Verslagen

Eindverslag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Van augustus 2009 tot juni 2013 is het onderzoeksproject ‘Vermindering van beperkingen in activiteiten bij thuiswonende kwetsbare ouderen: een gerandomiseerd onderzoek’ uitgevoerd. Het doel was het evalueren van het programma ‘Zorg uit Voorzorg’ (ZuV). ZuV is een proactieve eerstelijns interventie voor thuiswonende kwetsbare ouderen, bestaande uit 6 stappen waaronder een screening, multidimensioneel assessment en interdisciplinaire zorg gebaseerd op een op maat gesneden zorgplan met regelmatige evaluatie en follow-up.

De primaire uitkomstmaat was het verminderen van beperkingen in activiteiten. Daarnaast zijn verscheidene secundaire uitkomstmaten vastgesteld bij zowel de ouderen als de centrale mantelzorgers. Voor de studie zijn twaalf huisartsenpraktijken in de regio Westelijke Mijnstreek (Limburg) op praktijkniveau gerandomiseerd. Zes praktijken hebben de interventie ZuV toegepast, terwijl zes andere praktijken reguliere zorg boden aan hun patiënten. De evaluatie betrof: 1) de uitvoerbaarheid van ZuV 2) de effecten op de genoemde primaire en secundaire uitkomsten en 3) het gebruik van zorg en gerelateerde kosten.

In december 2009 is gestart met de werving van ouderen voor het onderzoek. Een korte screeningsvragenlijst, de Groningen Frailty Indicator (GFI), is naar ca. 3500 zelfstandig wonende ouderen (70 jaar en ouder) verstuurd. De respons was 80%. Ouderen die op de GFI een score van 5 of hoger hadden én bereid waren om deel te nemen, zijn ingestroomd in het onderzoek. In januari 2010 heeft de baseline meting plaatsgevonden (moment van inclusie). In totaal zijn 346 deelnemers geïncludeerd, waarvan 193 in de interventiegroep (ZuV) en 153 in de controlegroep (reguliere zorg). De verwachting was dat 80% van de deelnemende ouderen een mantelzorger (conform de definitie van Nationaal Programma Ouderenzorg) zou hebben. Dit bleek maar bij 48% het geval te zijn. Uiteindelijk zijn 141 mantelzorgers geïncludeerd: 84 in de interventiegroep en 57 in de controlegroep.

In februari 2010 zijn de eerste deelnemers gestart met het programma ZuV. Om te beoordelen of ZuV praktisch goed uitvoerbaar is, is een procesevaluatie uitgevoerd. Hiervoor zijn gegevens verzameld bij deelnemende ouderen in de interventiegroep en bij betrokken hulpverleners (praktijkondersteuners, huisartsen, ergotherapeuten en fysiotherapeuten). De analyse van de logboeken laat zien dat sommige onderdelen van het ZuV protocol niet goed gevolgd zijn: 1) de probleemanalyse en het voorlopige plan van aanpak zijn vaak niet tijdens een bilateraal overleg of een teambijeenkomst besproken zoals in het ZuV protocol aangegeven (stap 3); 2) slechts de helft van de deelnemende ouderen heeft een tweede huisbezoek ontvangen om het plan van aanpak te bespreken (stap 4); 3) de zogenaamde toolbox onderdelen zijn niet vaak gebruikt (stap 5); en 4) er was sprake van een beperkt aantal evaluatie- en follow-up momenten (stap 6). Hulpverleners gaven aan dat sommige onderdelen van het ZuV protocol tijdrovend en moeilijk toepasbaar waren en dat meer intensieve scholing en training vereist is. Het protocol geeft echter wel structuur aan de ouderenzorg in de eerste lijn en verhoogt de aandacht voor preventie. Ook ouderen waren positief over ZuV.

De metingen voor de effectevaluatie werden bij zowel de ouderen als bij hun mantelzorgers uitgevoerd op baseline en na 6, 12 en 24 maanden. De belangrijkste uitkomstmaten bij de ouderen waren beperkingen in activiteiten, depressieve symptomen, bezorgdheid om te vallen, sociale steun en sociale participatie. De belangrijkste uitkomsten bij de centrale mantelzorger waren objectieve en subjectieve belasting en kwaliteit van leven. Uit de effectevaluatie blijkt dat het programma ZuV bij zowel de ouderen als bij de mantelzorgers op geen enkele uitkomstmaat significante verschillen tussen de interventie- en controlegroep laat zien.

