Verslagen

Eindverslag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Binnen ons project hebben we ongeveer 800 ziekenhuismedewerkers vervolgd tijdens de COVID-19 pandemie via vragenlijsten en bloedafnames. Hierbij zagen we dat medewerkers die met COVID-19 patiënten werkten, vaker zelf besmet raakten met SARS-CoV-2. Middels genetische analyse van het virus werd gezien dat besmetting vaker plaats vindt van medewerker-naar-medewerker dan van patiënt-naar-medewerker. Daarnaast tonen onze resultaten dat er een zekere kruisbescherming lijkt te bestaan tegen SARS-CoV-2 dankzij eerder verkregen antistoffen tegen een ander coronavirus welke doorgaans verkoudheid veroorzaakt (OC43). Onderzoek van de immuunrespons na vaccinatie toont dat medewerkers die reeds een infectie met SARS-CoV-2 hebben doorgemaakt een vergelijkbare tot zelfs betere antistofrespons vertoonden na 1 vaccinatie met BNT162b2 (Pfizer) in vergelijking met medewerkers die niet eerder geïnfecteerd zijn geweest na 2 vaccinaties. De resultaten van dit onderzoek zijn van belang op het gebied van infectiepreventie, vaccinontwikkeling en het vaccinatiebeleid.

Resultaten
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Serologische surveillance en fylogenetische analyse van SARS-CoV-2-infectie onder ziekenhuismedewerkers.

Onder 801 ziekenhuismedewerkers (healthcare workers (HCW)) waren er 439 werkzaam in de patiëntenzorg mét COVID-19 patiënten, 164 in de patiëntenzorg zónder COVID-19 patiënten, en waren 198 ziekenhuismedewerkers die niet in de patiëntenzorg werkten. Het cohort bestond uit 580 (72,4%) vrouwen en de mediane leeftijd was 36 jaar. De incidentie van SARS-CoV-2-infecties was verhoogd onder ziekenhuismedewerkers mét COVID-19 patiëntencontact (54 HCW [13,2%; 95% BI, 9,9%-16,4%]) vergeleken met ziekenhuismedewerkers zónder COVID-19 patiëntencontact (11 HCW's [6,7%; 95% BI, 2,8%-10,5%]; hazard ratio [HR], 2,25; 95% BI, 1,17-4,30) en ziekenhuismedewerkers die niet werkzaam zijn in de patiëntenzorg (7 HCW [3,6% 95%-BI 0,9%-6,1%] HR 3,92 95%-BI 1,79-8,62). In de groep ziekenhuismedewerkers mét COVID-19 patiëntencontact, was de cumulatieve incidentie van SARS-CoV-2-infectie het hoogst onder medewerkers van COVID-19-verpleegafdelingen (32 van 134 HCW [25,7%; 95% BI, 17,6%-33,1%]), in vergelijking met ICU-medewerkers (13 van 186 HCW [7,1%; 95% CI, 3,3%-10,7%]; HR, 3,64; 95% CI, 1,91-6,94), en SEH medewerkers (7 van 102 HCW [ 8,0%; 95% BI, 2,5%-13,1%]; HR, 3,29; 95% BI, 1,52-7,14). Epidemiologische gegevens gecombineerd met fylogenetische* analyses op COVID-19-afdelingen identificeerden 3 potentiële ziekenhuismedewerker-naar-ziekenhuismedewerker-transmissieclusters. In transmissieanalyses konden geen patiënt-naar-ziekenhuismedewerker-transmissieclusters worden geïdentificeerd. Artikel in JAMA Network Open.

*fylogenetisch: afstammingsgeschiedenis van een groep organismen

 

Invloed van antistoffen tegen humane seizoensgebonden coronavirussen op de incidentie en ernst van COVID-19.

We bestudeerden de associatie tussen antistoffen tegen seizoensgebonden humane coronavirussen (OC43, HKU1, 229E en NL63) en de incidentie van SARS-CoV-2 infecties tijdens de eerste pandemische golf. We vonden dat ziekenhuismedewerkers met hoge antistofconcentraties tegen het nucleocapside eiwit van OC43, minder vaker geïnfecteerd raakten met SARS-CoV-2 dan mensen met lagere antistoffenconcentraties (respectievelijk 6/32 met antistofconcentraties in het hoogste kwartiel, 18,8%, vs 42/97, 43,3%: p=0.019, HR 0,37, 95% BI 0,16-0,88). We vonden geen associatie tussen HKU1, 229E en NL63 en de incidentie van SARS-CoV-2-infectie of tussen antistoffen tegen humane seizoensgebonden coronavirussen (HCoVs) en de ernst van COVID-19. Een samenvatting van deze resultaten is ge-pre-publiceerd en beoordeeld door reviewers van iScience. Na aanvullende suggesties onderzoeken wij momenteel of er aanwijzingen zijn dat mensen met antistoffen in het hoogste kwartiel tegen OC43 een recente infectie met dit coronavirus door hebben gemaakt. Wij breiden hiervoor de analyses uit met het bepalen van immunoglobuline A (IgA) in serum van maart tot en met juni 2020 van deelnemers aan deze studie.

 

Tijd sinds SARS-CoV-2-infectie en humorale immuunrespons na BNT162b2-mRNA-vaccinatie.

