Verslagen

Samenvatting van de aanvraag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Zorgverleners doen veel diagnostische verrichtingen en therapeutische ingrepen waarvan de toegevoegde waarde voor de patiënt niet is aangetoond. (Inter-)nationaal bestaat er draagvlak voor de constatering dat een aanzienlijk deel van de nu aangeboden zorg geen toegevoegde waarde heeft en soms zelf schadelijk kan zijn. Uitgangspunt van dit Citrien-programma is de overtuiging dat er ook in Nederland veel van deze zogenoemde lower-value services worden geleverd in de vorm van aanbodgevoelige en/of (onder condities) ineffectieve zorg. Dit gebeurt veelal omdat zorgverleners zich er vaak niet goed van bewust zijn bij welke subpopulaties zorg (in-)effectief is of op welk moment in het ziekteproces een bepaald type zorg (in-)effectief is.

 

Het reduceren van lower-value services is wenselijk voor patiënten omdat ze dan niet meer bloot gesteld worden aan schadelijke ineffectieve zorg. Bovendien heeft dit in potentie een aanzienlijke kostenreductie tot gevolg. Van verschillende kanten wordt aangegeven dat van ongeveer de helft van de zorg het de vraag is of deze toegevoegde waarde heeft. De investeringen in dit Citrien-programma zijn slechts een fractie van de mogelijke toekomstige opbrengsten. Hierbij staan drie strategieën centraal voor het deïmplementeren van lower-value services.

- De eerste strategie richt zich op het in kaart brengen en deïmplementeren van interventies waarvan wetenschappelijk aangetoond is dat zij geen toegevoegde waarde hebben voor de patiënt of zelfs schadelijk zijn: Better do not.

- De tweede strategie richt zich op het opsporen en deïmplementeren van interventies waarbij zorgverleners beter terughoudender kunnen zijn dan ze gewend waren: Active surveillance.

- Bij de derde strategie gaat het om het opsporen en deïmplementeren van zorghandelingen waarvan de waarde voor de patiënt wel is aangetoond maar die alleen voor een beperkt deel van de patiëntenpopulatie effectief zijn: Selective targeting.

 

In verschillende landen circuleren lijsten voor beter-niet-doen-zorg. Er wordt daar echter relatief weinig aandacht besteed aan de feitelijke deïmplementatie en aan de vraag hoe zorgverleners samen met de patiënt betere keuzes kunnen maken. Hier ligt dus een belangrijke taak voor de umc’s en hun netwerkpartners om in Nederland de voortrekkersrol te vervullen in wat en hoe te deïmplementeren. Cruciaal is dat de umc’s bij hun plannen voor deïmplementeren intensief samenwerken met veel partijen in hun lokale zorgnetwerken, met name de algemene ziekenhuizen, de huisartsen, de patiënten en de zorgverzekeraars.

 

Dit programma bestaat uit drie fases:

 

In de eerste fase (1 maart 2015 – 1 maart 2016) wordt bepaald welke specifieke diagnostische en therapeutische interventies zich het best lenen voor deïmplementatie. Er komt eerst een online survey onder de relevante partijen in Nederland om tot een voorselectie van kansrijke onderwerpen voor deïmplementatie te komen. Parallel hieraan worden enkele voorbeelden van moeizaam vorderende deïmplementatie in Nederland geanalyseerd aan de hand van literatuuronderzoek en interviews. Vervolgens wordt een internationale werkconferentie georganiseerd om tot definitieve selectie van onderwerpen te komen met als resultaat een realistische, breed gedragen en ambitieuze beter-niet-doen-lijst voor Nederland met maximaal 30 voorbeelden. Behalve het delen van kennis en ervaringen zullen de internationale experts ook toelichting geven over hoe in andere landen het selectieproces heeft plaatsgevonden. Ten slotte worden de thema’s door en onder de umc’s verdeeld en stellen zij in combinaties van minimaal twee umc’s, inclusief hun lokale zorgnetwerken, een plan van aanpak op voor de deïmplementatie.

 

In de tweede fase (1 maart 2016 tot 1 september 2018) worden deze plannen uitgevoerd onder coördinatie van de umc’s in samenwerking met de verschillende betrokken partijen in de regio. Samenwerking met algemene ziekenhuizen is hierbij een randvoorwaarde met name om voldoende draagvlak te creëren. Ook huisartsen zullen intensief bij deze projecten worden betrokken. Bij deze regionale samenwerking kunnen de umc’s gebruik maken van bestaande netwerken. De umc’s zullen elkaar tevens in leernetwerken ontmoeten om ervaringen te delen en van elkaar te leren.

 

In de derde fase (1 maart 2018 tot 1 september 2018) zullen de umc’s hun kennis verspreiden. Het doel is om de decentraal ontwikkelde kennis op te schalen naar meer regio’s, waarmee op grote schaal helder wordt welke diagnosen en behandelingen effectief zijn, onder welke omstandigheden en bij welke patiëntencategorieën (opschaling volgens de leernetwerk methode). Op basis van het scala aan ervaringen zal een procesverslag en deïmplementatiegids worden samengesteld. Tevens zal gedurende het onderzoeksprogramma een website informatie geven en een discussieplatform bieden over het deïmplementeren van lower-value services.

 

 

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: NavigatieDirect naar: Onderkant website