Verslagen

Voortgangsverslag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

In dit project adresseren we de maatschappelijke consequenties van de COVID-19 pandemie. Meer specifiek kijken we naar uitkomsten op de terreinen van werk & inkomen, onderwijs, sociaal-psychologisch welbevinden, solidariteit, en vertrouwen in instituties. We doen onderzoek op data speciaal verzameld om de gevolgen van de pandemie in kaart te brengen, en onderzoek op bestaande data om kwetsbare groepen te identificeren. We onderzoeken maatschappelijke scheidslijnen, identificeren kwetsbare groepen, en formuleren beleidsstrategieën voor het versterken van veerkracht van personen, organisaties en de samenleving.

Resultaten
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Ons onderzoek toont aan dat de beloning van mensen werkzaam in 'cruciale beroepen' zo'n 5% hoger is dan van hen werkzaam in niet-cruciale beroepen. Er zijn wel verschillen tussen bedrijfstakken. In de gezondheidszorg verdienen 'cruciale beroepen' meer dan niet-cruciale beroepen, en dat verschil is groter geworden tussen 2006-2019. In het onderwijs verdienen mensen werkzaam in cruciale beroepen juist minder dan mensen in niet-cruciale beroepen met hetzelfde opleidings- en baanniveau. En als we kijken naar verschillen binnen beroepsniveaus, worden de technici met een cruciaal beroep relatief slecht betaald vergeleken met technici zonder cruciaal beroep, terwijl onder mensen werkzaam in elementaire beroepen de beloning juist relatief hoog is. Deze resultaten geven inzicht in de (economische) waardering van cruciale beroepen in verschillende bedrijfstakken en beroepsniveaus, en kunnen behulpzaam zijn bij het maatschappelijke debat rondom beloning van mensen werkzaam in deze beroepen.

 

Het rapport van Bol, Belfi en Borghans (2020, werkpakket 1.1) beschrijft de resultaten van een onderzoek onder ouders, over het thuisonderwijs ten tijde van de schoolsluitingen in voorjaar 2020. Opvallend is dat het aanbod van scholen ten aanzien van online lessen verschilt tussen de groepen van de basisschool, met een toename van het schoolaanbod tussen groep 1-5 en stabilisatie daarna. De betrokkenheid van de ouders is daar in zekere zin aan gespiegeld: ouders bieden het meeste structuur voor het thuisonderwijs in groepen 3 en 4.

 

Er zijn wel grote verschillen tussen ouders in het belang dat men hecht aan onderwijs, het aanbod dat hun kinderen van de school krijgen, en de mate waarin men zichzelf in staat acht om hulp te geven. Het thuisonderwijs op de basisschool voor kinderen uit lagere milieus komt vaker in de knel. Dit uit zich echter niet in een verschillend aantal uren dat kinderen aan thuisonderwijs besteedden.

 

Op het voortgezet onderwijs heeft sociaal milieu ook invloed op de leercondities (bv. het hebben van een computer of een eigen plek) en op de hulp die worden geboden met thuisonderwijs.

 

Er zijn tevens verschillen tussen VO-niveau, waarbij de condities gunstiger zijn voor vwo-leerlingen, en zij ook meer uren besteden aan thuisonderwijs, terwijl ouders beter in staat waren om vmbo-leerlingen te helpen met huiswerk.

 

Deze resultaten zijn van belang om mee te nemen in politieke overwegingen om scholen al dan niet verder te sluiten. Schoolsluitingen raken het meest aan de scholing van kinderen uit minder hoog opgeleide milieus, en zullen daarmee de sociale mobiliteit mogelijk verminderen en de kansenongelijkheid vergroten.

 

De studie van Van de Werfhorst, Kessenich en Geven (2020, werkpakket 1.4) onderzoekt in welke mate er een ‘digital divide’ is tussen leerlingen van verschillende sociaaleconomische en migratie-achtergronden en de scholen waar zij naartoe gaan, voorafgaand aan het begin van de pandemie. Gebruikmakend van een studie onder leerlingen en scholen in zeven landen in de tweede klas van het voortgezet onderwijs, waar Nederland niet bij zit en een studie van leraren en schoolleiders van het voortgezet onderwijs in 45 landen waaronder Nederland, onderzoeken we de digitale kloof. We vinden dat er een aanzienlijke digitale kloof is tussen leerlingen uit verschillende sociaaleconomische milieus en met en zonder migratieachtergrond. Deze verschillen vinden we vooral in de digitale vaardigheden van leerlingen zelf. Er zijn echter weinig aanwijzingen dat kinderen uit minder welvarende milieus of met een migratieachtergrond naar scholen gaan waar de digitale infrastructuur, en de aandacht die aan ICT in het onderwijs, minder goed ontwikkeld zijn.

 

Als we meer specifiek naar Nederland kijken, zien we een kleine samenhang tussen de sociaaleconomische compositie van een school en de mate waarin leraren aandacht hebben gehad voor ICT in hun lerarenopleiding. Op scholen met minder achterstandsleerlingen werken leraren die gemiddeld iets vaker een lerarenopleiding hebben gevolgd waar aandacht was voor ICT in het onderwijs. Op an

Samenvatting van de aanvraag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

In dit project adresseren we de maatschappelijke consequenties van de COVID-19 pandemie. Meer specifiek kijken we naar uitkomsten op de terreinen van werk & inkomen, onderwijs, sociaal-psychologisch welbevinden, solidariteit, en vertrouwen in instituties. We doen onderzoek op data speciaal verzameld om de gevolgen van de pandemie in kaart te brengen, en onderzoek op bestaande data om kwetsbare groepen te identificeren. We onderzoeken maatschappelijke scheidslijnen, identificeren kwetsbare groepen, en formuleren beleidsstrategieën voor het versterken van veerkracht van personen, organisaties en de samenleving.

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: NavigatieDirect naar: Onderkant website