Verslagen

Eindverslag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

De laatste jaren wordt steeds duidelijker onderkend dat het in de ouderenzorg niet alleen om medische zorg gaat, maar ook om eigen regie en welbevinden. De evidence-based GRIP&GLANS (G&G) cursussen bewerkstelligen juist dat: ze stimuleren en ondersteunen mensen tot meer eigen regie, meer welbevinden en minder eenzaamheid. Echter, de verankering van de G&G cursussen in de praktijk blijkt niet vanzelf te gaan. Daarom is in dit project doelgericht en systematisch gewerkt aan het verankeren van de G&G cursussen in zorg en welzijn, en aan de evaluatie van dit proces. Er waren vier onderzoeksvragen. Ten eerste: lukt het om 30 professionals van 15 zorg- of welzijnsorganisaties in Noord-Nederland te trainen tot G&G docent (voor de groepscursus) of als G&G coach (voor de individuele cursus via huisbezoeken), en deze 15 organisaties de G&G cursussen duurzaam op te laten nemen in hun zorg- en welzijnsaanbod? Ten tweede: welke bevorderende en belemmerende factoren spelen een rol in de mate waarin het deze 15 organisaties lukt om de G&G cursussen daadwerkelijk te implementeren? Ten derde: lukt het om 400 ouderen te bereiken voor een G&G cursus en deelnemers daadwerkelijk meer eigen regie, meer welbevinden en minder eenzaamheid te laten ervaren? En ten vierde: kan het volgen van een G&G-cursus zorgkosten besparen?

De resultaten laten zien dat er, ten eerste, veel belangstelling was onder professionals en organisaties voor de G&G-cursussen: 60 professionals van 23 organisaties wilden tot G&G-docent of –coach getraind worden en 16 organisaties is het daadwerkelijk gelukt de G&G cursussen uit te voeren. Van deze 16 organisaties zijn er 14 van plan om de G&G-cursussen blijvend aan te bieden. Het is vooral gelukt om de G&G groepscursus te verankeren, de individuele G&G cursus (zes huisbezoeken) bleek vaak te arbeidsintensief en te kostbaar. Ten tweede bleek dat bij 7 van de 23 organisaties het niet lukte om de G&G-cursussen uit te voeren. Redenen hiervoor waren: reorganisaties, ziekte van G&G-getrainde professionals, en het niet kunnen bereiken van voldoende ouderen. Maar bij de meerderheid van de organisaties lukte het wel om de G&G groepscursus uit te voeren. Bij hen bleek dat, naarmate professionals G&G meer ervaren als waardevolle methodiek (die past bij hun overige taken, en die zichtbare effecten teweegbrengt bij hun cliënten), en naarmate professionals meer steun ervaren van collega’s en leidinggevenden, des te meer G&G cursussen deze professionals uitvoerden, en hoe sterker de intentie is om door te gaan met de G&G cursussen. Ook de meeste managers van de organisaties (17 van 20) waren zeer positief over G&G en het bleek dat grotere organisaties er vaker in slaagden om de G&G-groepscursus te geven dan kleinere organisaties. Organisaties waarbij de G&G-groepscursus goed paste in hun taak-oriëntatie hadden ook meer succes in het uitvoeren van de cursussen. Factoren op het niveau van het gemeentelijk beleid bleken niet sterk van invloed, maar het werkte wel bevorderend als er draagvlak was voor het uitvoeren van de G&G-cursussen. Wat betreft de derde vraag: in de projectperiode werden ruim 400 ouderen bereikt. De ouderen die meededen aan een G&G cursus verbeterden significant wat betreft hun zelfmanagementvaardigheid, welbevinden en eenzaamheid. Ook na 12 maanden waren deze positieve effecten nog duidelijk zichtbaar. Ook de vierde vraag werd bevestigend beantwoord. Het gebruik van eerstelijns GGZ en maatschappelijk werk nam af met respectievelijk 6 en 12% (over 12 maanden).