De economische evaluatie is vanuit een maatschappelijk perspectief uitgevoerd en houdt rekening met zowel zorggebruik als ‘patiënt- en familiekosten’, gemeten over een periode van 2 jaar. De primaire informatiebron voor zorggebruik waren de drie grootste zorgverzekeraars in de regio Westelijk Mijnstreek en het lokale ziekenhuis (Orbis Medisch Centrum). De overige data zijn via telefonische interviews en schriftelijke vragenlijsten verzameld. De verwachting was dat ZuV zou leiden tot een verhoogd zorggebruik in de eerste lijn en een vermindering van het aantal opnames in zowel ziekenhuis als verpleeg-/verzorgingshuis. In de periode van 2 jaar hadden ouderen in de interventiegroep significant meer contacten met de praktijkondersteuner en ergotherapeut, maar er waren geen significante effecten op opnames en ook geen voordelige effecten op overig zorggebruik (fysiotherapie, medisch specialistische zorg, thuiszorg, mantelzorg, hulpmiddelen). De totale kosten per oudere in de interventiegroep waren in deze periode van 2 jaar bijna 6000 euro hoger dan voor de ouderen in de controlegroep.

Resultaten
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Van augustus 2009 tot juni 2013 is het onderzoeksproject ‘Vermindering van beperkingen in activiteiten bij thuiswonende kwetsbare ouderen: een gerandomiseerd onderzoek’ uitgevoerd. Het doel was het evalueren van het programma ‘Zorg uit Voorzorg’ (ZuV). ZuV is een proactieve eerstelijns interventie voor thuiswonende kwetsbare ouderen, bestaande uit 6 stappen waaronder een screening, multidimensioneel assessment en interdisciplinaire zorg gebaseerd op een op maat gesneden zorgplan met regelmatige evaluatie en follow-up.

De primaire uitkomstmaat was het verminderen van beperkingen in activiteiten. Daarnaast zijn verscheidene secundaire uitkomstmaten vastgesteld bij zowel de ouderen als de centrale mantelzorgers. Voor de studie zijn twaalf huisartsenpraktijken in de regio Westelijke Mijnstreek (Limburg) op praktijkniveau gerandomiseerd. Zes praktijken hebben de interventie ZuV toegepast, terwijl zes andere praktijken reguliere zorg boden aan hun patiënten. De evaluatie betrof: 1) de uitvoerbaarheid van ZuV 2) de effecten op de genoemde primaire en secundaire uitkomsten en 3) het gebruik van zorg en gerelateerde kosten.

In december 2009 is gestart met de werving van ouderen voor het onderzoek. Een korte screeningsvragenlijst, de Groningen Frailty Indicator (GFI), is naar ca. 3500 zelfstandig wonende ouderen (70 jaar en ouder) verstuurd. De respons was 80%. Ouderen die op de GFI een score van 5 of hoger hadden én bereid waren om deel te nemen, zijn ingestroomd in het onderzoek. In januari 2010 heeft de baseline meting plaatsgevonden (moment van inclusie). In totaal zijn 346 deelnemers geïncludeerd, waarvan 193 in de interventiegroep (ZuV) en 153 in de controlegroep (reguliere zorg). De verwachting was dat 80% van de deelnemende ouderen een mantelzorger (conform de definitie van Nationaal Programma Ouderenzorg) zou hebben. Dit bleek maar bij 48% het geval te zijn. Uiteindelijk zijn 141 mantelzorgers geïncludeerd: 84 in de interventiegroep en 57 in de controlegroep.

