Interactieve kennisprogrammering smaakt naar meer
Van 2009 tot medio 2014 voerde ZonMw met eigen middelen het programma Gezondheidszorgonderzoek (GZO) uit. In deze publicatie leest u wat dit programma heeft opgeleverd en hoe in deze projecten de interactie tussen onderzoekers, beleidsmakers en de praktijk is vormgegeven.
GZO kan de gezondheidszorg in Nederland beter maken. GZO gaat niet over de ontwikkeling van een nieuw medicijn of het verbeteren van een bepaalde therapie, maar over de gezondheidszorg zélf. Over vraagstukken als: Hoe is de gezondheidszorg georganiseerd? In welke structuren is zij vervat? En bovenal: hoe kan de zorg doelmatiger functioneren?
Het belang van GZO is evident: met de vruchten ervan kunnen beleidsmakers betere keuzes maken en bestuurders, managers en professionals de zorg in de praktijk beter vormgeven. Maar daarvoor is het wel nodig dat de kennis die het onderzoek oplevert, goed is afgestemd op de behoefte van de kennisgebruikers (de beleidsmakers en de praktijk). En dat lukt alleen bij vergaande interactie tussen onderzoekers, kennisgebruikers en subsidieverstrekkers.
Het belang van GZO én van die interactie werden onderstreept in het advies 'Gezond zorgonderzoek', dat de Raad voor Gezondheidsonderzoek in 2008 uitbracht. Dit advies was voor ZonMw de aanleiding om te starten met het programma Gezondheidszorgonderzoek, met als motto: 'Vaar niet blind, maar koers met kennis'. Projecten maakten alleen kans op subsidie als de indieners konden aantonen dat zij voldoende oog hadden voor de interactie met beleid en praktijk.
Het programma heeft veertien sterk uiteenlopende projecten opgeleverd waarvan een groot aantal inhoudelijk geslaagd is. Deze publicatie toont een staalkaart van de inhoudelijke resultaten. Maar laat ook zien hoezeer de betrokkenen hebben geworsteld met de vraag hoe de interactie het beste kan worden vormgegeven. Verder kijken deskundigen in deze eindpublicatie terug op het programma en laten hun licht schijnen op de vraag hoe we GZO verder kunnen brengen. Hun conclusies sluiten aan bij de visie van ZonMw: interactieve kennisprogrammering smaakt naar meer - en niet alleen op het gebied van GZO. Op voorwaarde dat we erin slagen die interactie op een actieve manier te organiseren.
Interactie: voorwaarde en struikelblok tegelijk
Het programma GZO, met als motto Vaar niet blind maar koers met kennis, bood ruimte aan zowel langdurend onderzoek als aan de beantwoording van ad hoc-vraagstukken. In de periode 2010 - 2012 waren er 3 subsidierondes. De oogst: 14 projecten die allemaal zijn afgerond. Maar hoe verging het de onderzoekers met het vormgeven van de interactie met beleid met praktijk?
Om inzichtelijk te maken in hoeverre het lukte om beleid en praktijk bij het onderzoek te betrekken, voerde de programmacommissie een zelfevaluatie uit. Voor dit onderzoek werden niet alleen de uitgevoerde projecten nog eens onder de loep genomen; ook werden de afgewezen projectvoorstellen geanalyseerd. Daarnaast werden verschillende bijeenkomsten georganiseerd over de interactie tussen onderzoek, praktijk en beleid, waaronder een expertmeeting.
De evaluatie wijst uit dat papier geduldig is: alleen maar een oproep doen aan onderzoekers om tot vernieuwende interactie te komen, bleek volstrekt onvoldoende. In een aantal gevallen ging het al mis bij het formuleren van de onderzoeksvoorstellen. Zo werden 11 van de in totaal 26 ingediende voorstellen voor promotieonderzoek (mede) afgewezen op het ontbreken van interactie met de kennisgebruikers. Ook bij de 2 andere ronden werd aan interactie vaak voorbij gegaan (en soms werd dit begrip verkeerd begrepen). In die gevallen waarin de onderzoekers interactie wél in hun voorstel hadden opgenomen, bleek de vormgeving ervan in de praktijk niet altijd goed uit de verf te komen.
Obstakels
Tal van obstakels doen zich voor bij aangaan van de interactie.
-
- Vraagarticulatie blijft moeilijk.
De uiteindelijke gebruikers van kennis (bijvoorbeeld beleidsmakers) zijn er niet altijd goed in om hun behoefte aan kennis te vervatten in duidelijke kennisvragen. Onderzoekers op hun beurt weten (mede hierdoor) niet altijd wat de veranderende behoefte aan kennis bij hen (beleid en praktijk) is. - Gebrek aan tijd en betrokkenheid.
Er is onvoldoende tijd en gelegenheid om zich te verdiepen in elkaars wereld. Ook ontbreekt het aan wederzijdse betrokkenheid. Hierdoor is er te weinig communicatie en kennisuitwisseling. - De context verschilt.
Verder zijn er grote systemische verschillen. Zo hebben beleidsmakers vaak te weinig tijd en knowhow om wetenschappelijke kennis te gebruiken bij het maken van beleidsmatige afwegingen - en later bij de evaluatie van beleidsmatige keuzes. Universiteiten en hogescholen hebben weer andere contextuele kenmerken die in weg kunnen zitten bij het vormgeven van interactie. Zij ervaren een continue druk om veel en snel te publiceren. Dat werkt niet in het voordeel van onderzoekers die tijd willen vrijmaken voor interactie en bereid zijn hiervoor hun onderzoeksproces aan te passen. - Andere waarden.
Instituties die zich met beleid bezighouden, hebben tot slot andere waarden en kennen andere verantwoordingsregimes dan wetenschappelijke instellingen: voor beleidsmakers is kennis bruikbaar als hiermee het beleid gelegitimeerd kan worden. Bij universiteiten staat daarentegen de wetenschappelijke kwaliteit van kennis bovenaan. En de praktijk, tot slot, neemt weer een andere positie in. Daar laat men zich vooral leiden door de praktische toepasbaarheid van de kennis.
- Vraagarticulatie blijft moeilijk.
Hoe kan het beter?
De zelfevaluatie moest niet alleen inzichtelijk maken hoe het met de interactie was gesteld. Maar ook hoe deze in het vervolg beter vormgegeven kan worden en hoe ZonMw hieraan vanuit haar kennisprogrammerende rol kan bijdragen. De programmacommissie komt met 4 aanbevelingen:
-
- Organiseer de interactie op een actieve manier.
