In kiembaan DNA kan worden getest op erfelijke ziekten. Dit kan belangrijk zijn voor de patiënt en familieleden. Toch wordt in Nederland niet standaard gekeken of iemand een erfelijke aanleg heeft tijdens deze tumortesten. Dit komt omdat er nog ethische vragen zijn. Wegen bijvoorbeeld de voordelen van testen op tegen de kans op onduidelijke of onzekere uitslagen? Moet er bij patiënten met borstkanker alleen naar een erfelijke aanleg voor borstkanker gekeken worden of ook naar aanleg voor andere vormen van kanker? Hoe zorgen we ervoor dat patiënten een geïnformeerde keuze kunnen maken? In dit project gaan we deze en andere ethische vragen beantwoorden. In deel één stellen we een ethisch kader op. In deel twee brengen we het kader in de praktijk en onderzoeken we de ervaringen van patiënten en artsen.

    Een nieuwe gerichte NGS-PCR voor vroege en nauwkeurige detectie van schimmelinfecties
    Dr. J.B. Buil, Radboudumc
    Schimmelinfecties vormen een groeiend probleem, vooral bij mensen met een verzwakt immuunsysteem, zoals patiënten met bloedkanker of transplantaties. Het vroegtijdig opsporen van deze infecties is lastig, omdat de huidige diagnostische methoden vaak traag, onnauwkeurig en belastend zijn. Met dit project willen we een nieuwe, gevoelige test ontwikkelen om schimmelinfecties op te sporen, zelfs voordat ze ernstige klachten veroorzaken. We gebruiken een innovatieve techniek, targeted Next-Generation Sequencing (NGS), waarmee we gericht schimmels in bloedmonsters kunnen detecteren. Dit is sneller en comfortabeler voor de patiënt in vergelijking met het afnemen van monsters uit de lagere luchtwegen, wat als zeer belastend wordt ervaren. 
    We zullen deze test ontwikkelen en vervolgens valideren op bloedmonsters van verschillende patiëntengroepen. Hiermee hopen we een doorbraak te realiseren in de diagnostiek van schimmelinfecties, zodat patiënten eerder en gerichter behandeld kunnen worden.

    Autoantilichaam glycosylering bij Neuro Psychiatrische Systemische Lupus Erythematosus (GLYCO-NPSLE)
    Dr. J.S. Dekkers, Leids Universitair Medisch Centrum
    Systemische lupus erythematodes (SLE) is een auto-immuunziekte waarbij verschillende organen aangedaan kunnen zijn. In ernstige gevallen kan de ziekte de hersenen en het zenuwstelsel beïnvloeden wat zich kan uiten met neurologische en/of psychiatrische klachten (NPSLE). Recent ontdekten wij dat antistoffen bij SLE verschillende suikerstructuren (glycosylering) kunnen hebben, zelfs bij dezelfde patiënt. Glycosylering van antistoffen is doorslaggevend voor hun activiteit. Antifosfolipiden antistoffen (aPL) hebben een sterke link met NPSLE. Er is echter weinig bekend over de glycosylering van aPL en NPSLE. Het doel van dit onderzoek is om 1) de diverse suikerstructuren van aPL-antistoffen te karakteriseren bij NPSLE en 2) om na te gaan wat het effect van deze suikerstructuren is op de schadelijkheid van aPL bij deze patiënten. Dankzij ons unieke NPSLE-cohort is het mogelijk om suikerprofielen van aPL bij deze ziekte analyseren om zo hoog risico patiënten tijdig te identificeren.