Geconcludeerd kan worden dat de implementatie van de G&G groepscursus in Noord-Nederland goed is gelukt en dat er meer inzicht is ontstaan in de factoren die dit bevorderen dan wel belemmeren. Ook de evidence-based kwaliteit van de G&G groepscursus is weer bevestigd: de ouderen verbeterden in eigen regie, welbevinden en eenzaamheid, en deze verbetering bleef bestaan tot tenminste 12 maanden na afloop van de cursus. Ook zijn er aanwijzingen dat de G&G groepscursus kosteneffectief is. Hoewel deze positieve bevindingen hoopgevend zijn, zal de verdere verankering en een bredere nationale implementatie van de waardevolle G&G methodiek blijvende inzet vragen. Ook blijft het bereik van de doelgroep een uitdaging voor de toekomst.

 

Resultaten
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Dit implementatie project werd opgezet om op doelgerichte en systematische wijze de GRIP & GLANS (G&G) cursussen duurzaam te implementeren in zorg- en welzijnsorganisaties in de vier noordelijke provincies van Nederland, en dit proces te evalueren. Vier onderzoeksvragen stonden centraal. Ten eerste: lukt het om 30 professionals van 15 zorg- of welzijnsorganisaties te trainen als G&G docent (voor de groepscursus) of als G&G coach (voor de individuele huisbezoeken), en deze 15 organisaties de G&G cursussen duurzaam op te laten nemen in hun zorg- en welzijnsaanbod? Ten tweede: welke bevorderende en belemmerende factoren – bij professionals, bij organisaties, en bij het gemeentelijk beleid - spelen een rol in de mate waarin het deze 15 organisaties lukt om de G&G cursussen daadwerkelijk te implementeren? De derde vraag was: lukt het om 400 ouderen te bereiken voor deelname aan de G&G cursussen en ervaren deelnemers dan daadwerkelijk (zoals in het verleden ook is aangetoond) meer zelfmanagementvaardigheden (eigen regie) en meer welbevinden en minder eenzaamheid? En de vierde vraag: Zijn er aanwijzingen dat het volgen van een G&G cursus zorgkosten kan besparen?

De resultaten van de studie geven de volgende antwoorden. Ten eerste was er veel meer belangstelling onder professionals en organisaties voor de G&G-cursussen dan verwacht: 60 professionals van 23 organisaties wilden getraind worden tot G&G docent of -coach. Van deze organisaties is het 16 organisaties daadwerkelijk gelukt de G&G cursussen in hun organisaties uit te voeren en 14 organisaties zijn van plan om de G&G-cursussen blijvend aan te bieden. Het is met name gelukt om de G&G groepscursus uit te voeren. De G&G huisbezoeken bleken lastig te implementeren. De belangrijkste reden hiervoor is dat de huisbezoeken individueel zijn en daarmee relatief arbeidsintensief en dus kostbaar. De tweede vraag heeft de volgende antwoorden opgeleverd. De 7 organisaties waarbij het niet lukte om de G&G-cursussen uit te voeren, gaven als belangrijkste redenen: reorganisaties, ziekte van G&G-getrainde professionals, en het niet kunnen bereiken van voldoende ouderen. Maar bij de meerderheid van de organisaties lukte het wel om de G&G cursussen uit te voeren. Bij hen bleek dat factoren op verschillende niveaus de implementatie nog te bevorderen. Op het niveau van de professionals bleek dat, naarmate professionals de G&G groepscursus meer ervaren als waardevolle methodiek (die past bij hun overige taken, en die zichtbare effecten teweegbrengt bij hun cliënten), en naarmate professionals meer steun ervaren van zowel collega’s als van hun leidinggevenden, des te meer G&G cursussen zij gaven, en hoe sterker de intentie is om door te gaan met het geven van de G&G cursussen. Op het niveau van het management van de organisaties bleek dat het overgrote deel van de interviewde managers (17 van de 20) zeer positief was over het G&G-aanbod. Ook bleek dat grotere organisaties er beter in slaagden om de G&G-groepscursus uit te voeren dan kleinere organisaties, en het lukte ook beter als de G&G groepscursus goed paste in hun taak-oriëntatie. Factoren op het niveau van het gemeentelijk beleid bleken niet sterk van invloed, maar het werkte wel bevorderend als er draagvlak was op het beleidsniveau voor het uitvoeren van de G&G-cursussen. Wat betreft de derde vraag: in de projectperiode werden ruim 400 ouderen bereikt. De ouderen die deelnamen aan een G&G cursus, verbeterden significant wat betreft hun zelfmanagementvaardigheden, welbevinden en eenzaamheid. Deze positieve effecten waren ook na 12 maanden nog significant, waarmee de evidence-based kwaliteit van de G&G groepscursus bevestigd is. De vierde en laatste vraag kan ook bevestigend worden beantwoord. Er zijn aanwijzingen gevonden dat het gebruik van eerstelijns GGZ en maatschappelijk werk afnam met respectievelijk 6 en 12% (over 12 maanden). De kosten van een G&G groepscursus wegen ruim op tegen de kosten van deze vormen van zorg.