In februari 2010 zijn de eerste deelnemers gestart met het programma ZuV. Om te beoordelen of ZuV praktisch goed uitvoerbaar is, is een procesevaluatie uitgevoerd. Hiervoor zijn gegevens verzameld bij deelnemende ouderen in de interventiegroep en bij betrokken hulpverleners (praktijkondersteuners, huisartsen, ergotherapeuten en fysiotherapeuten). De analyse van de logboeken laat zien dat sommige onderdelen van het ZuV protocol niet goed gevolgd zijn: 1) de probleemanalyse en het voorlopige plan van aanpak zijn vaak niet tijdens een bilateraal overleg of een teambijeenkomst besproken zoals in het ZuV protocol aangegeven (stap 3); 2) slechts de helft van de deelnemende ouderen heeft een tweede huisbezoek ontvangen om het plan van aanpak te bespreken (stap 4); 3) de zogenaamde toolbox onderdelen zijn niet vaak gebruikt (stap 5); en 4) er was sprake van een beperkt aantal evaluatie- en follow-up momenten (stap 6). Hulpverleners gaven aan dat sommige onderdelen van het ZuV protocol tijdrovend en moeilijk toepasbaar waren en dat meer intensieve scholing en training vereist is. Het protocol geeft echter wel structuur aan de ouderenzorg in de eerste lijn en verhoogt de aandacht voor preventie. Ook ouderen waren positief over ZuV.

De metingen voor de effectevaluatie werden bij zowel de ouderen als bij hun mantelzorgers uitgevoerd op baseline en na 6, 12 en 24 maanden. De belangrijkste uitkomstmaten bij de ouderen waren beperkingen in activiteiten, depressieve symptomen, bezorgdheid om te vallen, sociale steun en sociale participatie. De belangrijkste uitkomsten bij de centrale mantelzorger waren objectieve en subjectieve belasting en kwaliteit van leven. Uit de effectevaluatie blijkt dat het programma ZuV bij zowel de ouderen als bij de mantelzorgers op geen enkele uitkomstmaat significante verschillen tussen de interventie- en controlegroep laat zien.

De economische evaluatie is vanuit een maatschappelijk perspectief uitgevoerd en houdt rekening met zowel zorggebruik als ‘patiënt- en familiekosten’, gemeten over een periode van 2 jaar. De primaire informatiebron voor zorggebruik waren de drie grootste zorgverzekeraars in de regio Westelijk Mijnstreek en het lokale ziekenhuis (Orbis Medisch Centrum). De overige data zijn via telefonische interviews en schriftelijke vragenlijsten verzameld. De verwachting was dat ZuV zou leiden tot een verhoogd zorggebruik in de eerste lijn en een vermindering van het aantal opnames in zowel ziekenhuis als verpleeg-/verzorgingshuis. In de periode van 2 jaar hadden ouderen in de interventiegroep significant meer contacten met de praktijkondersteuner en ergotherapeut, maar er waren geen significante effecten op opnames en ook geen voordelige effecten op overig zorggebruik (fysiotherapie, medisch specialistische zorg, thuiszorg, mantelzorg, hulpmiddelen). De totale kosten per oudere in de interventiegroep waren in deze periode van 2 jaar bijna 6000 euro hoger dan voor de ouderen in de controlegroep.

Voortgangsverslag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

In augustus 2009 is het driejarige onderzoeksproject ‘Vermindering van beperkingen in activiteiten bij thuiswonende kwetsbare ouderen: een gerandomiseerd onderzoek (Projectnummer: 311070301) gestart. Het doel van het project is het evalueren van een op de persoon toegesneden, multifactoriële en multidisciplinaire interventie, gericht op het verminderen van beperkingen in activiteiten (primaire uitkomst) en andere (secundaire) functionele uitkomstmaten (gezondheidsgerelateerde kwaliteit van leven, depressieve symptomen, eenzaamheid, sociale steun) bij thuiswonende kwetsbare ouderen. Tevens wordt de invloed van de interventie op de ervaren belasting en gezondheidsgerelateerde kwaliteit van leven bij de centrale mantelzorger geëvalueerd. De evaluatie betreft: 1) de effecten op de genoemde primaire uitkomsten en verschillende secundaire uitkomsten, 2) de uitvoerbaarheid en 3) het gebruik van zorg en de gerelateerde kosten. De follow up periode na een baseline meting is 2 jaar: na 6 maanden, na 12 maanden en na 24 maanden vinden follow up metingen plaats.