    CLEAR Surgery: cognitieve longitudinale evaluatie en beoordeling van chirurgisch risico bij ouderen
    Dr. M.L. van Zuylen, Amsterdam UMC
    Veel ouderen maken zich zorgen over geheugenproblemen na een operatie, ook wel postoperatieve cognitieve dysfunctie (POCD) genoemd. Dit onderzoek bekijkt of deze achteruitgang al vóór de operatie begint of dat de operatie zelf een rol speelt. We volgen ouderen die minimaal drie maanden op de wachtlijst staan voor een geplande heup- of knieoperatie en testen hun geheugen en denkvermogen meerdere keren voor en na de operatie. Ook meten we factoren zoals kwetsbaarheid, motivatie en spierkracht om te zien of deze samenhangen met geheugenproblemen na een operatie. Met de resultaten willen we risicopatiënten beter herkennen en strategieën ontwikkelen om POCD te voorkomen en herstel te bespoedigen. Dit helpt artsen om betere zorg te bieden en geeft patiënten meer zekerheid over de gevolgen van hun operatie.

    PDCA bij PDA - Plan, Do, Check, Act bij extreem prematuren met een Persisterende Ductus Arteriosus
    Dr. T. Hundscheid, Radboudumc - Amalia Kinderziekenhuis
    Na extreme vroeggeboorte (<28 weken zwangerschapsduur) blijft de ductus arteriosus, de verbinding tussen de long- en lichaamsslagader, vaak open na de geboorte. Kinderen bij wie de ductus arteriosus open blijft, hebben vaker een slechte uitkomst. Eerder onderzoek toonde aan dat de veelgebruikte behandeling met ibuprofen mogelijk erger is dan de kwaal. Recent (september 2023) is in Nederland de eerste landelijke aanbeveling geaccordeerd, waarbij geadviseerd wordt doorgaans af te zien van screening en behandeling. Desondanks kiezen sommige dokters voor behandeling met paracetamol als alternatief of een sluiting via een hartkatheterisatie. Deze beoogde onderzoekslijn probeert fundamenteel inzicht te krijgen in de mogelijke risico's van paracetamol, de lange termijn gevolgen op onder andere inspanningstolerantie na vroege behandeling in vergelijking met een afwachtend beleid, de verandering in therapie rondom de implementatie van de aanbeveling en de drijfveren voor een hartcatheterisatie.

    FOCUS-ID: Raamwerk voor optimale diagnostiek en inzicht in dementie bij verstandelijke beperking
    Dr. F.H. Duits, Amsterdam UMC - VUmc
    Mensen met een verstandelijke beperking (VB) worden steeds ouder, en dementie wordt een groter probleem. Bij Downsyndroom is een hoog risico op Alzheimer. Door onderzoek is de zorg voor deze groep sterk verbeterd. Bij andere syndromen en VB zonder bekende oorzaak weten we weinig, en er wordt nauwelijks onderzoek gedaan. Omdat diagnostiek op geheugenpoli’s niet aansluit, wordt verwijzing naar de neuroloog vaak overgeslagen. Een juiste diagnose is echter belangrijk voor passende zorg. Met FOCUS-ID wil ik de diagnostiek verbeteren, en oorzaken van dementie bij VB beter begrijpen. Hiertoe start ik een interdisciplinaire geheugenpoli, specifiek voor mensen met een VB. Hiermee sla ik een brug tussen neuroloog, arts VG en psycholoog. Ik vraag alle patiënten of klinische gegevens gebruikt mogen worden voor onderzoek. Daarnaast wil ik een nieuwe bloedtest voor dementie onderzoeken bij patiënten met VB. Zo zal FOCUS-ID leiden tot betere diagnostiek en meer kennis over dementie bij VB.

    Langdurige ontregeling van het immuunsysteem na sepsis
    Dr. W.A. van der Heijden, Radboudumc
    Sepsis is een ernstige aandoening waarbij het immuunsysteem ontregeld raakt door een ernstige infectie. Het is een belangrijke oorzaak van overlijden en mensen met sepsis liggen lang in het ziekenhuis of zelfs op de Intensive Care. Veel patiënten die sepsis overleven, krijgen later opnieuw infecties, hart- en vaatziekten of cognitieve problemen. Dit noemen we post-sepsis syndroom (PSP), maar wij begrijpen nog niet goed waarom dit gebeurt. In dit onderzoek volgen wij een grote groep sepsis-patiënten en vergelijken hen met gezonde mensen. Wij verzamelen bloedmonsters om te onderzoeken hoe het immuunsysteem na sepsis verandert en waarom sommige mensen langdurige klachten houden. Met dit onderzoek willen wij beter voorspellen wie risico loopt op PSP en hoe wij hen beter kunnen behandelen. Zo hopen wij dat sepsis-overlevenden gezonder herstellen en minder complicaties krijgen.

