Verslagen

Eindverslag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Achtergrond

Psychosociale problemen komen regelmatig voor bij kinderen en kunnen leiden tot beperkingen in het dagelijks functioneren. De Jeugdgezondheidszorg (JGZ) screent alle kinderen in de leeftijd van 0-19 jaar op psychosociale problematiek tijdens het Periodiek Gezondheidsonderzoek (PGO). Psychosociale problemen bij kinderen en opvoedcompetenties beïnvloeden elkaar wederzijds. Als interventie voor het reduceren van psychosociale problematiek zou daarom het opvoedingsondersteuningsprogramma Triple P goed kunnen aansluiten bij deze screening, maar de effectiviteit in de Nederlandse JGZ is nog niet onderzocht. Triple P niveau 3 sluit goed aan bij de competenties van JGZ verpleegkundigen en de interventie kan gemakkelijk in de werkwijze worden geïntegreerd. Doel van deze studie is het evalueren van de effectiviteit van Triple P (niveau 3) bij 9-11 jarige kinderen met milde gedragsproblematiek.

 

Methoden

We voerden een gerandomiseerde, gecontroleerde studie uit waarbij het effect van Primary Care Triple P (Triple P niveau 3) werd vergeleken met reguliere zorg door de JGZ. Ouders van kinderen met een verhoogde score (≥ 11) op de Strengths and Difficulties Questionnaire (SDQ) werden uitgenodigd voor deelname aan de interventiestudie. De uitkomstmaten - psychosociale problematiek van het kind en opvoedingsvaardigheden en opvoedstress van de ouders - zijn schriftelijk gemeten voor en direct na interventie, na zes maanden en na twaalf maanden na de interventie. Voor het meten van kindgedrag gebruikten we de SDQ en de ECBI (Eyberg Child Behaviour Inventory). Voor het meten van opvoedcompetenties en opvoedstress gebruikten we: de Nijmeegse Ouderlijke Stress Index – de verkorte versie (NOSIK), de Parenting Scale (PS), de Problem Setting and Behaviour Checklist (PSBC) en de Depression, Anxiety and Stress Scale (DASS).

 

Resultaten

We randomiseerden 81 gezinnen en ontvingen van 67 gezinnen de vragenlijst van de voormeting en ten minste één vragenlijst van de nametingen. Gezinnen in de interventiegroep ontvingen Triple P, in de controlegroep reguliere zorg zoals gebruikelijk. Op T0 waren er geen verschillen tussen de interventie- en de controlegroep wat betreft de uitkomstmaten. In de interventiegroep vonden we na afloop van de interventie iets meer verbetering op de meeste uitkomstmaten vergeleken met de resultaten van de controlegroep. Het maximale verschil tussen de interventiegroep en de controlegroep op de primaire uitkomstmaat - de SDQ – bedroeg op T2 1,94 (95% BI = -,30 tot 4,19, p=,09) en 5,81 (95% BI -3,37 tot 14,99, p=,21) op de Eyberg Child Behavior Inventory. Echter, geen van de gevonden verschillen was statistisch significant. Ook vonden we geen verschillen tussen de behandelgroepen op de secundaire uitkomsten opvoedvaardigheden en opvoedstress.

 

Conclusie

Triple P niveau 3 verminderde psychosociale problemen bij het kind in geringe mate meer dan reguliere zorg, maar is niet (statistisch) significant beter dan de reguliere zorg gegeven door de Jeugdgezondheidszorg. In het algemeen verbeterden uitkomsten in beide behandelgroepen; Triple P is mogelijk iets beter, maar dit voordeel is dan niet voldoende relevant. Om mogelijke effecten van Triple P niveau 3 in de Nederlands setting aan te tonen is verder onderzoek nodig.

 

Resultaten
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Vanuit de vier noordelijke GGD’en werden in de inclusieperiode 821 kinderen met milde psychosociale problemen aangemeld. Op basis van de exclusiecriteria viel 38% (n=316) van de ouders en kinderen buiten het onderzoek. Verder gaf 50% van ouders (n=413) aan dat opvoedondersteuning niet nodig was of dat ze niet aan het onderzoek willen meewerken. Aanvankelijk zijn 93 ouders en hun kinderen gerandomiseerd over twee behandelgroepen; zij ontvingen of Triple P niveau 3 (n=47) of de gebruikelijke zorg van de Jeugdgezondheidszorg (n=46). Acht gezinnen stopten na randomisatie met het onderzoek. Zij gaven aan opvoedondersteuning bij nader inzien toch niet nodig te achten of wilden toch liever niet deelnemen aan het onderzoek. Van deze gezinnen is ook geen baseline vragenlijst beschikbaar. Verder werd, om verschillende redenen, door drie gezinnen de baseline vragenlijst niet ingevuld. Zij zijn niet in de analyses meegenomen evenals een gezin van niet Nederlandse komaf dat eerder geëxcludeerd had moeten worden. Uiteindelijk zijn 81 gezinnen geïncludeerd; zij vulden in ieder geval een baseline vragenlijst in en werden meegenomen in de intention-to-treat analyse. De resultaten van het onderzoek hebben betrekking op alle deelnemers van wie in ieder geval één nameting is ontvangen (n=67).

