Verslagen

Eindverslag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Er zijn signalen dat de kwaliteit van de palliatieve huisartsen spoedzorg in de avond-, nacht- en weekenduren (ANW)achterblijft.

 

Wij deden literatuuronderzoek en onderzochten ervaringen patiënten, mantelzorgers en professionals betreffende de palliatieve huisartsen spoedzorg in de ANW. Ook gingen op zoek naar "best practices".

 

?Conclusie en aanbevelingen

Veel HAPs hebben werkafspraken over palliatieve zorg en over informatieoverdracht. Er is een grote bereidheid van huisartsen en triagisten om zich in te zetten voor palliatieve patiënten. Veel HAPs hebben een procedures omtrent de informatieoverdracht, waar men meestal tevreden mee is. De meeste huisartsen doen in ANW-uren zelf de zorg voor hun eigen palliatieve patiënten, eventueel in samenwerking met de HAP en slechts een klein deel draagt de zorg volledig over aan een collega of aan de HAP. De voornaamste problemen met betrekking tot de palliatieve zorg in ANW-uren betreffen: informatieoverdracht (beperkt in aantal, niet up-to-date), beperkte aanwezigheid van advance care planning afspraken, beperkte proactieve zorgplanning (als onderdeel informatieoverdracht), continuïteit in persoon van de eigen huisarts en de deskundigheid van de huisarts. Verder worden palliatieve consultatiemogelijkheden mogelijk onvoldoende benut, worden palliatieve patiënten te laat of niet geïdentificeerd en is de samenwerking met verpleeghuizen (opnames) niet naar tevredenheid.

Gewenste ontwikkelingen liggen op het gebied van: het vereenvoudigen van de informatieoverdracht (elektronisch), het vergroten van de opt-in van patiënten, meer tijd bij visites vanuit de HAP, meer taakdelegatie naar de thuiszorg, een grotere inzet van vrijwilligers in de palliatieve en terminale thuiszorg, feedback naar huisartsen m.b.t. de geleverde overdracht en grotere betrokkenheid van palliatieve teams.

Met betrekking tot de goede voorbeelden willen we met name de PaTz-groepen en casemanagers noemen.

 

De volgende aanbevelingen volgen uit bovenstaande conclusies:

1. Op patiëntniveau: maximalisatie van het aantal patiënten dat 'opt-in' verleent, teneinde zoveel mogelijk zorgdossiers inzichtelijk te hebben op de HAP. Mogelijk zou dit middels een campagne kunnen.

2. Op huisartsenniveau:

− vergroten van het aantal huisartsen dat deelneemt aan PaTz-groepen. Hiermee wordt beoogd:

o een vroegere identificatie van patiënten

o meer continuïteit in de zorgverlening

o het vaker aanwezig zijn van proactieve zorgplanning afspraken

o het vaker op de gewenste plaats overlijden

o minder ongewenste opnames

o een betere samenwerking tussen professionals

In regio Utrecht krijgen huisartsen voor hun deelname aan een PaTz-groep een vergoeding vanuit de zorgverzekeraar. Dit zou voor meer huisartsen mede een stimulans kunnen zijn om deel te gaan nemen aan een PaTz-groep.

− vergroting van het nascholingsaanbod palliatieve zorg voor huisartsen

− bekendheid van bestaande apps (o.a. Palliarts (zie literatuuroverzicht)), richtlijnen Pallialine en de consultatiediensten (IKNL/Ziekenhuizen) vergroten.

− vergroting van de inzet van de Vrijlligers Palliatieve Terminale Zorg

− het stimuleren van huisartsen een zo groot mogelijke continuïteit van zorg in persoon te bieden

− het stimuleren van huisartsen om van zoveel mogelijk palliatieve patiënten een volledige overdracht te doen en deze up-to-date te houden

− het vaker betrekken van palliatieve teams van ziekenhuizen bij thuis verblijvende patiënten

3. Op HAP-niveau:

− vergroten van het aantal HAPs met een protocol/werkafspraak palliatieve zorg.

− ontwikkeling van een feedbacksysteem voor huisartsen op het gebied van de informatieoverdracht en het regelmatig updaten van de informatieoverdracht

− (waarnemende) huisartsen scholen op het gebied van de palliatieve zorg

− stimuleren van de telefonische bereikbaarheid van de eigen huisarts

− vergroten van de rol van de regiearts

4. Op ICT-niveau:

− het maken en versturen van een digitaal memo maken dient eenvoudiger en sneller (qua geïnvesteerde tijd) te gaan

− voor alle systemen de koppelingen en inzage in het dossier vergemakkelijken

− inzage in het dossier voor alle betrokken disciplines organiseren

5. IKNL: consultatiegraad voor Nederland dekkend maken

6. Verpleeghuizen: verbeteren van de samenwerking (met name op het gebied van opnames)

7. Inzet eerstelijns verblijven exploreren

8. Bij de opzet en implementatie van verbeterinitiatieven rekenschap te nemen van de belemmerende en bevorderende factoren in de palliatieve zorg (Hoofdstuk 1)

9. Bij de opzet en implementatie van verbeterinitiatieven patiënten(-vertegenwoordigers) betrekken

 

Resultaten
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Hfst 2: vragenlijstonderzoek bij 70 huisartsenposten(HAPs).