De cyclus van gezondheidsonderzoek begint en eindigt in de zorg zelf. Dat betekent dat niet de vragen die bij de wetenschappers leven centraal moeten staan, maar juist de vragen die in het veld spelen (beleid, praktijk). De interactie moet leiden tot een onderzoeksopzet waarbij voor iedereen (beleid, praktijk, onderzoek) 'iets te halen' is. Dat kan door werkwijzen, projectdoelen en methoden te ontwikkelen waarin wetenschappelijke kennis en andere vormen van kennis (zoals praktijkervaringen, informatie van patiënten) elkaar versterken. Zo krijgt practice-based evidence een plaats naast evidence-based practice. - Maak gebruik van netwerkstructuren.
Een belangrijk vehikel om de interactie tussen onderzoek, praktijk en beleid te organiseren, zijn netwerkconstructies. Een goed voorbeeld daarvan zijn de academische werkplaatsen. Dergelijke werkplaatsen vormen - in regionaal verband - de verbinding tussen instellingen (de praktijk) en de relevante onderzoeksgroepen. Hierdoor zijn de randvoorwaarden gunstiger voor het opzetten van onderzoek dat antwoorden biedt op vragen die in de praktijk leven. Bovendien ontstaat zo een goede infrastructuur voor het uitvoeren van zowel kleine en fijne projecten als langlopend onderzoek, wordt er meer gewerkt vanuit een gemeenschappelijke visie en nemen de kansen op implementatie toe: de vertaalslag van onderzoek naar onderwijs wordt eerder gemaakt. - Borg de interactie in de subsidievoorwaarden.
Het uitgangspunt voor het verlenen van subsidie moet zijn dat de activiteiten die over de hele kenniscyclus worden uitgevoerd zoveel mogelijk gezamenlijk worden uitgevoerd: vanaf het opzetten van het onderzoek tot en met de implementatie van de kennis die het heeft opgeleverd. Daarnaast is het belangrijk om onderscheid te maken tussen puur wetenschappelijke subsidierondes en subsidierondes waarin de verbinding tussen onderzoek, praktijk en beleid essentieel is. Deze laatste vergen een referentenbeoordeling mede vanuit beleid en praktijk. En dat in een open gesprek met de indieners, in plaats van eenzijdig en anoniem. - Benut de (internationale) kennis.
Internationaal ontwikkelt zich een gemeenschap van experts die methoden en technieken ontwikkelt om de interactie tussen onderzoek, beleid en praktijk te verbeteren. Uit de succesverhalen zijn lessen te leren die ook voor anderen nuttig zijn.
- Organiseer de interactie op een actieve manier.
Toekomst
Het bestuur van ZonMw wil de aanbevelingen uit het evaluatieonderzoek organisatiebreed toepassen. Immers: wat voor GZO geldt, geldt in principe ook voor andere typen onderzoek en projecten die ZonMw financieel ondersteunt: de kennis moet uiteindelijk toegepast worden. En de kans daarop is het grootst als de partijen die dit moeten doen in alle fasen van het project zijn betrokken. Daarnaast verkent ZonMw samen met het ministerie van VWS de mogelijkheden om het GZO-programma, zowel in nationaal als in internationaal verband, een vervolg te geven.
Open ronde, bottom-up en top-down
- Via een open ronde voor promotieprojecten kregen onderzoekers de mogelijkheid om lopend gezondheidszorgonderzoek uit te bouwen tot een volwaardig promotieonderzoek.
- Via een bottom-up-procedure konden projectideeën ingediend worden over actuele vraagstukken die speelden op beleidsterreinen of in de praktijk.
- Via een top-down-ronde kon innovatief beleidsonderzoek gefinancierd worden in het kader van de ambtelijke heroverweging van de collectieve zorguitgaven.
In de spotlights
14 projecten heeft het programma Gezondheidszorgonderzoek opgeleverd van ZonMw. 3 daarvan zijn door hun resultaten zo bijzonder dat we ze graag extra belichten.
Culturele competentie in de zorg
Zorg kan beter en gelijkwaardiger als artsen, andere behandelaars en instellingen rekening houden met de culturele en etnische achtergrond van hun patiënten. In dit project zijn instrumenten ontwikkeld die meten in hoeverre deze culturele competenties aanwezig zijn.
-
Wie cultureel competent is, houdt rekening met bijvoorbeeld taalbarrières, verschillen in de epidemiologie van ziekten tussen (etnische) groepen en de sociale context. Die laatste kan bij allochtonen extra complex zijn door hun migratiegeschiedenis, hun vaak lagere sociaaleconomische status en het feit dat ze niet goed de weg weten in de wereld van de gezondheidszorg.
Vooringenomenheid
Onbevooroordeeld te werk gaan is een kenmerk van patiëntgerichte zorg. Bij de behandeling van mensen uit andere culturen moeten artsen zich echter extra bewust zijn van vooringenomenheid en stereotypen. Dan kunnen zij patiënten beter en respectvoller bevragen over hun ziektegeschiedenis. En realiseren zij zich dat klachten en het effect van een behandeling kunnen samenhangen met die achtergronden. Er bestaan interventies voor het verbeteren van die culturele competenties. Maar het effect daarvan kan pas worden vastgesteld als daar ook meetinstrumenten voor zijn.
Internationaal
Onder leiding van prof. dr. Marie-Louise Essink-Bot ontwikkelde promovendus Conny Seeleman (Sociale Geneeskunde AMC Amsterdam) zulke meetinstrumenten voor instellingen en individuele zorgverleners. Hiermee heeft zij de culturele competenties in kaart gebracht van co-assistenten van AMC-UvA, en van jeugdartsen en hun opleiders. Deze instrumenten zijn getoetst en worden, met implementatiesteun van ZonMw, nu toegepast bij Nederlandse medische faculteiten om de culturele competentie van studenten te meten en het curriculum te verbeteren. Dankzij een VIMP-subsidie van ZonMw kunnen de resultaten verder verspreid worden. Daarnaast worden deze meetinstrumenten ook in internationaal verband bij instellingen ingezet. Voor dit onderzoek kreeg Essink-Bot een ZonMw-parel.
Meer bewustzijn
De nieuwe meetinstrumenten zijn een grote stap op weg naar meer bewustzijn ten aanzien van de culturele competenties van zorgverleners en instellingen en de verbetering ervan. Met enige aanpassingen kunnen ze ook dienen om andere diversiteitscompetenties te meten. Denk bijvoorbeeld aan sekseverschillen.
