Verslagen

Eindverslag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Nederland, en met name Limburg, krijgt in toenemende mate te maken met een vergrijzing van de populatie. Door deze vergrijzing neemt de groep ouderen met complexe én meervoudige gezondheidsproblemen toe. Het niet vroegtijdig signaleren van deze problemen kan leiden tot onnodige hulpbehoevendheid en aantasting van het zelfstandig functioneren.

 

In de regio’s Maastricht-Heuvelland en Parkstad is een consultatiefunctie voor ouderen opgezet, ingebed binnen de huisartsenpraktijk: project [G]OUD (‘Gezond oud in Limburg’). Binnen het project [G]OUD worden zelfstandig wonende 75-plussers in een (mogelijke) kwetsbare positie vroegtijdig opgespoord door middel van een huisbezoek van de praktijkondersteuner (POH), het zogenaamde ‘[G]OUD-consult’. De POH voert een multidimensioneel assessment uit aan de hand van de zogenaamde [G]OUD-vragenlijst om problemen op het gebied van lichamelijk, psychisch en sociaal functioneren, leefstijl en medicatiegebruik in kaart te brengen. Na afloop worden de bevindingen nabesproken met de huisarts en wordt, indien nodig, een zorgbehandelplan opgesteld. Vervolgens wordt de oudere doorverwezen naar een individueel passend zorg- en/of welzijnsaanbod.

 

Het eindelijke doel van deze vroegsignalering vanuit de huisartsenpraktijk is het behouden dan wel bevorderen van de zelfredzaamheid en kwaliteit van leven van ouderen. Of dit doel behaald wordt, wordt aan de hand van een effectevaluatie, waarbij men gebruikt maakt van een quasi-experimenteel design, onderzocht. In totaal participeren 24 huisartsenpraktijken van de regio Zuid-Limburg aan deze effectstudie.

 

Naast een effectevaluatie wordt ook uitgebreid aandacht besteed aan een procesevaluatie teneinde in kaart te brengen in welke mate de consultatiefunctie voor ouderen succesvol werd geïmplementeerd zoals bedoeld en in welke mate de deelnemende praktijken erin slagen om proactieve, in plaats van reactieve, zorg te leveren aan ouderen.

In deze procesevaluatie worden alle betrokken stakeholders bevraagd, en is er frequent overleg met de eindgebruikers zelf, zijnde ouderen.

 

De verwachting is dat het [G]Oud-instrument een betrouwbaar, valide en praktisch bruikbaar screeningsinstrument zal blijken dat erin slaagt (ogenschijnlijk) gezonde ouderen van 75-+ te differentiëren in (mogelijk) kwetsbare ouderen die ondersteuning en/of behandeling behoeven enerzijds, en niet-kwetsbare ouderen anderzijds. Tevens kunnen de resultaten bijdragen aan het verkrijgen van meer inzicht in hoe vroegtijdige signalering van (potentiële) kwetsbaarheid bij ouderen best kan worden vormgegeven. Het kan gemeenten helpen in de verdere vormgeving van het huidige ouderen- en Wmo-beleid.

 

Resultaten
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

De resultaten tot op heden (jan. 2014) zijn de volgende:

Het [G]Oud-screeningsinstrument wordt ervaren als een buikbaar en inhoudelijk relevant signaleringsinstrument, al geven huisartsen wel aan dat het tijdrovend is. Daartegenover staat dat zij echter geen vragen kunnen benoemen die ze overbodig achten waardoor de lijst zou kunnen ingekort worden.

 

Praktijkondersteuners zijn inmiddels goed getraind in de afname van deze lijst en zien de meerwaarde er van in om op deze manier de ouderenpopulatie structureel in kaart te brengen. In een sterk vergrijzende regio als Zuid-Limburg is het zeer wenselijk goed toegerust te zijn voor het verlenen van goede ouderenzorg.

 

Het feit dat men gelooft in de [G]Oud-methodiek blijkt uit het feit dat het screeningsinstrument en het op maat toegesneden behandeltraject is uitgewerkt in de Keten Complexe Zorg voor Ouderen, en dit door de lokale huisartsenorganisatie ZIO. Deze keten werd door de NZA per januari 2013 goedgekeurd en maakt dat de [G]oud-werkwijze nu regulier en met financiering door de zorgverzekeraar door huisartsen en praktijkondersteuners kan uitgevoerd worden.

