Blog 5: Hoe is wetenschappelijk onderzoek georganiseerd?
Wetenschappers bij onder andere universiteiten, universitair medische centra en onderzoeksinstituten werken aan allerlei onderwerpen. Soms zelfs aan vergelijkbare onderwerpen. Onderzoekers die werken binnen het ZonMw ME/CVS programma zie je soms ook publiceren over Post-COVID, auto-immuunziekten (zoals reumatoïde artritis) of andere aandoeningen.
Dat roept misschien de vraag op: als een onderzoeker zich bezighoudt met ME/CVS, waarom doet diegene dan ook onderzoek naar andere ziekten? Om dat te begrijpen is het handig om te weten hoe wetenschappelijk onderzoek is georganiseerd.
Vakgroepen
Onderzoekers aan universiteiten, UMC's en onderzoeksinstituten werken meestal in een vakgroep. Een vakgroep is een groep onderzoekers die zich richt op een bepaald onderwerp of onderzoeksgebied. Naast onderzoek verzorgen vakgroepen vaak ook onderwijs voor studenten. Een vakgroep wordt meestal geleid door een hoogleraar, ook wel professor genoemd. Daarnaast werken er vaak (assistent-)PI's (Principal Investigators; hoofdonderzoekers), promovendi en postdocs. Promovendi zijn onderzoekers in opleiding. Postdocs zijn onderzoekers die recent zijn gepromoveerd en verdere onderzoekservaring opdoen. Samen bepalen zij welke onderzoeksvragen worden onderzocht en welke nieuwe projecten worden opgezet.
De focus van een vakgroep kan bijvoorbeeld liggen op het immuunsysteem, hersenfuncties, energiestofwisseling of een bepaald biologisch mechanisme. Sommige vakgroepen richten zich daarnaast specifiek op één of enkele ziekten. In de loop van de jaren bouwt een vakgroep veel kennis op over dat onderwerp en publiceren onderzoekers daar regelmatig over.
Promovendi leren het vak
Een belangrijk deel van het onderzoek aan universiteiten en UMC's wordt uitgevoerd door promovendi, onder begeleiding van ervaren onderzoekers. Promovendi zijn onderzoekers in opleiding die, na het behalen van een master, werken aan een promotieonderzoek. Dat is een traject dat meestal ongeveer 4 jaar duurt. Tijdens die periode leren zij hoe wetenschappelijk onderzoek wordt opgezet, uitgevoerd en geanalyseerd. Ze volgen opleidingen, leren onderzoeksvaardigheden en werken aan een wetenschappelijk vraagstuk. Hun bevindingen worden vastgelegd in artikelen die worden gebundeld in een zogenoemd proefschrift. Aan het einde van het promotietraject verdedigt de promovendus het proefschrift. Tijdens de verdediging licht de promovendus het onderzoek toe en beantwoordt vragen van de promotiecommissie. Deze commissie bestaat meestal uit experts op het betreffende onderzoeksgebied. Na een succesvolle verdediging ontvangt de promovendus de titel doctor (dr.).
Wie doet het onderzoek?
Binnen een vakgroep werken vaak meerdere onderzoekers samen aan verschillende projecten. Het dagelijkse onderzoekswerk wordt meestal uitgevoerd door promovendi en postdocs. Promovendi richten zich doorgaans op één onderzoeksproject. Zij worden begeleid door ervaren onderzoekers, zoals (assistent-)PI's en vaak ook postdocs. Deze begeleiders zijn meestal betrokken bij meerdere onderzoeken tegelijk. Postdocs voeren vaak hun eigen onderzoeksprojecten uit en helpen daarnaast bij de begeleiding van promovendi.
Een vakgroep bouwt kennis op
Onderzoek gebeurt zelden op zichzelf. Vakgroepen bouwen vaak jarenlang kennis op rond een bepaald thema. Nieuwe onderzoeken sluiten aan op eerder werk, waardoor de kennis stap voor stap verder groeit. Een vakgroep die veel weet over het immuunsysteem kan die kennis bijvoorbeeld inzetten voor onderzoek naar verschillende ziekten waarbij het immuunsysteem een rol speelt. Daardoor kan dezelfde onderzoeksgroep tegelijk onderzoek doen naar ME/CVS, Post-COVID en andere aandoeningen. Onderzoekers werken daarbij ook samen met collega's uit andere landen. Door kennis en resultaten uit te wisselen groeit het wetenschappelijke inzicht steeds verder.