Evidence-based cultureel competente zorg (AMC)
Investeringsprikkels voor gemeenten
Gemeenten kunnen ertoe bijdragen dat mensen langer gezond en zelfredzaam blijven. Zij worden hier echter niet voor beloond: de financiële baten komen bij andere partijen terecht. ZorgmarktAdvies onderzocht hoe gemeenten toch geprikkeld kunnen worden om de gezondheid van hun inwoners te bevorderen.
-
Door vergrijzing en veranderingen in de leefstijl neemt het aantal ouderen en chronisch zieken de komende decennia fors toe. Die ontwikkeling vraagt om een andere focus van het gezondheidszorgbeleid: zorg ervoor dat mensen zo lang mogelijk gezond en zelfredzaam blijven. En kom niet pas in actie wanneer mensen ziek zijn en langdurig behandeld moeten worden. Zo neemt de kwaliteit van leven toe, terwijl de zorgkosten minder stijgen.
Sleutelrol
Gemeenten kunnen een sleutelrol krijgen bij het realiseren van deze omslag: op grond van de Wet publieke gezondheid (Wpg) en de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) kunnen zij veel doen om de gezondheid van burgers te bevorderen. Maar welke invloed hebben gemeenten eigenlijk op de gezondheid van hun burgers en op de hoogte van de zorgkosten? En hoe kunnen gemeenten gemotiveerd worden om meer te investeren in preventie en ondersteuning? Die laatste vraag is relevant, omdat de inspanningen van de gemeenten tot baten kunnen leiden die niet zozeer bij hen neerslaan, als wel bij andere partijen.
Minder AWBZ-uitgaven
Allereerst onderzocht ZorgmarktAdvies in hoeverre gemeenten er met preventie en maatschappelijke ondersteuning aan kunnen bijdragen dat burgers een minder groot beroep doen op de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ). De conclusie: preventie leidt wel tot een betere gezondheid, maar niet tot lagere zorgkosten. Dit betekent overigens niet dat preventie niets oplevert: er kunnen zich allerlei andere maatschappelijke baten voordoen. Denk aan een hogere arbeidsparticipatie en -productiviteit, meer economische groei en meer mantelzorgcapaciteit. Vervolgens onderzocht ZorgmarktAdvies in hoeverre gemeenten met maatschappelijke ondersteuning op grond van de Wmo de zorguitgaven van hun inwoners kunnen verlagen. De onderzoekers concluderen dat dit mogelijk is en kan leiden tot minder AWBZ-uitgaven. Vooral wanneer burgers langer thuis worden verzorgd in plaats in een instelling, heeft dit een gunstig effect.
Investeringsprikkels
Resteert de vraag hoe het voor gemeenten aantrekkelijker kan worden gemaakt om ook daadwerkelijk te investeren in preventie en maatschappelijke ondersteuning. ZorgmarktAdvies doet 3 suggesties voor investeringsprikkels. Om te beginnen kunnen zorgverzekeraars samen met gemeenten investeren in projecten. Hiervoor kunnen de verzekeraars bij de uitvoering van de AWBZ een percentage van hun contracteerruimte benutten. Daarnaast opperen de onderzoekers om met enkele gemeenten een experiment te starten. De deelnemende gemeenten worden beloond als zij erin slagen om het aantal eerste-indicaties voor lichte intramurale opnamen te laten dalen. Tot slot wordt voorgesteld om verzekeraars en gemeenten beide (in enige mate) verantwoordelijk te maken voor de AWBZ-uitgaven.
Het onderzoek heeft inmiddels een concreet vervolg gekregen binnen het programma Zorg en Ondersteuning in de buurt: er komt een pilot met de gemeente Nijmegen en de verzekeraar VGZ. De wijze van de samenwerking, waaronder de gezamenlijke financiering, wordt nog nader uitgewerkt.
Mogelijkheid en haalbaarheid van preventiebonus om gemeenten te stimuleren zorgkosten (Zvw en AWBZ) te verlagen (ZorgmarktAdvies)
Welk bekostigingssysteem maakt de ziekenhuiszorg het meest doelmatig?
Door de zorg doelmatiger te maken, kunnen de kosten naar beneden bij gelijkblijvende kwaliteit en toegankelijkheid. De introductie van een nieuw bekostigingssysteem biedt hiertoe de beste kansen. Dit systeem combineert elementen van de bestaande systemen voor de bekostiging van medisch-specialistische zorg: functiegerichte budgettering en prestatiebekostiging.
-
Bij functiegerichte budgettering stelt de overheid het budget voor de gezondheidszorg vast en verdeelt dit over lagere organisatorische eenheden (bijvoorbeeld regio's of ziekenhuizen). De verdeling wordt onder meer bepaald aan de hand van de omvang van de bevolking. Bij prestatiebekostiging (DBC/DOT) wordt de financiering van de zorg gekoppeld aan de geleverde prestaties: hoe beter een ziekenhuis in staat is goede zorg te leveren tegen een scherpe prijs, hoe groter de voorkeur van zorgverzekeraars om bij deze ziekenhuizen zorg af te nemen. Waar in de eerste situatie de overheid plant en stuurt, is het in het tweede geval de markt die bepaalt.
Vergelijking van 2 systemen
In dit project vergeleken de onderzoekers deze systemen om te kijken welk systeem de beste kansen biedt om de zorg doelmatiger te maken. Hiertoe maakten zij een analyse van de kosten van de gezondheidszorg over een periode van veertig jaar. Vervolgens brachten ze gedetailleerd de consequenties in kaart van de invoering van de prestatiebekostiging in de periode 2007 - 2010. Daarnaast keken ze in hoeverre de randvoorwaarden aanwezig waren voor een goed functionerende plannings- respectievelijk marktsystematiek. Hun bevindingen hebben de onderzoekers tijdens een breed samengestelde expertmeeting getoetst.
Functiegerichte budgettering 'wint'
De onderzoekers concluderen dat functiegerichte budgettering betere perspectieven biedt voor het doelmatiger maken van de zorg dan prestatiebekostiging. In de specialistische zorg die is gebudgetteerd, zijn de tarieven immers minder omhoog gegaan dan in de zorg die via prestatiebekostiging wordt bestuurd. Ook gelet op de aanwezigheid van de juiste randvoorwaarden slaat de balans door in het voordeel van de functiegerichte budgettering. Zo wordt in Nederland voldaan aan de belangrijkste randvoorwaarden om plan-economisch te werk te gaan: er is vrij goed bekend wat de zorgbehoeften van de burgers zijn en er is een centrale autoriteit die in staat is op een goede manier de middelen te verdelen.