Concluderend kan gezegd worden dat de implementatie van de G&G groepscursus in Noord-Nederland goed gelukt is en er is meer inzicht in de bevorderende en belemmerende factoren. Ook is de effectiviteit van de G&G groepscursus wederom vastgesteld: deelnemers verbeteren significant in zelfmanagementvaardigheid, welbevinden en eenzaamheid, gedurende tenminste 12 maanden. Ondanks deze positieve bevindingen, zal de bestendiging van het gebruik van de G&G methodiek niet vanzelf gaan en zullen verdere inspanningen nodig zijn om dit waardevolle aanbod sterker en breder te verankeren. Ook het bereiken van de doelgroep blijft een uitdaging voor de toekomst.

 

Voortgangsverslag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

De laatste jaren wordt steeds meer onderkend dat ouderenzorg niet alleen medische zorg, maar ook ondersteuning van zelfmanagement en welbevinden omvat. Het blijkt echter nog moeilijk deze concepten om te zetten in feitelijke interventies of zorgpaden. Voor kwetsbare ouderen is bovendien een brede zelfmanagement benadering nodig, gericht op meerdere domeinen van functioneren en welbevinden. In de GRIP- en GLANS-cursussen die in dit implementatieproject centraal staan, is het wel gelukt de concepten zelfmanagement en welbevinden te vertalen in concrete handvatten voor ouderen. Bovendien zijn de cursussen gericht op meerdere domeinen van welbevinden. Dit maakt de GRIP en GLANS-aanpak innovatief en onderscheidend van andere (ziektegebonden) zelfmanagement-benaderingen.

 

De GRIP-cursus (‘GRIP op het leven’) is een serie huisbezoeken voor kwetsbare ouderen van 65 jaar en ouder. De GLANS-cursus (‘Geef uw leven een beetje meer GLANS’) is een groepscursus voor sociaal kwetsbare vrouwen van 55 jaar en ouder, die mobiel genoeg zijn om naar een groepscursus te komen. Ondanks de positieve en innovatieve insteek, en ondanks dat ze evidence-based zijn, vinden de GRIP- en GLANS-cursussen nog maar beperkt ingang in de praktijk. Het doel van het onderhavige project is daarom het planmatig implementeren van de GRIP en GLANS-cursussen in zorg- en welzijnszorgorganisaties in de Opleidings- en Onderwijsregio (OOR) van het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG) en de systematische evaluatie van deze implementatie.

 

Het proces van implementeren is voor de gehele projectperiode (3 jaar) gepland in vier elkaar overlappende fasen. Het project bevindt zich na anderhalf jaar projectuitvoering halverwege de derde fase. De behaalde resultaten worden per fase samengevat.

 

In de eerste fase stond het informeren en motiveren van zorg- en welzijnsorganisaties om de GRIP- en GLANS-cursussen in hun aanbod op te nemen centraal. Een goed bezochte officiële Startbijeenkomst en een groot aantal workshops verspreid in de regio hebben er voor gezorgd dat 20 organisaties participeren in het project. Dit zijn er vijf meer dan beoogd.