Onderzoek kost geld
Onderzoek uitvoeren kost geld. Er zijn onderzoekers nodig, maar ook laboratoria, apparatuur, software en ondersteuning. Een deel van de onderzoekers wordt betaald door de universiteit of het UMC. Toch is voor de meeste onderzoeksprojecten extra financiering nodig.
Waar komt het geld vandaan?
Onderzoek wordt betaald uit verschillende bronnen. Vaak wordt daarbij gesproken over 3 zogenaamde geldstromen.
Eerste geldstroom
De eerste geldstroom bestaat uit geld dat universiteiten ontvangen van de overheid. Dit geld wordt gebruikt voor onderwijs, salarissen, infrastructuur en een deel van het onderzoek. Daardoor blijft er relatief weinig ruimte over voor nieuwe, grote onderzoeksprojecten.
Tweede geldstroom
De tweede geldstroom bestaat uit subsidies van organisaties zoals ZonMw, NWO en de Europese Unie. Onderzoekers dienen hiervoor een onderzoeksvoorstel in. Na beoordeling ontvangen alleen de best beoordeelde voorstellen financiering. Het ZonMw ME/CVS programma is een voorbeeld van zo'n subsidieprogramma. Veel biomedisch onderzoek wordt op deze manier betaald.
Derde geldstroom
De derde geldstroom komt van andere organisaties, zoals bedrijven, gezondheidsfondsen of particuliere initiatieven. Ook hierbij zijn vaak voorwaarden verbonden aan het onderzoek dat zij ondersteunen.
Waarom publiceren onderzoekers over meerdere onderwerpen?
Onderzoeken duren meestal enkele jaren. Daarom ontwikkelen onderzoekers voortdurend nieuwe onderzoeksvoorstellen en vragen zij financiering aan voor vervolgonderzoek. Binnen een vakgroep lopen daardoor vaak meerdere projecten tegelijk. Die richten zich meestal op hetzelfde wetenschappelijke thema, zoals het immuunsysteem of de energiestofwisseling, maar kunnen verschillende aandoeningen onderzoeken, zoals ME/CVS, Post-COVID of auto-immuunziekten. (Assistent-)PI's begeleiden vaak meerdere projecten tegelijk en publiceren daarom ook over verschillende aandoeningen.
Dat is juist een kracht van deze manier van werken. Hoewel ziekten van elkaar verschillen, kunnen de onderliggende biologische mechanismen, onderzoeksvragen en onderzoeksmethoden sterk op elkaar lijken. Doordat onderzoekers hun expertise bundelen binnen een vakgroep, kunnen kennis, technieken en ideeën sneller worden toegepast in verschillende onderzoeksgebieden.
Wanneer bijvoorbeeld bij Post-COVID een veelbelovende biomarker of een mogelijk aangrijpingspunt voor een behandeling wordt ontdekt, kan vervolgens worden onderzocht of deze ook relevant is voor ME/CVS. Andersom kunnen inzichten uit ME/CVS onderzoek weer bijdragen aan onderzoek naar andere aandoeningen. Op die manier versterken onderzoeken naar vergelijkbare aandoeningen elkaar en levert de kennis die binnen één vakgroep wordt opgebouwd vaak een bredere wetenschappelijke opbrengst op.
Wanneer je dus ziet dat onderzoekers publiceren over verschillende aandoeningen, betekent dat meestal niet dat zij zich minder specialiseren. Integendeel: onderzoekers bouwen juist diepgaande expertise op rond een bepaald biologisch mechanisme of onderzoeksgebied en passen die kennis vervolgens toe op verschillende aandoeningen waarbij dat mechanisme mogelijk een rol speelt.
Dit blog is een onderdeel van een blogreeks. Hierin nemen wij, de communicatie en implementatiewerkgroep van het ZonMw-onderzoeksprogramma ME/CVS, je stap voor stap mee in de wereld van wetenschap. De reeks is bedoeld voor mensen met ME/CVS, hun naasten en iedereen met interesse in ME/CVS. We leggen uit wat wetenschappelijk onderzoek is, hoe het werkt en welke rol het speelt bij het begrijpen van deze ziekte. Eerdere blogs uit deze reeks vind je hier.
Deze blog is geschreven door Inge van Putten en Sebastiaan Stam en is tot stand gekomen door een samenwerking tussen de volgende partijen vanuit het onderzoeksprogramma ME/CVS:
- ME/cvs Vereniging
- MECVS Nederland
- MECFS Lines consortium
- NMCB-consortium
- ZonMw