Verslagen

Eindverslag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Voor hulp bij levensbeëindiging binnen de Wet Toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding is het noodzakelijk dat er sprake is van ondraaglijk lijden dat zijn grondslag vindt in een medisch classificeerbare aandoening. Een van de punten van discussie in het debat over de toelaatbaarheid en regulering van levensbeëindiging op verzoek betreft de problematiek van ouderen die een wens tot levensbeëindiging hebben zonder dat daar ondraaglijk lijden als gevolg van een medische aandoening aan ten grondslag ligt. Vaak wordt naar deze problematiek verwezen met de term 'voltooid leven'. In een literatuuronderzoek werd nagegaan welke kennis er over dit onderwerp voorhanden is.

Resultaten
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Uit de literatuur blijkt dat ongeveer een op de zeven ouderen 'wel eens' doodswensen of -gedachten heeft. Bij een op de dertig ouderen gaat het om een actieve, actuele wens tot levensbeëindiging. Factoren die geassocieerd zijn met zo'n wens zijn onder andere eenzaamheid, depressieve gevoelens, het gevoel weinig zeggenschap over het eigen leven te hebben, en gezondheidsproblemen. De grondslag van een actieve wens tot levensbeëindiging van ouderen zonder een medische aandoening is zeer individueel bepaald. Voor sommigen ligt het accent op lijden, bijvoorbeeld door gebrek aan zingeving in het leven dat men leidt, sociaal isolement, of door toenemende beperkingen in het lichamelijke en psychosociale functioneren. Voor anderen ligt het accent op zelf-regie, bijvoorbeeld in de zin dat men een levenseinde dat als toenemend zinloos wordt ervaren of dat wordt gekenmerkt door aftakeling, afhankelijkheid en ontluistering wil voorkomen. Wensen tot levensbeëindiging zijn niet altijd duurzaam of continu aanwezig. De precieze omvang van de groep ouderen met een persistente wens tot levensbeëindiging zonder dat daar ondraaglijk lijden als gevolg van een medische aandoening aan ten grondslag ligt is niet bekend, maar waarschijnlijk gering.

 

De meeste verzoeken om levensbeëindiging in de context van ‘voltooid leven’ problematiek worden door artsen afgewezen. Een kleine minderheid van de door artsen uitgevoerde verzoeken betreft ouderen die geen ernstige medische aandoening, maar wel een stapeling van minder ernstige aandoeningen hebben. Soms maken ouderen een einde aan hun leven zonder hulp van een arts, maar ook hier is niet bekend hoe vaak het om ouderen met 'voltooid leven'-problematiek gaat.

 

De Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG) is geen voorstander van hulp bij levensbeëindiging door artsen aan ouderen die lijden zonder dat daar een medische aandoening aan ten grondslag ligt. Zij constateert wel dat veel artsen de ruimte die de wet biedt voor ouderen die ondraaglijk lijden als gevolg van een stapeling van ouderdomsaandoeningen niet gebruiken.

 

Ten aanzien van de publieke opinie laten diverse onderzoeken zien dat een substantiële minderheid van het Nederlandse publiek voorstander is van de mogelijkheid dat ouderen die dat wensen hun leven kunnen beëindigen (ongeacht of en wat voor medische aandoening ze hebben). Onderzoek laat voorts zien dat steeds meer Nederlanders zelf willen beschikken over het eigen doen en laten. De steun in de samenleving voor het mogelijk maken van hulp bij zelfdoding aan ouderen die geen medische aandoening hebben, zoals bijvoorbeeld voorgestaan door Uit Vrije Wil, zal naar verwachting dan ook eerder toe- dan afnemen.

Samenvatting van de aanvraag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

De problematiek van ouderen met een wens tot levensbeëindiging staat al vele jaren op de publieke agenda.

Daarbij worden begrippen niet altijd eenduidig gehanteerd en is er sprake van kennisversnippering over vele domeinen en disciplines.

 

Met de hier voorgestelde kennissynthese wordt beoogd om ten behoeve van het debat bestaande kennis in kaart te brengen over:

1. de aard en omvang van de groep ouderen die een wens tot levensbeëindiging hebben zonder dat daar ondraaglijk lijden als gevolg van een ernstige medische aandoening aan ten grondslag ligt;

2. het juridische, ethische, politieke, maatschappelijke en medisch-professionele kader voor de omgang met dergelijke wensen;

3. het maatschappelijke klimaat waarin deze wensen ontstaan.

Daarnaast worden:

4. de verschillende begrippen die in het veld gebruikt worden voor de groep ouderen met een wens tot levensbeëindiging geïnventariseerd en vergeleken.

 

Het accent bij de verzameling van informatie ligt op wetenschappelijke publicaties, maar waar relevant zal ook ‘grijze’ en vakliteratuur meegenomen worden. De bevindingen uit het literatuuronderzoek worden voorgelegd aan een expertmeeting met juridische, ethische, sociologische/antropologische, politiek-culturele, psychologische, levensbeschouwelijke en medische experts, en vertegenwoordigers van relevante maatschappelijke organisaties. Voor de uitvoering van de kennissynthese is een consortium van onderzoekers met verschillende achtergronden samengesteld.

 

De kennissynthese leidt tot een heldere beschrijving, afbakening en ordening van de problematiek van ouderen met een wens tot levensbeëindiging, tot een omschrijving van de beschikbare kennis over de aard en omvang van deze problematiek, en tot identificatie van relevante lacunes in deze kennis.

 

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: NavigatieDirect naar: Onderkant website