Om te kiezen voor meer marktwerking ontbreekt het daarentegen aan belangrijke randvoorwaarden. Er is feitelijk geen sprake van een markt waarin aanbieders elkaar beconcurreren en vragers een goed inzicht hebben in het aanbod. Patiënten hebben onvoldoende informatie om het zorgaanbod te vergelijken. Patiënten hebben bovendien geen besef van de werkelijke zorgkosten en draaien ook niet op voor de rekening; de financiële stromen lopen via de verzekeraars, de politiek kiest waar burgers voor verzekerd zijn.
Alternatief systeem
De onderzoekers stellen een alternatief bekostigingssysteem voor dat het beste van beide systemen in zich heeft. Belangrijke uitgangspunten daarvan zijn: uitkomstfinanciering (financiering op basis van de te verwachten behandeluitkomsten, in plaats van het aantal verrichtingen), vaste tarieven, onderhandelingen tussen zorgaanbieder en verzekeraar over alleen volume en kwaliteit, een vaste vergoeding voor beschikbaarheid en indexering van de tarieven (op ziekenhuisniveau) op zorgzwaarte.
Prikkels en instrumenten voor vergroting doelmatigheid binnen ziekenhuizen (Kiwa Prismant)
Alle projecten in beeld
Soms waren de uitkomsten verrassend, soms viel de opbrengst tegen. In het ene project slaagden onderzoekers erin om samen te werken met de kennisgebruikers. In andere projecten kwam de interactie niet goed van de grond: het ZonMw-programma Gezondheidszorgonderzoek leverde 14 zeer uiteenlopende resultaten op. Van 11 projecten treft u hier de beschrijving aan. De andere 3 komen hierboven wat uitgebreider aan bod onder In de spotlights.
-
Roken, drinken en weinig bewegen: leefstijl heeft een grote invloed op onze gezondheid. Gedragsbeïnvloeding ligt voor de hand. Maar in de praktijk blijkt het moeilijk om programma's te implementeren die bijdragen aan een betere leefstijl. In dit onderzoek is gekeken hoe dat komt en wat er nodig is om van deze programma's wél een succes te maken. Het onderzoek richtte zich op veertien leefstijlprogramma's die werden uitgevoerd bij huisartsenpraktijken, ziekenhuizen en thuiszorgorganisaties. Het laat zien dat dergelijke programma's niet goed zijn ingebed: vaak is er slechts tijdelijk financiering voor, de uitvoering is in handen van enkele enthousiastelingen en de effecten zijn doorgaans niet bekend. De aanbevelingen liggen in het verlengde hiervan: Kies voor interventies die zich al hebben bewezen, in plaats van zelf het wiel uit te vinden. Onderzoek hoe de financiering beter geregeld kan worden, zodat de continuïteit is gewaarborgd. En herontwerp het zorgproces zodanig dat de implementatie van leefstijlprogramma's hierin een vaste plaats krijgt.
Implementatie van leefstijlinterventies in de patiëntenzorg: een verbinding van onderzoek en praktijk (Radboudumc)
-
Zorgkosten verschillen zeer sterk per individu: wie binnen één kalenderjaar de zorgkosten tussen individuen vergelijkt, is al snel geneigd om deze conclusie te trekken. Maar is die wel gerechtvaardigd? Wie kijkt naar de hele levensloop, komt tot andere conclusies. In dit project is dat gedaan. Omdat slechts over een beperkte periode gegevens beschikbaar zijn, is hiervoor gebruikgemaakt van een simulatiemodel. De studie wijst uit dat er weliswaar aanzienlijke verschillen zijn tussen personen. Maar ook dat deze veel kleiner zijn dan werd verondersteld. Beleidsmakers kunnen hun voordeel doen met deze studie. Niet alleen biedt deze aanknopingspunten voor nieuwe financieringsarrangementen (sparen voor zorg). De uitkomsten betekenen ook dat er een minder groot beroep nodig is op de solidariteit die de 'nettobetalers' moeten opbrengen voor degenen die veel zorgkosten veroorzaken: in veel gevallen zijn de rollen vroeg of laat omgedraaid.
Variatie in levensloop zorguitgaven (UvT)
-
Sinds 2010 geldt een systeem van integrale bekostiging voor diabetici, patiënten met een verhoogd risico op vaatziekten en patiënten met COPD. In dit systeem is één zorgaanbieder verantwoordelijk voor de zorg aan deze patiënten. Over de financiële vergoeding worden afspraken gemaakt met de zorgverzekeraar. De zorgaanbieder kan vervolgens andere partijen in de eerste en tweede lijn contracteren om een deel van de zorg te verlenen.
In dit project is onderzocht wat de effecten van dit nieuwe systeem zijn op de kwaliteit, betaalbaarheid en toegankelijkheid van de zorg. De studie wijst uit dat deze effecten één jaar na invoering gering zijn. Een belangrijke oorzaak: de randvoorwaarden om een succes te maken van integrale bekostiging ontbreken grotendeels. De afstemming binnen de keten van zorgverleners is nog niet goed geregeld. Ook wordt vaak niet gewerkt volgens een persoonlijk zorgplan.
Integrale bekostiging: ex-ante evaluatie van effecten op kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid en evaluatie van de eerste effecten na invoering (NIVEL)
-
Dit onderzoek is erop gericht de zorg voor patiënten met lage-rugklachten te verbeteren, door de ideeën en verwachtingen van de patiënt mee te nemen in de behandeling. 34 huisartsen kregen een training om samen met de patiënt tot een therapiekeuze te komen. Hierbij is het van belang dat beide partijen bekrachtigen dat de gemaakte keuze een juiste is. De huisartsen werd gevraagd om de nieuwe werkwijze toe te passen bij 10 patiënten. Met toestemming van de artsen en de patiënten zijn video-opnames gemaakt van de consulten. Daarnaast werden de patiënten op verschillende momenten ondervraagd en hielden zij een dagboek bij over hun pijn en beperkingen. Uiteindelijk deden 113 patiënten van getrainde huisartsen mee. De controlegroep bestond uit 128 patiënten van niet-getrainde artsen. Uit het onderzoek blijkt dat de getrainde huisartsen hun patiënten te weinig hebben bevestigd in de juistheid van de gedeelde therapiekeuze. Juist die bevestiging kan zorgen voor positieve verwachtingen ten aanzien van het herstel - en kan daarmee ook het herstel daadwerkelijk bevorderen. Tussen de 2 groepen patiënten was dan ook geen verschil in herstel te meten.