 

In de tweede fase zijn professionals van de deelnemende organisaties door het UMCG getraind tot GRIP- en/of GLANS-docent. Ook hier werd het beoogde aantal in positieve zin overschreden. In plaats van de beoogde 30 professionals zijn in totaal 48 professionals in vier meerdaagse trainingen opgeleid om de cursussen vanuit hun eigen organisatie aan ouderen aan te bieden. Daarnaast is in de tweede fase de basis gelegd voor het theoretische raamwerk van waaruit het proces en de effecten van de implementatie systematisch in kaart worden gebracht en is er een begin gemaakt met het voeren van draagvlakgesprekken met beleidsmakers en financiers voor bestendiging van het cursusaanbod na afloop van het project.

 

In de derde fase is ongeveer de helft van de organisaties gestart met het geven van de cursussen aan ouderen en zijn de eerste metingen ten behoeve van de proces- en effectevaluatie op het niveau van de ouderen en de professionals uitgevoerd. Er worden veel positieve reacties gemeld, en de respons op de metingen is goed tot zeer goed. Een aantal organisaties blijkt heel succesvol te zijn in het plannen en uitvoeren van de cursussen. Echter, er zijn ook een aantal organisaties die kampen met belemmerende factoren, zoals ziekte van GLANS-docenten, reorganisaties, moeite met de werving van ouderen voor de cursussen, en financiele krapte. Hierdoor loopt bij sommige organisaties de uitvoering van de cursussen achter op de planning.

 

Samenvattend kan geconcludeerd worden dat in de eerste helft van het project zoals gepland een goede basis is gelegd voor het realiseren van de beoogde opbrengst van dit project, te weten: de verankering van de GRIP- en GLANS-cursussen in de praktijk, het nut voor ouderen van de cursussen, en een goed onderbouwd inzicht in de factoren die de verankering in de praktijk bevorderen dan wel belemmeren.

 

Resultaten
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Het doel van het project is het planmatig implementeren van de GRIP en GLANS-cursussen in zorg- en welzijnszorgorganisaties in de Opleidings- en Onderwijsregio (OOR) van het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG) en de systematische evaluatie van deze implementatie.

 

Het proces van implementeren is voor de gehele projectperiode gepland in vier elkaar overlappende fasen. Op dit moment bevindt het project zich halverwege de derde fase.

 

In de eerste fase (april 2010-oktober 2010) stond het informeren van zorg- en welzijnsorganisaties centraal met de intentie hen te motiveren om de GRIP- en GLANS-cursussen in hun aanbod op te nemen. In de eerste plaats is dit gedaan door, parallel aan de 55 Plus Expo 2010 in de stad Groningen, de officiële Startbijeenkomst van het GRIP- en GLANS-project te organiseren. Een gevarieerd programma met deelsessies voor zowel ouderen, professionals als beleidsmakers droeg bij aan een goede opkomst (n= 75) en publiciteit in de schrijvende pers. Daarnaast zijn, voorafgaand en na afloop van de Startbijeenkomst, een groot aantal workshops gegeven. Het ‘aan den lijve’ ervaren van een stukje GLANS-cursus blijkt een effectieve manier om actoren op meerdere niveaus te overtuigen van de mogelijke meerwaarde van dit innovatieve aanbod. Het uiteindelijke aantal organisaties dat besloot mee te doen aan het implementatieproject bedraagt n=20, wat een derde meer is dan gepland.

 

In de tweede fase (oktober 2010-april 2011) zijn professionals van de deelnemende organisaties door het UMCG getraind tot GRIP- en/of GLANS-docent. Het projectteam heeft in vier meerdaagse trainingen in totaal 48 ouderenadviseurs/welzijnswerkers opgeleid en gecertificeerd tot GRIP- en/of GLANS-docent. De training bestond uit het leren geven van de GRIP en/of GLANS cursus aan ouderen aan de hand van de gestructureerde docentenhandleiding. Voor de getrainde docenten is een implementatiegereedschapskist ontwikkeld, ter ondersteuning van hun implementatie activiteiten. De gereedschapskist bevat documenten die de docenten ondersteunen in de werving, uitvoering, evaluatie en inbedding van het GRIP- en GLANS-aanbod.