Voorafgaand aan de interventie (op de baseline meting) waren verschillen tussen de twee behandelgroepen niet statistisch significant behalve wat betreft omvang van het gezin. Het aantal personen per gezin was hoger in de Triple P groep (p<.05). Voor de aanvang van de behandeling waren er eveneens geen significante verschillen op de primaire en secundaire uitkomstmaten van het onderzoek. De randomisatieprocedure resulteerde in twee gelijke groepen voor aanvang van de interventie.

 

Primaire uitkomsten

Op de primaire uitkomst – psychosociale problematiek van het kind weergegeven met de totaalscore op de Strengths and Difficulties Questionnaire (SDQ-TDS) – was het verschil direct na het voltooien van de interventie 0.77 (95% BI = -1,37 – 2,91, p=,47), na correctie voor de baseline scores. Het verschil op de SDQ-TDS tussen de twee behandelgroepen bedroeg maximaal 1,94 (95% BI = -,30 – 4,19, p=,09) op de tweede meting, zes maanden na interventie. Na twaalf maanden was het verschil iets afgenomen tot 1,59 (95% BI = -,56 – 3,76, p=,14).

Meer gedetailleerde analyses van de SDQ laten een significant verschil zien tussen de Triple P groep en CAU (Care As Usual; reguliere zorg) met betrekking tot de SDQ subschaal ‘gedragsproblemen’ (conduct problems) op zes (,70; 95% BI ,08 – 1,32, p=,02) en op twaalf maanden (,62; 95% BI ,04 – 1,21, p=,03) na behandeling.

Op de de Eyberg Child Behaviour Inventory was het maximale verschil tussen de Triple P groep en CAU 5,81 (95% CI = -3,37 – 14,99, p=,21) op de tweede nameting. Op T1 was het verschil 4,99 (95% BI = -3,63 – 13,64, p=,25) en op de laatste nameting bedroeg het verschil 5,18 (95% BI = -3,59 – 13,97, p=,24). Verschillen op de ECBI waren niet statistisch significant.

De grootste verbeteringen werden gevonden wat betreft psychosociale problemen gemeten met de SDQ en de ECBI.

Deze verbeteringen treden op in beide behandelgroepen. In deze beide groepen is de psychosociale problematiek gemeten met de SDQ en de ECBI afgenomen na de interventie. De score van de SDQ neemt af van 11,7 op T1 naar 11,5 op T2 en naar 10,1 op T3 (p<,01). De ECBI van 96,8 op T1 naar 95,8 op T2 naar 89,9 op T3 (p<,01).

 

Secondaire uitkomsten

We vonden geen statistisch significante verschillen tussen de twee behandelgroepen op de secundaire uitkomstmaten die betrekking hebben op opvoedcompetenties (Parenting scale, Problem Setting and Behaviour Checklist), opvoedstress (Nijmeegse Ouderlijke Stress Index) en symptomen van depressie, angst en stress (DASS) bij ouders.

Op de NOSIK zijn verschillen tussen de behandelgroepen op T1 en T3 licht (niet significant) in het voordeel van de Triple P groep. Wanneer echter wordt gekeken naar beide behandelgroepen, dus de gehele sample, dan neemt opvoedstress gemeten met de NOSIK toe in de periode na de interventie van 23,9 op T1 naar 26,3 op T2 naar 26,5 op T3 (p<,05).

 

Intention-to-treat analyse

De intention-to-treat analyses, uitgevoerd op alle 81 deelnemers, laat geen significante verschillen zien op de primaire en secundaire uitkomstmaten, en ook niet op de SDQ subschaal ‘aanpassingsproblemen’. Per protocol analyses (n=54) van gezinnen die minstens twee interventie sessies kregen laten eveneens geen verschillen zien tussen de Triple P groep en de CAU groep.