Een interventie voor gedeelde besluitvorming in huisartsconsulten met (sub)acute aspecifieke lage-rugpijnpatiënten: kosten & kwaliteit in kaart gebracht (NIVEL)
-
Sinds 2010 geldt een nieuw systeem voor de bekostiging van de zorg voor chronisch zieken, zoals diabetici. In dit systeem is één zorgaanbieder verantwoordelijk voor deze zorg. Deze zorgaanbieder onderhandelt met de zorgverzekeraar over de vergoeding en het zorgprogramma. De zorgaanbieders zijn meestal huisartsen; een deel van de zorg laten zij uitvoeren door andere disciplines, zoals diëtisten en internisten. Patiënten zijn tot nu toe nauwelijks betrokken bij de manier waarop de zorg wordt aangeboden. Een gemiste kans, want de participatie van patiënten kan bijdragen aan zorg die beter op hen is toegesneden. In dit onderzoek is gekeken hoe de participatie van patiënten vorm kan krijgen. Uit het onderzoek blijkt dat zowel de zorgaanbieders als de patiënten willen dat deze laatsten meer invloed krijgen, bijvoorbeeld door samen te werken in concrete projecten. Die kunnen er bijvoorbeeld op gericht zijn om patiënten te ondersteunen om beter met hun ziekte om te gaan. Daarnaast is behoefte aan structureel overleg tussen zorgaanbieders en patiënten. Voordat de participatie van patiënten kan worden vormgegeven, moet echter wel duidelijk worden wat het effect ervan is op de kwaliteit van de zorg.
Patient participation in organizational decision-making processes in Care Groups (RIVM)
-
Kunnen toetreders tot de zorgmarkt de gezondheidszorg betaalbaarder maken? Die vraag stond centraal in een onderzoek van Panteia. Onder toetreders worden zowel nieuwe partijen verstaan die met een innovatief concept de zorgmarkt betreden (bijvoorbeeld zorghotels), als bestaande aanbieders die 'iets nieuws' gaan doen. Vooraf is de aanname dat toetreders een verrijking kunnen zijn, omdat ze dynamiek teweeg brengen en zorgen voor vernieuwingen die andere vervolgens kunnen overnemen. Doordat dankzij de nieuwkomers de druk om doelmatiger te werken toeneemt, zou bovendien substitutie plaatsvinden: minder efficiënt zorgaanbod wordt dan vervangen door efficiënter zorgaanbod. Het onderzoek wijst echter uit dat deze effecten zich maar nauwelijks voordoen. Eén van de verklaringen hiervoor is het feit dat de zorgmarkt nog steeds groeit. De verdringing van minder efficiënt zorgaanbod door efficiënter aanbod doet zich nauwelijks voor: het nieuwe aanbod komt naast het bestaande.
Kansen en strategieën nieuwe toetreders in de zorg (Panteia)
-
De jeugdzorg gaat gebukt onder onnodig veel bureaucratie. De klachten hierover zijn niet van vandaag of gisteren. Sinds 2015 valt de jeugdzorg onder de verantwoordelijkheid van de gemeenten. In de aanloop daarnaartoe werd onderzocht welke effecten we van deze transitie mogen verwachten op de regeldruk. Hiertoe interviewden de onderzoekers een groot aantal mensen die in de jeugdzorg werkzaam zijn. Daarnaast werd literatuuronderzoek uitgevoerd.
De uitkomsten laten een genuanceerd beeld zien. Dankzij de kortere lijnen tussen hulpverleners en gemeenten kan de indicatiestelling eenvoudiger tot stand komen. Maar daar staat tegenover dat een aantal jeugdzorginstellingen te maken krijgt met meerdere gemeenten. De vrees leeft dat elke gemeente ander eisen stelt aan de informatie die de instellingen moeten aanleveren. Een van de aanbevelingen is dan ook om hierin tot afstemming te komen. Daarnaast helpt het als de Rijksoverheid terughoudend is met haar informatievragen, zodat 'stapeling' wordt tegengegaan, aldus de onderzoekers.
Bureaucratie in de jeugdzorg: omvang en oorzaken (Kiwa Prismant en Panteia)
-
In dit project is een simulatiemodel ontwikkeld dat gebruikt kan worden om de spoedeisende hulp en de huisartsenposten optimaal te laten samenwerken. Aan de hand van dit model kunnen beleidsmakers de inrichting van de SEH en HAP's verbeteren en het werk beter verdelen. Op basis van literatuurstudie werd een model ontwikkeld waarin alle stuurvariabelen zijn opgenomen. Dit model is zowel kwalitatief als kwantitatief gevalideerd. Het uiteindelijke model houdt rekening met zowel de medische als de economische prestaties. Beleidsmakers en managers kunnen het model gebruiken bij het nemen van beslissingen over de inrichting van de spoedeisende hulp op regionaal niveau. Het model laat bijvoorbeeld zien dat een verschuiving van patiënten met minder urgente problemen van spoedeisende hulp naar huisartsenposten geld kan besparen.
Development and use of a decision support tool for cooperation between emergency departments and out-of-hours cooperatives of general practitioners (UMC Utrecht)
-
Ranglijsten zijn populair, ook in de zorg. Maar geven ze wel een getrouw beeld van de kwaliteit? En wat 'doen' ranglijsten eigenlijk met de ziekenhuizen? Om deze vragen te beantwoorden, namen de onderzoekers in dit project drie ziekenhuizen onder de loep. Ze spraken met managers, dokters, verpleegkundigen en patiënten, voerden observaties uit en analyseerden documenten. Zij komen tot de conclusie dat de ranglijsten weinig zeggen over de feitelijke kwaliteit van de zorg. Meten lijkt weliswaar een objectieve aangelegenheid, maar gegevens moeten ook worden geïnterpreteerd. En dat doet het ene ziekenhuis anders dan het andere. Verder komen de onderzoekers tot de conclusie dat ranglijsten er vooral toe leiden dat ziekenhuizen (nog) centralistischer worden bestuurd: als een ziekenhuis slecht scoort, dwingen de bestuurders maatregelen af om de situatie te verbeteren. Kwaliteitsverbetering is echter meer gebaat bij een manier van besturen waarbij ook de werkvloer (artsen, verpleegkundigen) invloed hebben, aldus de onderzoekers.
