Afrekenen met gaten in de behandeling
Het ZonMw-programma Op één lijn heeft tot doel samenwerking in de eerstelijnszorg te stimuleren. De ideale organisatievorm is niet gevonden. Maar wel levensvatbare modellen voor gezamenlijke zorgverlening, zoals een virtueel gezondheidscentrum.
‘Het beste model voor de eerste lijn bestaat niet’, concludeert Wil van den Bosch, emeritus hoogleraar huisartsgeneeskunde en lid van de commissie die Op één lijn heeft begeleid. Met dit in 2009 gestarte programma wilde ZonMw verkennen hoe de eerstelijnszorg zich kan voorbereiden op een groeiende vraag naar zorg, die bij voorkeur dichtbij huis geleverd wordt. Samenwerken is het devies. Maar dat is lastig voor de eerste lijn, die vooral uit kleinere werkeenheden bestaat.
Elke situatie is anders
Het programma loopt inmiddels tegen het einde. ‘Het is moeilijk een alomvattende conclusie te trekken’, zegt Van den Bosch. ‘Wat we wel weten is dat er een omslag in het denken moet komen. We moeten uitgaan van netwerkdenken in plaats van in organisatiedenken. Het gaat erom dat je als eerste lijn weet met welke zorgverleners en instellingen je het beste kunt samenwerken. De hoogleraar geeft toe dat het wat vaag klinkt. Maar dat er niet één succesmodel is, komt doordat elke situatie anders is. Een grote stad als Rotterdam, waar in een buurt meerdere thuiszorginstellingen en huisartsenpraktijken actief zijn, verschilt compleet van een dorpje op de Veluwe. Het wordt nóg ingewikkelder als de eerste en tweede lijn, welzijn en gemeenten moeten samenwerken.
Huisarts heeft spilfunctie
Duidelijk is wel de centrale rol van de huisarts. Van den Bosch: ‘Huisartsen hebben een spilfunctie omdat zij de dossiers van de patiënten hebben. Zij moeten weten hoe belangrijk zij zijn. Toch moeten huisartsen tegelijk bescheiden zijn en bereid van hun troon af te komen. Huisartsen denken in diagnoses, veel andere eerstelijnswerkers in functies. Een gemeente wil bijvoorbeeld niet zozeer weten hoeveel personen artrose hebben, maar hoeveel er niet meer de trap op kunnen. De huisarts zal zijn systemen moeten koppelen met anderen die zich meer richten op de functies van patiënten.’
Paramedici nemen voortouw
Het is niet altijd de huisarts die zich inspant om het netwerk te ontwikkelen, aldus Van den Bosch. Op het Noord-Limburgse platteland hebben een logopedist, fysiotherapeut en ergotherapeut een compleet virtueel gezondheidscentrum opgezet: het Multidisciplinair Samenwerkingsmodel Maasgouw (MSM). ‘We wilden dat de zorg beter zou zijn afgestemd op patiënten zonder dat het veel reistijd zou vergen’, zegt logopediste Adi Kessels-de Beer, een van de initiatiefnemers. Als zij naar een multidisciplinair overleg over een patiënt moet, is ze vaak al een half uur kwijt om er te komen. ‘Als dan pas na anderhalf uur mijn 2 patiënten worden besproken, is dat niet heel efficiënt.’
‘Eigenlijk is er geen afgebakende eerste lijn meer’
Ook de zorg voor patiënten die meerdere zorgverleners hebben, kan veel beter. Regelmatig zijn er doublures omdat de verschillende disciplines niet van elkaar weten wat ze precies bij een patiënt behandelen. Nog erger is het risico dat er gaten in de behandeling vallen. ‘Er gaan absoluut dingen vergeten worden, omdat een zorgverlener denkt dat een ander het al doet.’ Een hele reeks disciplines is bij MSM aangesloten: huisartsen, neuroloog, Parkinson-verpleegkundige, fysiotherapie, oefentherapie, podotherapie, ergotherapie, oedeemtherapie, logopedie, wijkverpleging, psychologie en diëtetiek. Alleen verloskunde en de apotheek werken er nog niet mee.
Vergaderen via beeldcontact
Het MSM-model richt zich vooral op de functies, activiteiten, participatie en omstandigheden. Een vragenlijst met 36 items levert een A4’tje op met antwoorden die duidelijk maken wat iemand wel en niet kan, of er een partner is die hulp kan bieden en of een patiënt gemotiveerd is voor de behandeling. Dit A4’tje vormt de basis voor het elektronisch zorgdossier. Toegang daartoe is alleen mogelijk als de patiënt toestemming geeft. Het geeft zowel zorgverleners als de patiënt inzicht in de complete zorgsituatie. Met een paar klikjes kunnen zorgverleners met elkaar en met de patiënt communiceren en via beeldcontact vergaderen in een beveiligde verbinding.
Zorgdossier als centraal punt
MSM draait sinds 2013 en bevat de dossiers van ruim 100 cliënten. Het systeem is tot stand gekomen met subsidies van ZonMw, Robuust en de provincie Limburg. ZonMw heeft een tweede subsidie (Verspreidings- en Implementatie Impuls) toegekend om het concept verder te ontwikkelen. ‘We zouden graag willen dat de huisarts de centrale rol overneemt, maar MSM sluit nu niet geheel aan op hun systeem. Zij moeten bijvoorbeeld dubbel invoeren. Het kon niet anders: je moet eerst iets ontwikkelen, dan pas kun je aansluiten. Bovendien zijn er wel iets van 11 huisartsensystemen, welke hadden we als uitgangspunt moeten nemen?’ zegt Kessels. Toch hoopt ze dat huisartsen de spil worden, want zij hebben het gehele overzicht over de patiënt en betrokken zorgverleners. ‘Als de huisarts actief bij MSM wordt betrokken, wordt het een groot succes’, aldus Kessels. Ze denkt dat het model ook een uitkomst kan zijn voor de tweede lijn en gemeenten. ‘Eigenlijk is er geen afgebakende eerste lijn meer. Alle lijnen gaan door elkaar lopen. Met het zorgdossier als centraal punt.’
Initiatief tot samenwerken
MSM sluit aan bij de netwerkgedachte die hoogleraar Van den Bosch propageert. Hij ziet wel obstakels. ‘De ellende is dat veel ziektekostenverzekeraars, de marktwerking en concurrentie het samenwerken niet bevorderen.’ Ook heeft hij nog een advies voor de huisartsen. ‘Ze vinden het lastig als anderen het initiatief tot samenwerken nemen. Maar ze zullen zich nog meer moeten gaan opstellen als teamleden.’
Tekst: Tjitske Lingsma
Foto: Zorg in Beeld - Frank Muller