Verslagen

Eindverslag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

De COVID-19-pandemie heeft de samenleving ontwricht. We onderzochten de maatschappelijke consequenties van de pandemie op het terrein van onderwijs, werk en inkomen, solidariteit, en vertrouwen in instituties. In het onderwijs nemen ongelijkheden toe als gevolg van de schoolsluitingen en het afzeggen van de eindtoets in het basisonderwijs. Sociale milieus verschillen in de hulpbronnen die ouders kunnen aanwenden om hun kinderen te helpen met school, zoals hulp bij huiswerk en digitale infrastructuur. Scholen verschillen ook in de mate waarin men “digitaal voorbereid” was voor de snelle overschakeling naar online onderwijs, waarbij overigens de digitaliteit van scholen niet samenhing met hun leerlingcompositie.

 

Qua welbevinden zijn de resultaten in het onderwijs enigszins geruststellend; er lijkt geen neergaande trend te zijn onder leerlingen in de basisschool en de eerste klas van het voortgezet onderwijs in hoe goed leerlingen in hun vel zitten. Ook hebben leerlingen de overgang van de basisschool naar het VO gemakkelijk ervaren. Maar onder volwassenen, met name onder kwetsbare groepen met lagere inkomens en opleidingsniveaus, namen gevoelens van somberheid toe, mede als gevolg van een verslechtering van de situatie en vooruitzichten op de arbeidsmarkt. Qua maatschappelijk vertrouwen zien we dan ook dat dit, in de tweede helft van 2020, afnam. Waar de samenleving veel vertrouwen had in de politiek bij het begin van de pandemie, nemen kloven in de samenleving toe.

 

Resultaten
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Onderwijs

In het onderwijs kijken we naar hoe gezinnen omgingen met de schoolsluitingen: zijn ouders in staat om kinderen te helpen met schoolwerk? Het bleek dat de voorzieningen sociaal gestratificeerd zijn: kinderen uit lagere milieus kunnen minder makkelijk op hun ouders leunen om hen te helpen met schoolwerk dan kinderen uit hogere milieus.

 

Ook onderzochten we hoe leraren op de basisschool omgaan met het wegvallen van de eindtoets: hoe kunnen ze tot goede advisering over te gaan? Het schooladvies dat leraren vlak voor de pandemie al gegeven hadden kon opeens niet meer worden bijgesteld. Gezien de bevindingen uit andere onderzoeken dat het wegvallen van de toets tot een grotere ongelijkheid leidde in de overgang van het basis- naar het voortgezet onderwijs, kunnen we concluderen dat de centrale eindtoets sturing geeft en gelijkheidsbevorderend werkt.

 

Als we meer specifiek naar het welbevinden van leerlingen kijken zijn de resultaten enigszins geruststellend. In twee verschillende dataverzamelingen bleek dat het welzijn van leerlingen in de loop van 2020 niet achteruit is gegaan (op de basisschool en eerste klas voortgezet onderwijs). Wel zagen we dat een aanzienlijke groep kinderen hun vrienden amper in het echt zag tijdens de eerste schoolsluiting. Dat de schoolsluitingen niet gepaard ging met een achteruitgang in welbevinden is geruststellend, omdat ‘reparatie-mogelijkheden’ voor leervertragingen zoals momenteel geboden door het Nationaal Plan Onderwijs mogelijkerwijs beter landen dan wanneer leerlingen in toenemende mate negatieve gevoelens zouden hebben ontwikkeld.

 

De (ongelijke) toegang tot digitale infrastructuur is ook onderzocht, met bestaande data die de situatie weergaven vlak voorafgaand aan de pandemie. De vraag was: welke scholen zijn goed voorbereid op de plotselinge digitale revolutie in het onderwijs? We vonden verschillen in ‘digitale voorbereiding’ tussen leerlingen naar sociaal milieu en, in mindere mate, migratieachtergrond. Deze digitale kloof was niet alleen een kwestie van digitale infrastructuur (apparaten, internet), maar vooral ook in de digitale vaardigheden van leerlingen. Scholen varieerden ook in de mate waarin zij digitaal voorbereid zijn. Maar de verschillen tussen scholen hingen nauwelijks samen met hun leerlingsamenstelling naar sociaal milieu en migratieachtergrond. Het is dus niet zo dat de ‘digitaal slecht voorbereide’ scholen de scholen waren waar veel achterstandskinderen op zaten.