De invloed van ranglijsten op zorgorganisaties (EUR)
-
Academische ziekenhuizen moeten keuzes maken in de specialistische (top)zorg die zij bieden. Die keuzes brengen forse investeringen met zich mee in hooggespecialiseerd personeel, geavanceerde apparatuur en andere voorzieningen. Het is dan ook belangrijk te weten welke kosten met het bieden van topzorg zijn gemoeid en door welke patiëntkarakteristieken deze kosten worden veroorzaakt. Om hierin inzicht te krijgen, had de onderzoeker het plan om de zorgvraag van 600 patiënten te meten in academische, topklinische ziekenhuizen. Maar dat lukte uiteindelijk alleen in het AMC; alle andere geselecteerde ziekenhuizen konden of wilden niet meewerken. Het onderzoek werd daarom afgeblazen. Het project won echter wel de Briljante Mislukkingen Award 2013. Enkele belangrijke lessen uit dit project: een looptijd van één jaar voor een dergelijk multicenter-onderzoek is te ambitieus; het is niet realistisch om medewerking van verpleegkundigen te vragen aan een onderzoek waarvan de resultaten voor hen niet van belang zijn; en het stellen van vragen over tijdsbesteding wekt - zeker in crisistijd - wantrouwen (men vermoedt dat er bezuinigingen worden voorbereid).
Tijd voor topzorg (AMC)
-
Patiëntenportalen kunnen zorgen voor meer betrokkenheid van patiënten bij hun zorgproces en een betere samenwerking tussen patiënt en zorgverlener. Er zijn veel individuele initiatieven om patiëntenportalen op te zetten, terwijl iedereen tegen vergelijkbare technische, maatschappelijke en juridische uitdagingen aanloopt. Dit onderzoek maakt duidelijk wat die uitdagingen concreet inhouden en hoe de initiatiefnemers ermee omgaan. Hiertoe vond literatuuronderzoek plaats, werden experts ondervraagd en werden cases bestudeerd. Het onderzoek wijst uit dat veel vraagstukken weliswaar per project opgelost moeten worden, maar dat er ook zaken zijn die op centraal niveau geregeld moeten worden. Denk aan het gebruik van standaarden en het creëren van duidelijkheid op juridisch gebied. Verder moet de samenwerking tussen het veld en de overheid verbeterd worden. Als praktisch resultaat heeft dit project 2 praatplaten opgeleverd die gebruikt kunnen worden bij de bezinning op regionale patiëntenportalen. Verder kunnen 4 uitgebreide casebeschrijvingen anderen tot voorbeeld en inspiratie dienen.
Actuele vragen rond regionale patiëntenportalen (EUR)
Erken de verschillen tussen beleidsmakers en onderzoekers
Commissievoorzitter Bert Boer en commissielid Jo Maes kijken terug op het ZonMw-programma Gezondheidszorgonderzoek. Een van hun conclusies: de werkwijze van ZonMw moet meer ruimte bieden aan het faciliteren van de interactie tussen onderzoekers en beleidsmakers.
Het ligt voor de hand: betrek beleidsmakers en de praktijk van begin af aan bij het opzetten van gezondheidszorgonderzoek. Op die manier is de kans het grootst dat de resultaten ook echt worden gebruikt. Interactie stond om die reden centraal in het programma Gezondheidszorgonderzoek dat ZonMw in de periode 2009 - 2014 uitvoerde. Maar wat op papier vanzelfsprekend leek, bleek in de praktijk moeilijk te realiseren. 'Dat was toch een onthutsende constatering', stelt programmavoorzitter Bert Boer. 'De eisen die we aan die interactie stelden, bleken bovendien soms verkeerd geïnterpreteerd. Interactie werd dan bijvoorbeeld in verband gebracht met de onderzoeksmethode die men zou moeten hanteren. Maar dat was niet wat we bedoelden. Een leerpunt voor ons: we hadden duidelijker moeten zijn.'
Het beleid wordt bepaald door de politiek, en die is per definitie onvoorspelbaar
Evidence-informed policy-making
De evaluatie van het programma laat zien hoe moeilijk het is om wetenschappelijk onderzoek op te zetten waarvan de uitkomsten bruikbaar zijn voor beleidsmakers. Boer: 'In een ideale wereld stoelt beleid op de uitkomsten van onderzoek. Maar dan ga je uit van een keurig lineair proces: er is eerst een strategie, waaruit vervolgens tactische en operationele maatregelen voortkomen. En om die goed te kunnen bepalen, doen we eerst onderzoek. Maar de werkelijkheid is veel grilliger. Het beleid wordt bepaald door de politiek, en die is per definitie onvoorspelbaar. Prioriteiten kunnen elk moment verschuiven. Ondertussen is ook de zorg volop in beweging en ook daar spelen belangen een grote rol.' Evidence-based policy-making is volgens Boer om die reden een utopie. Haalbaar is misschien evidence-informed policy-making; het beleid steunt dan weliswaar niet volledig op de resultaten van onderzoek, maar de uitkomsten hebben wel een rol gespeeld bij het maken van de afwegingen.
Kijk naar de overlap
Om te bereiken dat beleidsmakers ten minste rekening houden met de uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek, helpt het, aldus Boer, om de verschillende belangen die onderzoekers en beleidsmakers hebben expliciet te maken. 'Onderzoekers zijn van nature niet per se bezig om het beleid beter te maken. En beleidsmakers kunnen heel verschillende functies aan onderzoek toekennen. Soms heeft onderzoek een procesfunctie; het uitvoeren ervan zorgt voor meer draagvlak voor een bepaald thema of zet het thema op de agenda. Soms heeft het een opschuiffunctie; de politiek wil nog even geen beslissing nemen, onderzoek verleent haar hiertoe het alibi. Hoe verschillend je doelen en belangen ook zijn: wees er duidelijk over en kijk waar de overlap zit. Op die manier kun je toch tot zinvolle projecten komen.'