 

Ten slotte, of de [G]Oud-werkwijze uiteindelijk ook resulteert in betere kwaliteit van leven en zelfredzaamheid zullen de analyses in maart-juni 2014 uitwijzen.

 

Voortgangsverslag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Veel ouderen hebben een of meerdere gezondheidsproblemen. Deze problemen dienen tijdig opgespoord te worden om onnodige hulpbehoevendheid en zorggebruik te voorkómen en zelfstandig functioneren te bevorderen. Om die reden is de consultatiefunctie voor ouderen opgezet. De praktijkondersteuner van de huisarts voert een preventief consult uit (huisbezoek) en ouderen worden, indien nodig, doorverwezen naar een geschikt zorg- en/of welzijnsaanbod. Om het effect hiervan op de kwaliteit van leven en zelfredzaamheid van zelfstandig wonende 75-plussers aan te tonen, worden huisartsenpraktijken die op deze manier werken (interventiepraktijken) vergeleken met huisartsenpraktijken die gebruikelijke zorg leveren (controlepraktijken). Verder staat in dit onderzoek de ontwikkeling van een instrument centraal voor het in kaart brengen van het lichamelijk, psychisch, cognitief en sociaal functioneren van ouderen. Focusgroepen en diepte-interviews vinden plaats met huisartsen, praktijkondersteuners en ouderen om inzicht te krijgen in de implementatie van de consultatiefunctie in de huisartsenpraktijk en de tevredenheid van betrokkenen.

Resultaten
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

In de beginfase vond de verdere ontwikkeling plaats van het instrument voor het in kaart brengen van de gezondheidssituatie van ouderen. Huisartsenpraktijken zijn benaderd voor deelname als interventie- of controlepraktijk aan de studie. Uiteindelijk doen nu 13 interventiepraktijken en 11 controlepraktijken mee aan het onderzoek. Deze praktijken hebben ouderen (75+) geselecteerd die vervolgens schriftelijk benaderd zijn voor deelname. Ongeveer 35% van de ouderen heeft toestemming gegeven voor deelname. Praktijkondersteuners van interventiepraktijken voeren tussen juli 2010 en juli 2011 preventieve consulten uit waarvan er tot eind februari 2011 al in totaal 420 zijn uitgevoerd. Uit interviews met praktijkondersteuners blijkt dat ze de consultatiefunctie een goede methode vinden om inzicht te krijgen in de gezondheidssituatie van ouderen. De ouderen die tot nu toe zijn geïnterviewd vinden het prettig dat er iemand bij hun thuis komt om te praten over hoe het gaat.

Samenvatting van de aanvraag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Onderhavig voorstel betreft het evaluatieonderzoek naar de effecten van de consultatiefunctie voor ouderen. Deze consultatiefunctie maakt als experiment deel uit van transitieproject 1 (TP1) en is door het ACZIO-netwerk in de eerste ronde ingediend bij het Nationaal Programma Ouderenzorg (NPO1). De reden voor het opzetten van een consultatiefunctie voor ouderen heeft betrekking op het feit dat veel ouderen een of meerdere gezondheidsproblemen hebben wat bij een deel van hen uiteindelijk ook leidt tot complexe zorgproblemen. Een (mogelijk) veelvoud van stoornissen in lichamelijk en/of geestelijk functioneren, al dan niet in combinatie met een ontregelde sociale situatie, dient tijdig onderkend te worden om onnodige hulpbehoevendheid en zorggebruik te voorkómen en zelfstandig functioneren te bevorderen. Voor een effectieve, op maat aangeboden, interventie is het noodzakelijk dat (mogelijk) kwetsbare ouderen tijdig geïdentificeerd worden. Hiertoe zijn vroegsignalering, diagnostiek en behandeladvisering van de oudere t.a.v. zijn algehele situatie dan ook zeer wenselijk om zo het ontstaan en/of verergering van ziektebeelden, vereenzaming, sociaal isolement en onnodige opnames in ziekenhuis, verzorgings- en/of verpleeghuis te voorkómen.