 

Arbeidsmarkt

Uit de analyse blijkt dat COVID-19 wat betreft werk en inkomen vooral onder zelfstandigen voor een grote schrok heeft gezorgd. Vooral respondenten die werkzaam zijn in de horeca, de culturele sector, personenvervoer en onderwijs hebben te maken met verlies van werk en inkomen. In veel gevallen kwam hun werk in het voorjaar volledig stil te liggen.

 

We bekeken of er een samenhang is tussen enkele achtergrondkenmerken van de respondenten en de verschillende houdingen ten aanzien van werk en inkomen. Jongeren zijn over het algemeen positiever over de huidige situatie en over de toekomst dan ouderen. Vooral respondenten met een minimuminkomen zijn vaak negatief over hun huidige situatie en somber over de toekomst. Maar ook onder respondenten met een modaal tot tweemaal modaal inkomen komt dergelijke somberheid relatief vaak voor.

 

De pandemie heeft ook opeens helder gemaakt welke ‘cruciale beroepen’ bestaan om het land draaiende te houden. Ons onderzoek toont aan dat de beloning van mensen werkzaam in 'cruciale beroepen' voor Corona al zo'n vijf procent hoger is dan van hen werkzaam in niet-cruciale beroepen (gecontroleerd voor achtergrondkenmerken, bedrijfstak en beroepsniveau). Er zijn echter wel verschillen tussen bedrijfstakken. In de gezondheidszorg verdienen 'cruciale beroepen' meer dan niet-cruciale beroepen, en dat verschil is groter geworden tussen 2006-2019. In het onderwijs verdienen mensen werkzaam in cruciale beroepen juist minder dan mensen in niet-cruciale beroepen met hetzelfde opleidings- en baanniveau (docenten versus bestuursstafmedewerkers bijvoorbeeld). Deze resultaten kunnen behulpzaam zijn bij het maatschappelijke debat rondom beloning van mensen werkzaam in deze beroepen.

 

Vertrouwen en solidariteit

In ons onderzoek wordt geschetst dat er tussen de eerste en de tweede golf van de COVID-19 pandemie een verandering heeft plaatsgevonden, van eensgezindheid naar verdeeldheid. De maatschappelijke consequenties van overheidsmaatregelen worden steeds helderder, en de verschillende belangengroepen worden steeds beter zichtbaar, en roeren zich. Dit gaat gepaard met grotere verschillen tussen groepen in het vertrouwen dat burgers hebben in de overheid. Lagere inkomensgroepen bleken ook vaker de zorg te mijden voor niet-Covid-gerelateerde klachten

 

Voortgangsverslag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

In dit project adresseren we de maatschappelijke consequenties van de COVID-19 pandemie. Meer specifiek kijken we naar uitkomsten op de terreinen van werk & inkomen, onderwijs, sociaal-psychologisch welbevinden, solidariteit, en vertrouwen in instituties. We doen onderzoek op data speciaal verzameld om de gevolgen van de pandemie in kaart te brengen, en onderzoek op bestaande data om kwetsbare groepen te identificeren. We onderzoeken maatschappelijke scheidslijnen, identificeren kwetsbare groepen, en formuleren beleidsstrategieën voor het versterken van veerkracht van personen, organisaties en de samenleving.

Resultaten
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Ons onderzoek toont aan dat de beloning van mensen werkzaam in 'cruciale beroepen' zo'n 5% hoger is dan van hen werkzaam in niet-cruciale beroepen. Er zijn wel verschillen tussen bedrijfstakken. In de gezondheidszorg verdienen 'cruciale beroepen' meer dan niet-cruciale beroepen, en dat verschil is groter geworden tussen 2006-2019. In het onderwijs verdienen mensen werkzaam in cruciale beroepen juist minder dan mensen in niet-cruciale beroepen met hetzelfde opleidings- en baanniveau. En als we kijken naar verschillen binnen beroepsniveaus, worden de technici met een cruciaal beroep relatief slecht betaald vergeleken met technici zonder cruciaal beroep, terwijl onder mensen werkzaam in elementaire beroepen de beloning juist relatief hoog is. Deze resultaten geven inzicht in de (economische) waardering van cruciale beroepen in verschillende bedrijfstakken en beroepsniveaus, en kunnen behulpzaam zijn bij het maatschappelijke debat rondom beloning van mensen werkzaam in deze beroepen.

