Verslagen

Eindverslag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Een 'sociale supermarkt’ draagt bij aan de leefbaarheid van een dorp en biedt werk aan mensen met een beperking en/of afstand tot de arbeidsmarkt. Het kan maatschappelijke meerwaarde creëren en kosteneffectief uitpakken voor gemeenten. In de periode 2007–2016 heeft 30% van de re-integratie trajecten geleid tot uitstroom naar betaald werk. Mensen met een verstandelijke beperking ontwikkelen hun sociale vaardigheden en netwerk en verbeteren hun arbeidscompetenties. Oudere dorpsbewoners kunnen langer thuis wonen en ervaren meer zelfredzaamheid door de aanwezigheid van een winkel. Toch verloopt de samenwerking tussen gemeente en supermarkt niet altijd soepel. Er is sprake van onderbenutting van trajecten. Volledige benutting is de sleutel voor een gemeente om de subsidiekosten terug te verdienen. De mogelijkheden daartoe zijn groter als re-integratiecliënten (P-wet) en mensen met een beperking (Wmo) een traject kunnen volgen. Het onderzoek doet suggesties voor een integrale aanpak door gemeenten door een geleidelijke ontschotting binnen het sociaal domein.

Resultaten
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

1) Een supermarkt kan een belangrijke bijdrage leveren aan de leefbaarheid, woonaantrekkelijkheid en sociale cohesie van een dorp en ondersteunt de redzaamheid van ouderen. Het is aannemelijk dat dit leidt tot besparingen op geïndiceerde Wmo-diensten;

 

2) drie van de tien mensen die een re-integratietraject volgen bij een Superrr, vinden betaald werk. Vooral jongere mensen die langere tijd buiten het arbeidsproces staan, hebben daar baat bij. Voor mensen die wat ouder zijn en hun werkloosheid wijten aan discriminatie op de arbeidsmarkt, geldt dat niet. Hun kans op betaald werk kan zelfs verminderen zolang zij een traject doen;

 

3) mensen met een verstandelijke beperking is dagbesteding bij een Superrr een uitstekende manier om te participeren in de maatschappij. Zij werken er jarenlang en met veel plezier, vergroten zo hun redzaamheid en sociale netwerk en ontwikkelen hun arbeidscompetenties en sociale vaardigheden. Een deel van hen groeit uit tot gekwalificeerde arbeidskracht in de context van de Superrr. Via beschut werk kan deze groep mogelijk doorstromen naar betaald werk;

 

4) Mensen met een psychische beperking gedijen vaak niet bij dagbesteding in een Superrr. Een ruime meerderheid haakt na korte tijd af. Een minderheid vindt er wel zijn draai en ontleent daaraan dagritme en stabiliteit. Uitstroom naar regulier werk staat bij deze groep wel op de agenda, maar blijkt in de praktijk problematisch;

 

5) De business case laat zien dat gemeenten, bij volledige benutting van de trajectcapaciteit van een Superrr, de projectfinanciering ruimschoots kunnen terugverdienen door besparingen op uitkeringslasten en op geïndiceerde Wmo-diensten. Die mogelijkheid wordt echter maar mondjesmaat benut. Lochem vormt daarop een uitzondering dankzij een goede samenwerking tussen de sociale dienst en de lokale Superrr op uitvoeringsniveau.

 

6) Voor de veelal kleine gemeenten blijkt het niet eenvoudig om de trajectcapaciteit volledig te benutten voor re-integratiedoeleinden. Gemeenten kunnen de benuttingsgraad verhogen door de doelgroep voor de trajecten te verbreden met dagbestedingscliënten en door een betere inbedding van de samenwerking in de uitvoeringspraktijk;

 

8) Het domein-overstijgende karakter van een Superrr blijkt lastig te hanteren voor de gemeenten. Structurele samenwerking tussen de afdelingen leefbaarheid, Participatie, Wmo en Jeugd komt niet eenvoudig van de grond. Belangrijke oorzaken zijn:

 

• de transitie van rijkstaken en het bijbehorende budget is per domein belegd. Dat heeft geresulteerd in een ordelijke transitie, maar heeft er ook toe geleid dat processen, partner-organisaties en producten per domein georganiseerd blijven. Ongewild zijn daarmee weer schotten gecreëerd, de ontschotting van Rijksbudgetten ten spijt;

 

• binnen elk domein is het beleid gericht op passende voorzieningen binnen de grenzen van het beschikbare budget. De focus en sturing liggen op kosten en betaalbaarheid. Baten zijn onzichtbaar en geen onderdeel van het sturingsinstrumentarium. Wmo-beleidsmakers in beide gemeenten waren zich niet bewust van de preventieve werking van de Superrr op de vraag naar ondersteuning, sociale diensten houden niet systematisch zicht op uitstroomresultaten en de besparingen op uitkeringslasten die dat met zich meebrengt;

 

Het onderzoek resulteert in de aanbeveling aan gemeenten om een geleidelijke omslag naar integraal werken mogelijk te maken door een transformatieloket in te stellen om integrale initiatieven te faciliteren. Hiervoor wordt jaarlijks een deel van het budget Sociaal Domein beschikbaar gesteld. De structuren die per domein zijn opgebouwd tijdens de transitie, blijven voorlopig bestaan zodat continuïteit van ondersteuning is geborgd.