Onderzoekers zijn van nature niet per se bezig om het beleid beter te maken
Verschillende timeframes
Een ander hardnekkig probleem vormen de verschillende timeframes waarmee onderzoekers, beleidsmakers en de praktijk te maken hebben. Boer: 'Beleidsmakers kunnen vaak niet in abstracto aangeven aan welke kennis ze behoefte hebben. In de casuïstiek lukt het wel: de vragen gaan bijna altijd over concrete situaties. Met als nadeel: men moet iets kiezen, en wel nú. Gedegen informatie is er niet, maar de tijd om die via onderzoek boven water te krijgen, evenmin. Onderzoekers hebben echter hun tijd nodig, dat proces kun je nauwelijks versnellen zonder in te boeten op betrouwbaarheid of nauwkeurigheid.'
De innovatie kan in zo'n geval komen van de beleidskant. Boer: 'Je kunt bijvoorbeeld een voorwaardelijke beslissing nemen en die over pakweg 3 jaar herzien, gesteund door onderzoek. Maar je moet dan wel héél zeker weten dat het onderzoek precies die informatie oplevert waarvan je beslissing afhankelijk is. '
In gesprek gaan
Tot slot: wat kan ZonMw doen om interactieve kennisprogrammering verder te brengen? Boer: 'ZonMw zou zich primair moeten profileren als organisatie die kennis heeft van de relatie tussen onderzoek en beleid - en niet zozeer als organisatie die veel weet van de onderwerpen waar onderzoek over gaat. En dat zou ook tot uiting moeten komen in de procedures. Die moeten meer ruimte bieden aan het faciliteren van de interactie. Bijvoorbeeld door de commissie de mogelijkheid te geven het gesprek aan te gaan met onderzoekers en potentiële kennisgebruikers. Verder kan de aanvraag de eis bevatten dat deze wordt gesteund door een toekomstige kennisgebruiker. Een handtekening is niet voldoende: het moet duidelijk zijn waaruit die interactie heeft bestaan.'
Stip aan de horizon
Commissielid Jo Maes moet lang nadenken over de vraag of hij één GZO-project kan noemen waarbij de interactie echt goed uit de verf is gekomen en zegt dan: 'Nee, elk project dat ik zou noemen, zou ik daarmee te veel eer aan doen.'
De interactieve programmering van GZO noemt hij 'visionair'. 'Het is een opgave, maar tegelijk een stip aan de horizon. Er is nog een lange weg te gaan voordat we dit goed kunnen doen.' Maes zag niet alleen welke problemen onderzoekers ondervonden bij het vormgeven van de interactie; het viel hem ook op dat ze nauwelijks kozen voor de grote thema's. 'Waarom zijn er bijvoorbeeld geen voorstellen ingediend om de toegevoegde waarde van de Zorgverzekeringswet te onderzoeken?'
Voor Maes is duidelijk geworden dat interactieve kennisprogrammering vraagt om een andere manier om projectvoorstellen te beoordelen. 'Beoordelingscommissies zouden ook de taak moeten hebben om de interactie op gang te brengen. Dat vraagt om nieuw gereedschap; nieuwe gesprekstechnieken of online-middelen die bijvoorbeeld ook voor co-creatie worden ingezet. Dat is natuurlijk precair, want je wilt tegelijk dat onderzoekers autonoom blijven en dus niet te veel door beleidsmakers worden beïnvloed.'
Over de geïnterviewden
Dr. Bert Boer is bestuurder bij Zorginstituut Nederland. Daarnaast is hij bijzonder hoogleraar ‘Beleid en onderzoek voor het beheer van het basispakket zorg’ bij de Faculteit der Geneeskunde en Gezondheidswetenschappen aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Deze leerstoel is ingesteld door Zorginstituut Nederland.
Drs. Jo Maes is directeur van Huis voor de Zorg. Bij deze onafhankelijke organisatie kunnen zorgvragers uit Limburg terecht met vragen over zorgaanbieders en veranderingen in de zorg, regelgeving en klachten over de zorg. Daarnaast zet het Huis voor de zorg zich in voor kwaliteitsverbetering.
'Richt je op de nieuwe spelers'
Prof. dr. Niek Klazinga geldt als een internationale autoriteit op het gebied van gezondheidszorgonderzoek. Wat is volgens hem nodig om dit type onderzoek in Nederland verder te brengen?
De evaluatie van het programma Gezondheidszorgonderzoek laat zien hoe ver de werelden van onderzoek en beleid uit elkaar liggen. Is het wel doenlijk om die dicht bij elkaar te brengen?
'Dat is het zeker - en het is ook noodzakelijk. Als we besluiten nemen over therapieën en geneesmiddelen vinden we het volstrekt normaal dat we dit doen op basis van kennis over de werkzaamheid. Dan is het toch logisch dat we een zelfde werkwijze volgen als het gaat om de inrichting en de financiering van de gezondheidszorg. Het productief maken van de interactie tussen beleidsmakers en onderzoekers is echter verschrikkelijk weerbarstig.'
Wat vraagt dat van beleidsmakers?
'Allereerst moeten zij nagaan of hun beleidsvraag wel beantwoord moet worden aan de hand van wetenschappelijk onderzoek. Vaak is dat niet nodig en is eerder sprake van een informatievraag. Een korte literatuurstudie of een expertmeeting kan dan volstaan. Het tweede dat beleidsmakers zich moeten afvragen: kan ik mijn beleidsvraag wel vertalen in een onderzoeksvraag? Als er geen heldere vraag is, weet de onderzoeker niet wat hij moet onderzoeken. Vaak zie je dat er als gevolg van politieke besluitvorming vage, abstracte begrippen worden geconstrueerd. Integrale zorg bijvoorbeeld. Als je daar onderzoek naar wilt laten doen, zal eerst duidelijk moeten worden wat er precies mee wordt bedoeld. Dat lukt alleen als je met elkaar in gesprek gaat. Pas dan kom je tot een gezamenlijke conceptualisering van de werkelijkheid, waarbinnen vervolgens een zinvolle onderzoeksvraag geformuleerd kan worden. Vervolgens moet je in elke fase van het onderzoeksproces in die interactie investeren.'
Als er geen heldere vraag is, weet de onderzoeker niet wat hij moet onderzoeken
Wat kunnen onderzoekers doen om de interactie te bevorderen?