 

Het rapport van Bol, Belfi en Borghans (2020, werkpakket 1.1) beschrijft de resultaten van een onderzoek onder ouders, over het thuisonderwijs ten tijde van de schoolsluitingen in voorjaar 2020. Opvallend is dat het aanbod van scholen ten aanzien van online lessen verschilt tussen de groepen van de basisschool, met een toename van het schoolaanbod tussen groep 1-5 en stabilisatie daarna. De betrokkenheid van de ouders is daar in zekere zin aan gespiegeld: ouders bieden het meeste structuur voor het thuisonderwijs in groepen 3 en 4.

 

Er zijn wel grote verschillen tussen ouders in het belang dat men hecht aan onderwijs, het aanbod dat hun kinderen van de school krijgen, en de mate waarin men zichzelf in staat acht om hulp te geven. Het thuisonderwijs op de basisschool voor kinderen uit lagere milieus komt vaker in de knel. Dit uit zich echter niet in een verschillend aantal uren dat kinderen aan thuisonderwijs besteedden.

 

Op het voortgezet onderwijs heeft sociaal milieu ook invloed op de leercondities (bv. het hebben van een computer of een eigen plek) en op de hulp die worden geboden met thuisonderwijs.

 

Er zijn tevens verschillen tussen VO-niveau, waarbij de condities gunstiger zijn voor vwo-leerlingen, en zij ook meer uren besteden aan thuisonderwijs, terwijl ouders beter in staat waren om vmbo-leerlingen te helpen met huiswerk.

 

Deze resultaten zijn van belang om mee te nemen in politieke overwegingen om scholen al dan niet verder te sluiten. Schoolsluitingen raken het meest aan de scholing van kinderen uit minder hoog opgeleide milieus, en zullen daarmee de sociale mobiliteit mogelijk verminderen en de kansenongelijkheid vergroten.

 

De studie van Van de Werfhorst, Kessenich en Geven (2020, werkpakket 1.4) onderzoekt in welke mate er een ‘digital divide’ is tussen leerlingen van verschillende sociaaleconomische en migratie-achtergronden en de scholen waar zij naartoe gaan, voorafgaand aan het begin van de pandemie. Gebruikmakend van een studie onder leerlingen en scholen in zeven landen in de tweede klas van het voortgezet onderwijs, waar Nederland niet bij zit en een studie van leraren en schoolleiders van het voortgezet onderwijs in 45 landen waaronder Nederland, onderzoeken we de digitale kloof. We vinden dat er een aanzienlijke digitale kloof is tussen leerlingen uit verschillende sociaaleconomische milieus en met en zonder migratieachtergrond. Deze verschillen vinden we vooral in de digitale vaardigheden van leerlingen zelf. Er zijn echter weinig aanwijzingen dat kinderen uit minder welvarende milieus of met een migratieachtergrond naar scholen gaan waar de digitale infrastructuur, en de aandacht die aan ICT in het onderwijs, minder goed ontwikkeld zijn.

 

Als we meer specifiek naar Nederland kijken, zien we een kleine samenhang tussen de sociaaleconomische compositie van een school en de mate waarin leraren aandacht hebben gehad voor ICT in hun lerarenopleiding. Op scholen met minder achterstandsleerlingen werken leraren die gemiddeld iets vaker een lerarenopleiding hebben gevolgd waar aandacht was voor ICT in het onderwijs. Op andere indicatoren van de ICT-omgeving in de school, vinden we geen aanwijzingen dat het percentage achterstandsleerlingen of leerlingen met een migratieachtergrond ermee samenhangt.

 

Tegelijkertijd zijn er wel soms aanzienlijke verschillen tussen scholen in Nederland, met name als het gaat om het gebruik van ICT voor huiswerk, maar deze verschillen kunnen niet verklaard worden door de samenstelling van de leerlingpopulatie op sociaaleconomische achterstand of migratieachtergrond.

 

Samenvatting van de aanvraag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

In dit project adresseren we de maatschappelijke consequenties van de COVID-19 pandemie. Meer specifiek kijken we naar uitkomsten op de terreinen van werk & inkomen, onderwijs, sociaal-psychologisch welbevinden, solidariteit, en vertrouwen in instituties. We doen onderzoek op data speciaal verzameld om de gevolgen van de pandemie in kaart te brengen, en onderzoek op bestaande data om kwetsbare groepen te identificeren. We onderzoeken maatschappelijke scheidslijnen, identificeren kwetsbare groepen, en formuleren beleidsstrategieën voor het versterken van veerkracht van personen, organisaties en de samenleving.

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: NavigatieDirect naar: Onderkant website