    Endotheel dysfunctie in Fontan falen: onderliggende hemodynamiek en effecten van SGLT2i
    Dr. A.D. Egorova, Leids Universitair Medisch Centrum
    Hartafwijkingen zijn de meest voorkomende aangeboren afwijkingen. Patiënten met ernstige hartafwijkingen waarbij geen tweekamer hart kan worden gecreëerd ondergaan de Fontan operatie. Na de Fontan operatie is er sprake van een eenkamer hart en door het gebrek van een subpulmonale kamer is de hemodynamiek zeer kwetsbaar. Het zogenaamde Fontan Circulatie Syndroom (FCS), waarbij de bloedsomloop faalt, komt vaak al op jonge leeftijd voor. Dit project richt zich op een urgente behoefte: het begrijpen van de mechanismen van FCS en identificeren van effectieve therapeutische strategieën om de kwaliteit van leven te behouden. Endotheelcel (EC) dysfunctie speelt een belangrijke rol bij FCS. Natrium-glucose-cotransporter 2-remmers (SGLT2i) hebben o.a. een anti-inflammatoire werking en remmen EC-dysfunctie af. Wij zullen de FCS hemodynamiek evalueren en waar nodig patiënten behandelen met SGLT2i. De klinische, hemodynamische en EC (dys-)functie veranderingen zullen worden bestudeerd.

    Automatische signalering van een hartstilstand en alarmering van de hulpdiensten door een smartwatch
    Dr. J.L. Bonnes, Radboudumc
    In Nederland krijgen wekelijks 300 mensen een plotse hartstilstand buiten het ziekenhuis. De inzet van burgerhulpverleners en de toegenomen beschikbaarheid van automatische externe defibrillatoren hebben de overlevingskans verbeterd. Toch komt hulp voor bijna de helft van de slachtoffers te laat, omdat er niemand in de buurt is op het moment van de hartstilstand. De afgelopen jaren is in het DETECT onderzoek een model ontwikkeld dat via lichtsensoren in een polsbandje (fotoplethysmografie) een hartstilstand kan detecteren. In de toekomst zal ook informatie van een bewegingssensor meegenomen worden om te bepalen of het om een hartstilstand gaat. Dit project focust zich op het verder brengen van de opgedane kennis en ontwikkelde technologie naar de praktijk. We evalueren de effectiviteit van het polsbandje in het automatisch signaleren en alarmeren bij een hartstilstand, zowel in gesimuleerde situaties als bij echte hartstilstanden, en voeren verbeteringen door waar nodig.

    Pathogene BRCA1/2-varianten met verlaagd risico: Risicoberekening en aanpassing klinisch management
    Dr. S. Moghadasi, Leids Universitair Medisch Centrum
    Bekende ziekte veroorzakende (pathogene) varianten in de BRCA1- en BRCA2-genen zijn geassocieerd met een hoog risico op borst- en eierstokkanker. Recent onderzoek heeft echter pathogene varianten in deze genen geïdentificeerd die het risico op kanker mogelijk in mindere mate verhogen dan aanvankelijk werd gedacht. Deze varianten worden aangeduid als pathogene varianten met een verminderde penetrantie/ risico.  
    Dit project richt zich op het vaststellen van het risico op borst- en eierstokkanker voor dragers van deze varianten, zodat we hen gepersonaliseerde screenings- en preventiemaatregelen kunnen aanbieden. Hiermee willen we onnodige screening en preventieve operaties voorkomen. 
    Voor dit project zullen gegevens worden verzameld van families met deze genetische varianten, zowel in Nederland als internationaal. Op basis hiervan worden de risico’s bepaald en gebruikt om gepersonaliseerde screeningsadviezen te ontwikkelen en om de bestaande risico-predicatiemodellen te verbeteren.