 

65% van de HAPs heeft werkafspraken over palliatieve zorg.

94% van de HAP's heeft afspraken over informatieoverdracht en 62% is hierover tevreden. De bereidwilligheid en de inzet van huisartsen en triagisten wordt als sterk ervaren.

Knelpunten zijn:

- tijdrovende ingewikkeld en te laag aantal overdrachten,

- wisselende deskundigheid bij huisartsen,

- weinig consulteren van- en matige beschikbaarheid palliatief adviesteam.

- Samenwerken met verpleeghuis: rapportcijfer van 5,5.

Wensen zijn efficiëntere en frequentere informatieoverdracht, meer onderwijs in palliatieve zorg en aandacht voor een proactief beleid. Van de respondenten noemde 36% een palliatieve dienst van huisartsen experts als wenselijk (bijvoorbeeld kaderhuisartsen).

 

Hfst 3: vragenlijstonderzoek bij 1772 huisartsen.

De meeste huisartsen zijn zelf beschikbaar voor hun eigen patiënten (61%) in ANW-uren en een klein deel draagt de zorg volledig over aan de HAP (12%). Een tussenvorm is dat de eigen huisarts alleen beschikbaar voor telefonisch overleg (27%).

Het merendeel (77%) vindt dat persoonlijke beschikbaarheid van de huisarts betere kwaliteit van zorg geeft. Knelpunten in de ANW zijn tijdsdruk (17,3%) en organiseren van een opname (8%). Onbekendheid met de patiënt (54%) en onduidelijke afspraken omtrent beleid (37%) worden ook als knelpunt ervaren.

Slechts 6% van de huisartsen consulteert een palliatief adviesteam in de ANW en de meeste huisartsen vinden dat ze zelf genoeg kennis hebben (68%) of vragen een collega om hulp (24%).

De samenwerking met wijkverpleegkundigen (7,8), hospices (7,7) en thuiszorgorganisaties (7,6) scoort goed en met verpleeghuizen scoort minder (6,1).

De meeste huisartsen (67%) wil een geïntegreerd overdrachtsformulier in het digitale registratiesysteem.

 

Hfdst 4: Twee focusgroepen huisartsen en palliatieve zorgexperts:

- huisartsen doen bij voorkeur de palliatieve en terminale zorg in de ANW zelf en en moeten telefonisch bereikbaar zijn als zij de zorg aan de huisartsenpost uitbesteden

- een digitaal dossier voor alle hulpverleners, inclusief een proactief zorgplan;

- HAP's afspraken moet maken over het up-to-date houden van memo’s;

- HAP's regie-artsen vaker moeten inzetten voor palliatieve patiënten;

- Patiënten vaker toestemming vragen voor dossierinzage (opt-in)

-huisartsen zich goed moeten scholen en als dit tekort schiet vaker een consultatieteam consulteren;

- huisartsen vaker een beroep moeten doen op vrijwilligers palliatieve en terminale zorg;

- Er meer autonomie en continuïteit van de thuiszorg dient te komen;

- Er extra aandacht moet zijn voor ontslagen op vrijdag en meer afstemming moet zijn tussen de specialist en huisarts;

- Apotheken moeten in ANW-uren beter voorzien in medicatie en hulpmiddelen (zoals pompen).

 

Hoofdstuk 5 beschrijft ervaringen van 15 mantelzorgers.

Zij zijn zeer tevreden over de geleverde zorg door de eigen huisarts in ANW-uren. Huisartsen die de palliatieve zorg in ANW-uren zelf doen, zijn volgens hen als ‘goed voorbeelden’.

 

Hoofdstuk 6 beschrijft vragenlijstonderzoek bij medisch specialisten (n=29) en verpleegkundigen (n=252). Medisch specialisten ervaren als knelpunten:

- Uitwisseling van advance care planning afspraken,

- variatie in deskundigheid van huisartsen,

- moeizaam ontslag van patiënten van 2e naar 1e lijn,

- de beschikbaarheid van huisartsen in ANW-uren.

- onterechte verwijzingen en opnames van palliatieve patiënten

 

Gewenste ontwikkelingen zijn:

- meer afstemming tussen huisarts en specialist, een geïntegreerd medisch dossier (met standaard elektronische overdracht) inzichtelijk voor alle disciplines, een grotere betrokkenheid van palliatieve teams in ziekenhuizen bij thuis verblijvende patiënten, de inzet van een casemanager en een betere bereikbaarheid en meer scholing van huisartsen.