 

Ook is in de tweede fase de basis gelegd voor het theoretische raamwerk van waaruit het proces en de effecten van de implementatie systematisch in kaart worden gebracht. Een aangepaste versie van een bestaand implementatiemodel dient als basis voor het monitoren van de bevorderende en belemmerende factoren voor succesvolle implementatie op vier niveaus (ouderen, professionals, organisaties en de politiek-financiële omgeving). Professionals, organisaties en beleidsactoren worden geïnterviewd of per vragenlijst ondervraagd. Ouderen vullen aan het begin van de cursus (T0), aan het eind (T1), na drie maanden (T2) en na een jaar (T3) gevalideerde vragenlijsten voor zelfmanagement en welbevinden in. Met de MDS wordt op T0 en T3 o.a. de kwaliteit van leven en het zorggebruik van deelnemers bepaald, welke gecombineerd met andere data een indicatie zullen geven van de kosteneffectiviteit.

In twee provincies is begonnen met het voeren van draagvlakgesprekken met beleidsmakers en financiers voor bestendiging van het cursusaanbod na afloop van het project. De overige provincies staan gepland voor fase 3 en 4 van het project.

 

Het geven van de cursussen is gestart volgens planning in de eerste helft van fase 3 en de respons op de vragenlijsten onder de geincludeerde ouderen is goed tot zeer goed. Op peildatum 27 september 2011 zijn er negen GLANS-cursussen afgerond en vier in uitvoering, met in totaal 96 ouderen (gemiddeld 7.4 per cursus). Er zijn nog geen GRIP-cursussen gegeven. Een deel van de organisaties blijkt heel succesvol te zijn in het plannen en uitvoeren van de cursussen. Toch is er ook een aantal organisaties dat met belemmerende factoren kampt, zoals ziekte van GLANS-docenten, reorganisatie, moeite met de werving van ouderen voor de cursussen, en financiële krapte. Hierdoor loopt de inclusie van ouderen voor deelname aan de cursussen en dus de uitvoering van de cursussen enigszins achter op de planning.

 

Om het geplande aantal van 400 ouderen te realiseren zijn door het projectteam verschillende initiatieven ontplooid (o.a. website voor ouderen, werkconferentie met professionals, en site-visits bij organisaties) die in de tweede helft van het project hun vruchten moeten gaan afwerpen.

 

Samenvattend kunnen we concluderen dat het projectteam er in de eerste helft van het project boven verwachting in is geslaagd om op het niveau van de professionals en organisaties (intermediaire doelgroepen) deskundigheid, enthousiasme en betrokkenheid voor het GRIP en GLANS-aanbod te bewerkstelligen. Dit resultaat vormt een noodzakelijke voorwaarde voor het bereiken en ‘empoweren’ van de uiteindelijke doelgroep, de (kwetsbare) ouderen, in de resterende looptijd van het project.

 

Samenvatting van de aanvraag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

In de laatste jaren wordt steeds duidelijker onderkend dat “de ouderenzorg” niet alleen medische zorg, maar ook ondersteuning van zelfmanagement en welbevinden omvat. Echter, het blijkt nog moeilijk deze concepten om te zetten in feitelijke interventies of zorgpaden voor (kwetsbare) ouderen. Zelfmanagementbenaderingen zijn in opkomst in de zorg, maar zijn veelal gericht op het ‘managen’ van één specifiek gezondheidsprobleem (bijvoorbeeld diabetes). Voor kwetsbare ouderen, die op meerdere domeinen van het functioneren verliezen in hulpbronnen hebben geleden (of dreigen te lijden), is juist een bredere zelfmanagementbenadering nodig, gericht op meerdere domeinen van het functioneren en welbevinden. De GRIP- en GLANS-cursussen die in dit implementatieproject centraal staan zijn gebaseerd op zo’n bredere aanpak van zelfmanagement. De GRIP-cursus is een serie huisbezoeken (‘GRIP op het leven’) en is bedoeld voor matig kwetsbare mannen en vrouwen van 65 jaar en ouder voor wie het bezoeken van een groepscursus (te) lastig is geworden. De GLANS-cursus (‘Geef uw leven een beetje meer GLANS’) is een groepscursus en is bedoeld voor sociaal kwetsbare vrouwen van 60 jaar en ouder, die mobiel genoeg zijn om naar een groepscursus te komen.