 

Samenvatting van de aanvraag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Dit project behelst een toegepast effect- en procesonderzoek rond de interventie 'buurtsupers in kleine kernen'. Buurtsupers zijn kleinschalige voorzieningen die in krimpregio's een antwoord proberen te geven op meervoudige problematiek rond werkgelegenheid en participatie, voorzieningenniveau,leefbaarheid en betaalbaarheid van zorgdiensten. Buurtsupers bieden naast reguliere arbeidsplaatsen ook re-integratie en participatietrajecten via 'meewerkplekken'. De interventie betreft een vorm van begeleid werken, gericht op maatschappelijke activering en waar mogelijk, betaald werk. De belangrijkste werkzame bestanddelen zijn: werken als volwaardig teamlid in een reguliere omgeving, aansluiten bij doelen en motivatie van cliënten, individuele begeleiding en contact met de dorpsgemeenschap. De cliënten en hun individuele traject staan centraal.

 

De werkwijze heeft overeenkomsten met andere, bewezen effectieve interventies als Begeleid Werken (IPS), Werk: een zorg minder, Maatwerk en Relim. Onderscheidend aan de buurtsuper is dat de sociale onderneming begeleiding én een werkomgeving biedt voor re-integratie en participatie. Een potentieel risico van de bedrijfsmatige formule is dat cliënten op meewerkplekken langer dan nodig in een traject blijven uit bedrijfseconomische overwegingen (lock-in effect).

 

Gemeenten zien in de formule van deze sociale onderneming meerwaarde op diverse beleidsdomeinen: behoud van lokale werkgelegenheid, participatie en re-integratiemogelijkheden in de buurt voor inwoners met een afstand tot de arbeidsmarkt, verhoging van de leefbaarheid en meer mogelijkheden voor ouderen om langer zelfstandig te wonen in kleine kernen. Juist voor gemeenten in krimpregio’s is deze integrale aanpak een veelbelovende optie om met de beperkte middelen die hen ter beschikking staan, hun verantwoordelijkheden in het sociale domein waar te maken.

 

Inmiddels hebben honderden mensen een traject bij één van de 15 buurtsupers in het land doorlopen of zijn daar nog mee bezig. Er zijn aanwijzingen voor succes maar die zijn tot nu toe niet systematisch onderbouwd: de registratie van resultaten is gefragmenteerd over diverse gemeenten, zorgaanbieders en winkelvestigingen. Dit onderzoek is bedoeld om deze informatie bij elkaar te brengen en de effecten van de 'meewerk-trajecten' op re-integratie en participatie te onderzoeken.

 

Ook de bredere context van de interventie is onderdeel van het onderzoek. Gemeenten kopen sinds jaar en dag re-integratietrajecten in bij de buurtsuper. De participatietrajecten werden tot 2015 gefinancierd uit de Awbz en vallen nu onder gemeentelijke verantwoordelijkheid (Wmo). Net als veel andere gemeenten slagen Lochem en Steenwijkerland er nog niet in om de verbinding tussen de domeinen werk&inkomen (Participatiewet) en maatschappelijke ondersteuning (Wmo) te leggen. De instroom van Wmo-cliënten in buurtsupers stagneert. Beide gemeenten willen dit onderzoek gebruiken

om hun gemeentelijke werkprocessen door te lichten en voorstellen te ontwikkelen om de omslag naar integrale werkwijzen en financieringsconstructies rond de buurtsuper interventie te maken. De informatie over de effecten van buurtsupers op re-integratie en participatie van cliëntgroepen sociaal domein zal daarbij worden benut om een verantwoorde matching van cliënten te waarborgen.

 

De kosteneffectiviteit van gemeentelijke uitgaven aan trajecten bij buurtsupers wordt niet alleen bepaald door de effecten op re-integratie en participatie, de buurtsupers leveren ook een bijdrage aan leefbaarheid en bieden additionele ondersteuningsdiensten die de vraag naar geïndiceerde zorg kunnen beperken. Deze effecten worden onderzocht in een case study in Almen, een kleine kern van Lochem waar een buurtsuper functioneert.

 

Op basis van het geheel aan kosten en baten wordt een business case voor gemeenten uitgewerkt. Daaruit moet blijken in hoeverre deze kleinschalige, integrale interventie een kosteneffectieve manier is voor gemeenten in krimpregio's om meervoudige maatschappelijke opgaven te adresseren.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: NavigatieDirect naar: Onderkant website