 

Verpleegkundigen ervaren knelpunten bij informatieoverdracht (m.n. medicatie), variatie in deskundigheid van huisartsen, onvoldoende beschikbare advance care planning afspraken en een beperkte beschikbaarheid van huisartsen in ANW-uren.

Gewenste ontwikkelingen zijn: een geïntegreerd medisch dossier en een toename van betrokkenheid van palliatieve teams in ziekenhuizen bij thuis verblijvende patiënten, meer taakdelegatie en meer zorgmogelijkheden thuis.

 

Hoofdstuk 7 beschrijft uitkomsten van vragenlijst onder 144 vrijwilligers in de palliatieve en terminale zorg.

Zij geven de samenwerking met de eigen huisarts een hoger rapportcijfer (7,4) dan de samenwerking met de huisarts van de huisartsenpost (6,7) en bij beide groepen werden weinig knelpunten ervaren.

De betrokkenheid van de eigen huisarts noemen de vrijwilligers vaak een pluspunt. Als knelpunt ervaren vrijwilligers dat ze (te) laat of niet worden ingeschakeld.

 

Voortgangsverslag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

De palliatieve zorg door huisartsen in de avond, nacht en weekend (palliatieve spoedzorg ANW) verloopt nog niet optimaal. Wel zijn er regionale verbeterinitiatieven, die mogelijk als "best practices" kunnen dienen voor de rest van Nederland.

 

In dit onderzoek inventariseren we sterke- en voor verbetering vatbare onderdelen van de palliatieve spoedzorg. Met de resultaten willen we samen met het NHG implementatiemateriaal ontwikkelen t.b.v. verbetering van de palliatieve spoedzorg door huisartsen.

 

In het eerste jaar van het onderzoek (2016) hebben we een groot deel van het multimethoden onderzoek afgerond en beschreven in deelrapporten:

•literatuuronderzoek

•focusgroepen met palliatieve zorg experts en huisartsen

•vragenlijst onder alle huisartsenposten in Nederland

•vragenlijst onder alle huisartsen van 10 huisartsenpostregio’s

 

Momenteel worden telefonische interviews met circa 15 mantelzorgers gehouden en is een vragenlijst uitgezet onder professionals van overige disciplines (specialisten, verpleegkundigen en vrijwilligers). De professionals worden geworven via alle Netwerken Palliatieve zorg in Nederland.

Resultaten
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

1) Literatuuronderzoek

 

Over palliatieve spoedzorg in Nederland is met name (wetenschappelijke) informatie beschikbaar met betrekking tot knelpunten. Het betreft meestal aspecten van de palliatieve zorg die in de huisartsenpraktijk onvoldoende zijn uitgewerkt, waardoor er in de ANW-uren problemen ontstaan. Dit geldt voor: informatieoverdracht, pro-actief zorgplan, afspraken rondom levenseinde en consultatie van palliatieve teams. Daarnaast worden patiënten nog te laat geïdentificeerd als palliatief. Specifiek voor de ANW-uren is een beperkte continuïteit in persoon en onvolkomenheden in de informatieoverdracht.

Er zijn ook goede voorbeelden gevonden in binnen- en buitenland, meestal betreft het verbeteringen in de zorg die niet primair gericht zijn op de ANW-uren, maar wel daarop doorwerken. Ter ondersteuning van zorgverleners in de palliatieve zorg hebben NHG, CBO, KNMG, KWF en InEen richtlijnen opgesteld.

 

 

2) Focusgroepen met palliatieve zorg experts en huisartsen

 

Huisartsen doen bij voorkeur de palliatieve en terminale zorg zelf en zijn, als zij de zorg aan de huisartsenpost uitbesteden, wel telefonisch bereikbaar. De huisartsenpost is meer voor “brandjes blussen” en niet voor het opstellen van palliatief beleid of afspraken rondom het levenseinde.

Informatie over de patiënt dient bij alle zorgverleners aanwezig en up-to-date te zijn, inclusief een pro-actief zorgplan en wensen van de patiënt. Dit is nu niet altijd het geval. De eigen huisarts is hiervoor verantwoordelijk; de huisartsenpost kan hierin wel faciliteren. Patiënten kunnen hierin ook hun medeverantwoordelijkheid nemen door toestemming voor inzage in het eigen dossier (opt-in).

 

Andere aandachtspunten:

•Ontslag uit het ziekenhuis op vrijdag (hoofdbehandelaar?)