 

Ondanks de positieve en innovatieve insteek, en ondanks dat ze evidence-based zijn, vinden de GRIP- en GLANS-cursussen nog maar beperkt ingang in de praktijk. Het doel van het onderhavige project is daarom het planmatig implementeren van de GRIP- en GLANS-cursussen in welzijns- en zorgorganisaties, en de systematische evaluatie van deze implementatie. Voor het realiseren van dit doel worden 15 zorg- en welzijnsorganisaties in de Opleidings- en Onderwijs Regio van het Universitair Medisch Centrum Groningen benaderd om de cursussen in hun cursusaanbod op te nemen. Binnen deze organisaties worden minimaal 30 professionals getraind om de cursussen aan ouderen te gaan geven. Vervolgens worden in samenwerking met de organisaties minimaal 400 ouderen geïncludeerd voor deelname aan de GRIP- of GLANS-cursussen.

 

Het implementatieproces wordt in vier elkaar overlappende fasen uitgevoerd. In de eerste fase worden organisaties en professionals geïnformeerd en gemotiveerd om de cursussen in hun welzijnsaanbod op te nemen. In de tweede fase worden professionals getraind als docent. In de 3e fase worden de ouderen benaderd en gemotiveerd om aan de cursussen deel te nemen en worden de cursussen gegeven. In de 4e fase staat de bestendiging centraal, maar reeds vanaf fase 1 wordt veel aandacht besteed aan het creëren van een breed draagvlak voor de implementatie met het oog op de uiteindelijke bestendiging.

 

De evaluatie van de implementatie bestaat uit een proces- en een effectevaluatie. In de procesevaluatie worden alle stappen van de implementatie in kaart gebracht en wordt vastgesteld welke belemmerende en bevorderende factoren al dan niet een rol spelen bij het succesvol implementeren. De factoren worden per niveau bepaald: het niveau van de (locale) politiek/het beleid, de organisaties, de professionals en de ouderen.

Ook de effectiviteit van de implementatie wordt op al deze niveaus vastgesteld. Het effect op het niveau van het beleid wordt zichtbaar in de bereidheid om de cursussen gedeeltelijk of volledig te financieren (bijv. via WMO-doelstellingen). Voor het niveau van de organisaties wordt vastgesteld of met het nieuwe aanbod beter kan worden ingespeeld op de (latente) behoefte van ouderen aan ondersteuning bij het behoud van zelfmanagement en welbevinden. Voor het bepalen van de effectiviteit op het niveau van de professionals wordt bepaald of het volgen van de training en het aanbieden van de cursussen tot meer expertise en betere methodieken leidt in het ondersteunen van kwetsbare ouderen.

De effectiviteit op het niveau van de ouderen wordt vastgesteld door naar de verwachte verbeteringen in zelfmanagementvaardigheden en welbevinden te kijken. Hiervoor worden de deelnemende ouderen gevraagd op verschillende momenten een vragenlijst in te vullen: voorafgaand aan de cursus (t0), direct na afloop van de cursus (t1), en zes (t2) en twaalf maanden na de cursus (t3). Er wordt gebruik gemaakt van gevalideerde instrumenten voor het meten van zelfmanagementvaardigheden en welbevinden. Tevens wordt de door het NPO voorgeschreven Minimale Dataset (MDS) afgenomen, aangevuld met vragen over reguliere consulten huisarts / praktijkondersteuner en het gebruik van de informele zorg.

Tot slot wordt de kosten-effectiviteit van de cursussen bepaald. Dit wordt gedaan aan de hand van gecombineerde methoden, waarbij de kosten van het aanbieden van de cursussen worden afgezet tegen de baten die ouderen van de cursussen ondervinden.

Het onderhavige project moet leiden tot goed onderbouwde inzichten in de mogelijkheden en beperkingen van de invoering van de GRIP- en GLANS-cursussen in de praktijk en in de omstandigheden waaronder dit nieuwe aanbod effectief en duurzaam ingevoerd kan worden.

 

 

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: NavigatieDirect naar: Onderkant website