De recente initiatieven vanuit de Provincie Limburg, GGDZL en Gemeente Maastricht om provinciebreed een ´Consultatiefunctie voor Ouderen´ te willen opzetten schetsen het belang van een pro-actieve benadering van bovengeschetste problematiek. Deze consultatiefunctie past ook in het kader van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO). De nodige handvatten moeten worden aangereikt om de burger zo lang mogelijk (gezond) zelfstandig in de maatschappij te houden. Hiervoor dient een preventief consult te worden ingevoerd waar ogenschijnlijk gezonde ouderen gescreend worden op kwetsbaarheid. Het hiervoor gebruikte screeninginstrument bestaat uit een inventariserende vragenlijst die zich richt op sociaal, fysiek, psychisch, emotioneel en cognitief functioneren en een aantal indicatoren uit het HuisartsenInformatieSysteem (HIS). Hierna volgt aanvullende diagnostiek, preventieve zorg en/of behandeladvies. Waar bij TP1 de evaluatie zich uitsluitend richt op beperkte indicatoren van de Minimale Dataset, gaat deze effectstudie verder en worden de effecten van screening op o.a. zelfredzaamheid en kwaliteit van leven en follow-up in de keten onderzocht.

Doel van dit onderzoeksproject is het onderdeel “consultatiefunctie voor ouderen” van TP1 uit NPO1 te onderzoeken op effectiviteit. Met dit onderzoek willen we antwoord krijgen op de vraag welk screeninginstrument het meest valide, betrouwbaar en praktisch bruikbaar is, welke HIS-indicatoren hierbij noodzakelijk zijn voor een efficiënte (multidisciplinaire) follow-up van de patiënt en of de preventieve advisering binnen de eerstelijns huisartsenzorg effectief is en een keten-DBC voor kwetsbare ouderen haalbaar is.

Vanuit de eerstelijnszorg, met de huisarts in de rol van ´regisseur´, zullen 75+ ouderen gescreend worden op kwetsbaarheid en vervolgens binnen de keten (laagdrempelig) ondersteund worden bij het onderhouden en behouden van zelfredzaamheid en kwaliteit van leven. Vanuit de GGD worden ouderen geïnformeerd en geadviseerd over een gezonde leefstijl. Waar nodig wordt dit gecombineerd met een aanbod van preventieve wijkgebonden activiteiten. Indien nodig verwijzen de praktijkverpleegkundige en de huisarts door binnen de keten die bestaat uit ACZIO-netwerkdeelnemers. Beiden vormen vanuit de 1e-lijn het schakelpunt in de keten naar zowel de publieke gezondheidszorg (0e lijn) als naar de 2e-en 3e-lijn. Via een quasi experimentele opzet worden minimaal 6 interventiepraktijken vergeleken met 6 controlepraktijken (195 patiënten/praktijk). Het screeningsinstrument wordt vooraf gevalideerd d.m.v. een prospectieve follow-up gedurende 6 maanden. Het proces van screenen, motivationele gesprekvoering, verwijzing naar individueel passende interventies, therapietrouw en follow-up worden geëvalueerd vanuit zowel het cliënten- als hulpverlenersperspectief. Tevens wordt nagegaan of de verzamelde HIS-gegevens een bijdrage kunnen leveren aan een verbetering van de WMO-indicatiestelling.

Data worden verzameld via vragenlijsten onder ouderen, indicatoren uit het HIS, resultaten van focusgroep en diepte interviews onder huisarts/ praktijkondersteuner en ketenzorgpartners. De minimale dataset van NPO/NFU wordt geïntegreerd in de dataverzameling. Data worden verzameld en vergeleken op tijdstip T0 (bij screening), T1, T2 en T3, met een tussenperiode van 6 maanden en een totale follow-up van 1,5 jaar. Analyse van uitkomstmaten geschiedt m.b.v. relevante significantie-toetsen. In het 1e jaar vindt de keuze en de validering van het screeningsprotocol plaats. Daarna wordt gedurende 1,5 jaar de effectmeting uitgevoerd. Het laatste half jaar is nodig voor analyse en rapportage.

 

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: NavigatieDirect naar: Onderkant website