In het najaar van 2009 is de hoofdstudie, een cluster gerandomiseerd onderzoek, voorbereid en is de interventie verder vormgegeven en in een vooronderzoek uitgetest. In december 2009 is gestart met de werving van ouderen voor het onderzoek. Hiervoor is tot juni 2010 in drie rondes een korte screeningsvragenlijst, de Groningen Frailty Indicator (GFI), verstuurd naar ca. 3500 zelfstandig wonende 70-plussers in Zuid Limburg. De gemiddelde respons voor de drie wervingsrondes was ongeveer 80%. Ouderen die op de GFI een score van 5 of hoger hadden én bereid waren om deel te nemen, zijn ingestroomd in het onderzoek. In januari 2010 heeft bij de eerste deelnemers de baseline meting plaatsgevonden; deze bestond uit een schriftelijke vragenlijst (Minimale Data Set en aanvullende vragen) en een telefonisch interview. Vervolgens zijn de deelnemers door de onderzoekers gebeld met de vraag of ze een mantelzorger hebben, en zo ja, of die voor deelname aan het onderzoek benaderd kon worden. Bij de geïdentificeerde mantelzorger heeft ook een basismeting in de vorm van een schriftelijke vragenlijst plaats gevonden.

In februari 2010 zijn de eerste deelnemers gestart met de interventie. De interventie heeft als doel om beperkingen in activiteiten en andere negatieve gevolgen van kwetsbaarheid te verminderen of zelfs te voorkomen. De interventie houdt rekening met de principes van cliëntgerichtheid, zelfmanagement, Motivational Interviewing en case-management. De interventie bestaat uit een aantal stappen:

• Assessment

Het assessment vindt in het kader van een huisbezoek plaats en wordt uitgevoerd door een praktijkondersteuner (POH) van de huisarts (HA). Er kan eventueel aanvullend assessment plaatsvinden door andere disciplines zoals huisarts, fysiotherapeut (FT), ergotherapeut (ET).

• Opstellen van een voorlopig plan van aanpak

De POH en HA stellen op basis van het assessment samen een plan van aanpak op. Bij complexe problematiek kunnen andere disciplines betrokken worden zoals FT en ET. In dit geval vindt multidisciplinair overleg plaats.

• Opstellen van een definitief plan van aanpak

De POH stelt samen met de patiënt (en eventueel mantelzorger) tijdens een tweede huisbezoek een definitief plan van aanpak op. Het plan van aanpak bevat doelen, strategieën en acties die gerelateerd zijn aan een toolbox van interventies.

• Toolbox

De toolbox bestaat uit een combinatie van medische en meer sociaal (participatie/activiteiten) gerichte interventies. Interventies kunnen zich bijvoorbeeld richten op het bevorderen van een gezonde leefstijl, het uitbreiden van het sociaal netwerk of het verhogen van fysieke activiteiten. De POH, de HA, de FT en de ET zijn bij de uitvoering van de toolbox onderdelen betrokken. Daarnaast kan voor de uitvoering van het plan van aanpak een beroep gedaan worden op andere hulpverleners en voorzieningen in de 1e of 2de lijn. De intensiteit en duur van de interventie verschilt mede afhankelijk van het assessment, de voorkeur van de deelnemer en de toolbox onderdelen per oudere.

 

• Evaluatie en follow-up

De POH heeft de rol van de casemanager. De POH evalueert regelmatig samen met de patiënt (en eventueel mantelzorger) over de te bereiken doelen, de implementatie van strategieën in het dagelijkse leven en de behoefte aan toekomstige ondersteuning.

 

De eerste nameting (zes maanden na baseline) vond vanaf juli 2010 t/m februari 2011 plaats. In januari 2011 is gestart met verzameling van de data voor de tweede nameting (12 maanden na baseline). De derde nameting (24 maanden na baseline) start in januari 2012. Het is de verwachting dat de dataverzameling in juni 2012 is afgerond. Daarna kunnen de (voorbereidingen) voor) de analyses starten. De data voor de kostenevaluatie moeten nog grotendeels verzameld worden.

 

Resultaten
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

De eerste 18 maanden van het onderzoek, vanaf augustus 2009 t/m februari 2011, stonden in het teken van voorbereidingen, screening, baseline meting en eerste nameting.