We vergeleken de antistofrespons na SARS-CoV-2 (BNT162b2-mRNA) vaccinatie tussen deelnemers zonder eerder doorgemaakte infectie en deelnemers met een recente (< 6 maanden), of langer geleden (> 6 maanden) doorgemaakte SARS-CoV-2 infectie. Zowel recent als eerder geïnfecteerde deelnemers vertoonden een vergelijkbare humorale immuunrespons na één enkele -vaccinatie, die de antistofrespons van eerder niet-geïnfecteerde personen na twee vaccinaties overtrof: respectievelijk 2,5 maal (p = 0,003) en 3,4 maal (p <0,001) voor bindende antilichaamniveaus, en respectievelijk 6,4 maal en 7,2 maal voor neutraliserende antistoftiters (beide p < 0,001). De tweede vaccindosis gaf geen verdere substantiële verbetering van de humorale respons bij de eerder geïnfecteerde deelnemers (0,97 maal, p = 0,92), terwijl deze wel geassocieerd was met een 4-voudige toename van antilichaambindingsniveaus en 18-voudige toename van neutraliserende antistoftiters bij voorheen niet-geïnfecteerde deelnemers (beide p < 0,001). Correctie voor mogelijke invloed van geslacht en leeftijd op deze bevindingen gaf geen verandering van resultaten. Artikel in eBioMedicine.

 

Voortgangsverslag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

In de S3 studie vervolgen we 3 groepen ziekenhuismedewerkers binnen Amsterdam UMC (artsen en verpleegkundigen op de COVID-afdelingen; artsen en verpleegkundigen op de niet-COVID afdelingen en medewerkers zónder direct patiëntencontact) sinds het begin van de pandemie (maart 2020). Wij kijken regelmatig of deze medewerkers antistoffen hebben gemaakt tegen SARS-CoV-2 en inventariseren middels vragenlijsten o.a. blootstelling aan SARS-CoV-2 en COVID-19 gerelateerde klachten. Hiermee onderzoeken we of (en hoe) zorgmedewerkers vaker geïnfecteerd raken om infectiepreventiemaatregelen te kunnen optimaliseren. Hiernaast onderzoeken we o.a. of het hebben van antistoffen tegen ándere coronavirussen die in Nederland frequent een 'gewone' verkoudheid veroorzaken, invloed heeft op het oplopen van SARS-CoV-2 en ziektebeloop (klachten, antistofrespons etc.). Ook onderzoeken we de immuunrespons na vaccinatie en de werkzaamheid van de vaccins tegen de verschillende varianten van het virus. Tot slot inventariseren we psychische klachten onder zorgpersoneel.

Resultaten
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

De resultaten die we tot nu tot hebben verkregen laten zien dat zorgpersoneel, werkzaam in de COVID-19 patiëntenzorg, vaker geïnfecteerd raakt met SARS-CoV-2. Dit blijkt waarschijnlijker te berusten op virusoverdracht van medewerker naar medewerker, dan van patiënt naar medewerker. Dit zijn waardevolle resultaten om de infectiepreventiemaatregelen te kunnen verbeteren. Daarnaast heeft ons onderzoek aangetoond dat een vaccinatie met 1 mRNA vaccin (zoals Pfizer of Moderna) voldoende is als iemand (ten minste) in de 10 maanden voorafgaand aan vaccinatie een infectie met SARS-CoV-2 heeft gehad.

Samenvatting van de aanvraag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Research questions:

1.To determine SARS-CoV-2 infection rates amongst health care workers (HCW), to identify risk factors for acquiring an infection, and to assess effectiveness of preventative measures, by monitoring specific antibody (Ab) response in HCW with and without direct COVID-19 patient contact.

2.To assess the association between prior non-SARS-CoV-2 CoV Ab levels on one hand, and SARS-CoV-2 disease severity, Ab and cellular immune response on the other.

 

Urgency and hypothesis:

Strict infection prevention measures are applied to prevent transmission from patients to HCW. Still, there is debate about the effectiveness of proposed measures and to what extent personnel is nonetheless exposed. Therefore, we monitor seroconversion rates in a cohort of exposed (doctors and nurses on the COVID units) and non-exposed HCW. How, when and where is our personnel at risk? Furthermore, understanding what effect pre-existing (non-SARS-CoV2-) CoV Ab have on SARS-CoV-2-disease severity, Ab and cellular immune responses can have far reaching consequences. Not only will this provide important insight into SARS-CoV-2 pathophysiology; these findings may have important implications for projections on the course of this pandemic, which could then guide public health interventions.

 

Action plan/ strategy:

Design: Prospective cohort study of HCW with different levels of exposure to SARS-CoV-2: exposed (physicians [n=200] and nurses [n=200] working on COVID-19 wards), and non-exposed (HCW without direct patient contact [n=200] and HCW in non-COVID direct patient care [n=200]).

 

Methods: Serial, monthly questionnaires and serology over a period of 4 months (T1-T5). Survey includes health complaints (COVID-19 symptoms and severity) and work conditions (e.g. quantative exposure to COVID-19 patients, ability to keep social distance on the work floor, use of PPE etc.). Testing of pre-existing non-SARS-CoV2 HCoV Ab at T1, and SARS-2 specific and cross-reactive Ab and T-cell responses at T5.

 

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: NavigatieDirect naar: Onderkant website