•Drempel voor raadplegen consultatieteam IKNL

•Vaardigheden huisartsen op het gebied van technische hulpmiddelen (medicatiepompen)

•Zorg voor migranten

•Tijd bij HAP visites

•Rol van de regie-arts op de huisartsenpost

•Autonomie en continuïteit thuiszorg

•Beschikbaarheid apotheken tijdens ANW

•Onbekendheid met vrijwilligers

 

Tijdens de focusgroepen zijn verschillende best-practices genoemd. De deelnemers gaven aan dat initiatieven vaak op lokaal niveau blijven steken, maar juist landelijk geïmplementeerd zouden moeten worden.

 

 

3) Vragenlijstonderzoek huisartsenposten

 

De meeste huisartsenposten (65%) hebben protocollen of werkafspraken betreffende palliatieve zorg. Bijna alle huisartsenposten (94%) hebben afspraken rondom informatieoverdracht; 62% is tevreden met deze afspraken. Sterke punten zijn de bereidwilligheid van huisartsen en triagisten om zich in te zetten voor goede palliatieve zorg en het format van de meeste overdrachtsformulieren. Knelpunten m.b.t. de informatieoverdracht zijn de manier van overdragen (tijdrovend, ingewikkeld) en het aantal overdrachten. Andere knelpunten zijn het wisselende niveau en onvoldoende kennis en deskundigheid bij huisartsen, het consulteren van een palliatief adviesteam en het samenwerken met verpleeghuizen. De gewenste ontwikkelingen zijn met name het vereenvoudigen van informatieoverdracht, gericht onderwijs over palliatieve zorg aan huisartsen en aandacht voor een proactief beleid van de eigen huisarts overdag. Een andere veel genoemde gewenste ontwikkeling is een palliatieve consultatiedienst van huisartsen-experts, maar er zijn ook posten waar onvoldoende draagvlak voor zo’n dienst bestaat.

 

 

4) Vragenlijstonderzoek onder huisartsen

 

De meeste huisartsen zijn zelf beschikbaar voor hun eigen palliatieve patiënten in ANW-uren (61%); een klein deel draagt de zorg volledig over aan een collega (8%) of de huisartsenpost (12%). Circa 47% denkt dat volledige overdracht van zorg aan de huisartsenpost de komende jaren zal toenemen. Het merendeel (77%) vindt dat persoonlijke beschikbaarheid van de huisarts betere kwaliteit van zorg geeft. Knelpunten die het meest worden ervaren bij palliatieve zorg in de ANW uren zijn tijdsdruk (17%) en het organiseren van een opname (8%). Onbekendheid met de patiënt (54%) en onduidelijke afspraken omtrent beleid (37%) zijn vooral knelpunten tijdens een dienst voor de huisartsenpost. In de overdracht van de eigen huisarts naar de huisartsenpost wordt informatie over het beleid van de eigen huisarts als belangrijkste item gezien (98%), maar dit item ontbreekt regelmatig.

Een klein deel (6%) consulteert de palliatieve adviesteams; de meeste huisartsen vinden dat ze zelf genoeg kennis hebben of vragen een collega om hulp. De samenwerking met wijkverpleegkundigen, hospices en thuiszorgorganisaties scoort goed. Samenwerking met verpleeghuizen scoort minder goed. Gewenste ontwikkelingen bestaan voornamelijk op ICT gebied; 67% van de huisartsen zou graag een standaard overdrachtsformulier geïntegreerd zien in de digitale registratiesystemen. Bijna alle huisartsen (80%) zouden graag feedback willen ontvangen wanneer hun overdracht te wensen overlaat en 77% vindt dat een huisarts hierop aangesproken moet worden.

Samenvatting van de aanvraag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Achtergrond

Ondanks pogingen om de palliatieve huisartsen spoedzorg in de avond nacht en weekend (ANW) te verbeteren, zijn er signalen dat de kwaliteit toch achterblijft. Het is echter onbekend of dit door patiënten, mantelzorgers en professionals ook zo wordt beleefd en of er regionale palliatieve spoedzorg "best practices" zijn waarvan geleerd kan worden.

 

Doel

• Inventariseren van sterke- en voor verbetering vatbare onderdelen van de palliatieve spoedzorg in de avond nacht en weekend (ANW)

• Optimale participatie van mantelzorgers en patiënten in palliatieve spoedzorg

• Opsporen van best practices voor palliatieve spoedzorg

• Ontwikkelen van implementatiematerialen t.b.v. verbetering van palliatieve spoedzorg

 

Methode

• Fase 1: Inventariserend multimethoden onderzoek: (literatuuronderzoek, interviews palliatieve zorg experts, vragenlijsten, focusgroep bijeenkomsten),

• Fase 2: Ontwikkeling van landelijke handreiking en implementatieplan.

• Fase 3: Implementatie van onderwijsmaterialen door NHG. Deze fase bouwt voort op de uitkomsten en verkregen materiaal uit fase 1 en 2.

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: NavigatieDirect naar: Onderkant website