De inclusie van oudere deelnemers is naar tevredenheid verlopen. Er zijn 351 deelnemers geïncludeerd en op praktijkniveau gerandomiseerd (oorspronkelijk beoogd aantal deelnemers in het projectvoorstel N = 350). Het aantal deelnemers is echter niet gelijk verdeeld over de interventie- en controlegroep. Dat heeft vooral te maken gehad met de grootte van de interventie- en controlepraktijken in combinatie met de randomisatie op praktijkniveau. Van de 351 deelnemende ouderen bevinden zich 196 in de interventiegroep en 155 in de controlegroep. Na 6 maanden (eerste nameting) hebben 311 proefpersonen de volledige meting (schriftelijke vragenlijst en telefonisch interview) afgerond. Deze aantalen waren voor de interventiegroep N = 165 en voor de controlegroep N = 146.

De werving van de mantelzorgers verliep minder succesvol. De verwachting was dat 80% van de deelnemende ouderen conform de definitie van NPO een mantelzorger heeft, doch dit bleek maar 48% te zijn. Uiteindelijk is er bij 145 deelnemers een mantelzorger geïncludeerd (41%).

De eerste resultaten betreffende de uitvoerbaarheid van de interventie worden begin 2012 verwacht. De eerste resultaten over de (kosten-) effectiviteit van de interventie zullen naar verwachting in de tweede helft van 2012 bekend zijn.

 

 

Samenvatting van de aanvraag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Background:

Depending on the definition of frailty up to 40% of the Dutch elderly population is frail and an increase in the number of frail elderly is expected. Frail elderly are more vulnerable for adverse health outcomes such as acute and chronic diseases, and disability. Disability is a relevant health problem, because it is associated with a loss of independency in carrying out essentials tasks and roles needed for self-care and independent living. Participation in meaningful activities that is related to one’s quality of life is limited. In addition, disability is associated with a higher risk for mortality, hospitalization, long-term care and related costs. The number of disabled older people is expected to triple until 2050. Therefore, an intervention for delaying or preventing disability is highly relevant in community-dwelling frail elderly. However, evidence about effective interventions is limited.

Intervention:

The tailor-made, multicomponent and multidisciplinary intervention starts with an initial postal screening followed by a comprehensive multidimensional assessment by 1) a practice nurse (praktijk ondersteuner) in collaboration with the general practitioner, 2) by an occupational therapist, 3) consultation of specialists of the 1st and 2nd echelon, if needed. Based on the assessment an individualized action plan, including goals, strategies and actions, will be developed. The action plan is linked to a flexible toolbox of interventions. The interventions focus on goals, rest-capacities and resources of the individual and stimulate the use of self-management abilities and technology in meaningful activities of daily life.

The proposed intervention is the 'Westelijke Mijnstreek'part of the National Programma Ouderenzorg (NPO) transition proposal “Early problem detection and support for frail elderly people: towards an integrated chain of care model”.

Method:

We propose a randomized controlled study to investigate the effectiveness of the intervention. Secondly, a comprehensive process evaluation will be conducted to validate the effectiveness of the intervention and to facilitate future implementation. We will study the content of the program, the performance according to protocol and the compliance with the intervention. Thirdly, data on health care utilization and consumed goods are collected to determine the cost-effectiveness of the intervention.

In the study 350 community-dwelling frail elderly (70 years or older), and their informal caregivers, will be included through a screening of all 70+ elderly in twelve GP practices in the region of the Westelijke Mijnstreek. Based on a randomization on practice level, six practices (=175 participants) receive the new intervention as part of the NPO transition project (intervention group) and six practices (=175 participants) receive care as usual (control group).

Data collection and data analysis:

The Minimum DataSet (MDS) of the NPO, as well as additional outcomes, will be assessed at baseline and after 6, 12 and 24 months of follow-up. In addition, effects of the intervention on disability, our primary outcome, will be measured by using the Groningen Activity Restriction Scale. Disability related variables, a.o. health-related quality of life, depressive symptomatology, loneliness, mortality, health care utilization and related costs will be measured as secondary outcomes. The impact of the intervention on the central informal caregiver will be measured as well. Additional data for the effect evaluation will be collected through postal questionnaires and telephone interviews. Data will also be collected by health insurance registries and the municipality registries of the Westelijke Mijnstreek. In the process evaluation, information will be gathered from all stakeholders involved via registration forms and questionnaires in the intervention group. Effectiveness will be analyzed using mixed-effects regression models, for the process evaluation descriptive techniques will be used.

The results will be reported in (inter-)national articles and presented at (inter-)national symposia and conferences.

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: NavigatieDirect naar: Onderkant website