'Zij moeten zich meer bewust worden van de maatschappelijke inkadering waarbinnen hun onderzoek plaatsvindt. En dat is precies ook het doel van een scholingsmodule voor promovendi waarbij ik betrokken ben en die al weer een jaar of 8 loopt. Mensen komen een universiteit binnen, krijgen de vraag een promotieonderzoek te doen en gaan vol enthousiasme aan de slag. Ze staan vaak onvoldoende stil bij de vragen als: wie hebben er belang bij dit onderzoek? Waarom is er een instituut dat dit onderzoek wil financieren? Het helpt enorm als onderzoekers een meer maatschappelijke oriëntatie hebben en ook zelf de interactie zoeken met de opdrachtgever. En wel op het moment dat je nog gezamenlijk beelden kunt creëren, en niet als het onderzoek bijna is afgerond.'
Beleidsmakers werken in een politieke context. Hoe beïnvloedt die de interactie tussen onderzoekers en beleidsmakers?
'De huidige politiek is vooral gericht op resultaten die vandaag en morgen zichtbaar worden. Gezondheidszorgonderzoek vraagt echter om een langetermijnbenadering. Bij grote ingrepen, denk aan de recente overdracht van taken naar de gemeenten, wordt pas in een laat stadium bedacht dat het zinvol is om beleidsevaluaties te houden. Je bent dan vaak al te laat om de beginsituatie goed - ongekleurd - in beeld te brengen. Vaak worden algemene, politieke beelden gecreëerd over de positieve effecten van voorgenomen maatregelen, zonder dat het duidelijk is waar men precies op doelt.'
Het helpt enorm als onderzoekers een meer maatschappelijke oriëntatie hebben en ook zelf de interactie zoeken met de opdrachtgever
Hoe moet het wél?
'Bespreek op voorhand aan de hand van welke uitkomstmaten je gaat evalueren. Gaat het om kortere wachttijden? Een hogere patiënttevredenheid? Moeten de kosten naar beneden? De politiek moet helder aangeven wat de doelen zijn. Onderzoekers en beleidsmakers moeten die vervolgens zo goed mogelijk operationaliseren.'
'Overigens verandert er nu natuurlijk veel als gevolg van de stelselherziening. Daarmee verschuift ook de behoefte aan onderzoeksresultaten van de landelijke overheid naar de nieuwe financiers van de zorg, met name gemeenten en verzekeraars. Het ligt voor de hand dat de onderzoekswereld zich meer op deze nieuwe spelers gaat richten.'
Wat zijn voor u goede voorbeelden van gezondheidszorgonderzoek waarbij de interactie wel is geslaagd?
'In Nederland vind ik het DoelmatigheidsOnderzoek van ZonMw een goed voorbeeld. Dankzij dit onderzoek heeft de besluitvorming over nieuwe geneesmiddelen die in het verzekerd pakket worden opgenomen een betere basis gekregen in wetenschappelijk onderzoek. Kijkend naar het buitenland: in de Verenigde Staten zijn veel studies op een interactieve manier gehouden om de verzekeringsstelsels goed in te richten. En in Groot-Brittannië is veel onderzoek gedaan om de National Health Service te moderniseren. Ook op het gebied waarop ik zelf actief ben, het kiezen van prestatie-indicatoren, is men in Groot-Brittannië ver: er vinden regelmatig evaluaties plaats om te kijken of ze nog wel betrouwbaar en valide zijn.'
Nederland doet redelijk mee, maar de programmering is te versnipperd
Hoe doet Nederland het in internationaal verband?
'Nederland doet redelijk mee, maar de programmering is te versnipperd: er gebeurt veel op specifieke thema's, maar het programmeren van het hele wetenschapsgebied zorgonderzoek vindt nog te weinig plaats. Daar hebben we nog een flinke stap te maken.'
Reflecties op de programmering van ZonMw
6 aanbevelingen van Niek Klazinga
- Richt je niet alleen op de korte, maar ook op de lange termijn.
Alleen dan kun je het hele veld van gezondheidszorgonderzoek naar een hoger niveau brengen en ook beleidsvragen over de stelselinrichting goed beantwoorden. - Zorg voor een goede mix van kwantitatief en kwalitatief onderzoek.
Kwalitatief (explorerend) onderzoek is bijvoorbeeld zinvol om beter duidelijk te krijgen wat er precies onderzocht moet worden. - Optimaliseer de informatie-infrastructuur in de zorg.
De informatie-infrastructuur is nu sterk versnipperd en daardoor minder geschikt voor onderzoek. Gezondheidszorgonderzoek komt vooral van de grond in landen waar databases met elkaar verbonden zijn - Richt je op de nieuwe spelers, zoals de gemeenten en de zorgverzekeraars.
Peil hun informatiebehoefte en stem daarop je onderzoek af. - Verbeter de competenties van onderzoekers.
Zorg dat onderzoekers de context begrijpen waarbinnen hun onderzoek plaatsvindt. - Versterk de forumfunctie.
Naast grote landelijke spelers komen er steeds meer onderzoekers die hun diensten als zzp'er aanbieden. Voorkom verbrokkeling. Zorg ervoor dat er gezamenlijke opvattingen blijven over methoden en aanpak van gezondheidszorgonderzoek.
Profiel Niek Klazinga
Niek Klazinga is sinds 1999 hoogleraar Sociale Geneeskunde (AMC - Universiteit van Amster-dam). Hij studeerde geneeskunde in Groningen (1984) en promoveerde in 1996 aan de Erasmus Universiteit Rotterdam op kwaliteitszorg door medisch specialisten. Van 1985 tot 1999 was hij als senior onderzoeker en later directielid verbonden aan het kwaliteitsinstituut voor de gezondheidszorg CBO.
Van 2004 tot 2006 was hij als medisch directeur verbonden aan de GGD Amsterdam. Sinds 2007 is hij werkzaam als coördinator van het Health Care Quality Indicator-programma van de OECD in Parijs. Klazinga is tevens technical advisor van de WHO, visiting professor aan de Corvinus Universiteit in Budapest, lid van adviescommissies in Canada, Ierland en Groot-Brittannië, en lid van de Raad van Toezicht van de Isala Klinieken in Zwolle en ARKIN in Amsterdam.
ZonMw stimuleert gezondheidsonderzoek en zorginnovatie. ZonMw financiert gezondheidsonderzoek en stimuleert het gebruik van de ontwikkelde kennis - om daarmee de zorg en gezondheid te verbeteren. ZonMw heeft als hoofdopdrachtgevers het ministerie van VWS en NWO.
Colofon
Redactie: Wendy Reijmerink, Margriet de Jong
Eindredactie: Margriet de Jong,
Fotografie: Shutterstock, Frank Muller Zorg in Beeld
Tekst: Ton Smits, Saffraan Communicatie