 

Voortgangsverslag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Achtergrond: Sommige kinderen hebben psychosociale problematiek en daarmee samenhangend periodes met moeilijk gedrag. Opvoedondersteuning kan ouders helpen weerstand te bieden aan lastig gedrag. Triple P heeft als doel emotionele en gedragsproblemen bij kinderen te voorkomen door het bevorderen van competent ouderschap. De kennis over de effectiviteit van Triple P niveau 3 is echter zeer beperkt.

Doel: Doel van dit onderzoek is het evalueren van de effectiviteit van Triple P, ingebed in en aangeboden door de JGZ.

Methode: In een randomised controlled trial werd opvoedondersteuning met Triple P niveau 3 vergeleken met reguliere zorg aangeboden door de JGZ. We includeerden ouders van kinderen in de leeftijd van 9-11 jaar met milde tot matige gedragsproblematiek zoals vastgesteld tijdens Periodiek Gezondheidskundig Onderzoek (PGO). Beoogd werd 2x81 ouders random toe te wijzen aan Triple P of reguliere zorg. Het onderzoek werd uitgevoerd in Drenthe, Fryslân, Groningen en (in het laatste jaar van de dataverzameling) eveneens in de kop van Overijssel. Primaire uitkomstmaat was de verandering van psychosociale problematiek bij het kind. Secundaire uitkomstmaat betrof opvoedvaardigheden van de ouders. Voorafgaand aan de interventie, direct na de interventie en 6 en 12 maanden na de interventie worden de uitkomstmaten onderzocht met behulp van vragenlijsten over kindgedrag, opvoedcompetenties en opvoedstress.

Resultaten: Gedurende de inclusieperiode die liep van september 2008 tot eind mei 2010 werden 821 ouders en hun kinderen door de GGD’en aangemeld als potentiële kandidaat voor het onderzoek. Bijna de helft van de ouders was niet bereid aan het onderzoek deel te nemen. Na het toepassen van de exclusiecriteria werden uiteindelijk 80 gezinnen gerandomiseerd en vulden de voormeting (T0) in. Tot op heden vulden 61 gezinnen ook de eerste nameting (T1) in. Momenteel worden extra inspanningen verricht (nabellen, gezinnen bezoeken, beloning voor invullen vragenlijsten) om van zoveel mogelijk gezinnen de nametingen te ontvangen.

Conclusie: Triple P niveau 3 is mogelijk een geschikte interventie om binnen de JGZ uit te voeren als vervolg op de signalering van milde psychosociale problematiek. Bij gebleken effectiviteit kan deze interventie bijdragen aan meer evidence-based werken in de Jeugdgezondheidszorg.

 

Resultaten
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

**Alle voortgangsperiodes**

Het onderzoek wordt jaarlijks gepresenteerd in een college voor de Research master Epidemiologie opleiding van graduate school SHARE.

Daarnaast nemen leden van het team deel aan de periodieke landelijke bijeenkomsten over de ontwikkeling van Triple P (organisatie: Trimbos Instituut), en aan de jaarlijkse internationale Scientific Retreat van Triple P International.

 

**In de eerste rapportageperiode zijn alle materialen voor het onderzoek ontwikkeld**

Vragenlijst: er is een vragenlijst samengesteld om het effect van Triple P in kaart te kunnen brengen. Bij de samenstelling van deze vragenlijst is zoveel als mogelijk gebruik gemaakt van de gangbare meetinstrumenten voor het meten van effecten van opvoedondersteuning in het algemeen en Triple P in het bijzonder.

Goedkeuring Medisch Ethische Toetsingscommissie: het onderzoek naar effectiviteit van Triple P is ingediend bij en goedgekeurd door de Medisch Ethische Toetsingscommissie van het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG).

Samenwerking met overig Triple P onderzoek in Nederland (Trimbos Instituut) en buitenland:

• Regelmatig overleg met de onderzoekers van het Trimbos Instituut over de evaluatie van Triple P. Doel van de samenwerking is het bundelen van krachten en expertise om de studie zo goed mogelijk te kunnen uitvoeren.

• Participatie in de International Scientific Advisory Committee (ISAC) Meeting for the Triple P-Positive Parenting Program, waaronder deelname aan het internationale jaarlijkse Triple P congres, in Braunschweig, Duitsland (20-22 februari 2008).

Draaiboek: er is een draaiboek ontwikkeld waarin de werkwijze voor het interventieonderzoek naar opvoedingsondersteuning wordt beschreven.

Er is een plan van aanpak om instroom te verhogen ontwikkeld.

 

**In de tweede rapportageperiode is één externe presentatie gegeven; daarnaast is een groot aantal interne presentaties gegeven**

Nederlands Congres Volksgezondheid 2009:

Presentatie “Effectiviteit van Triple P niveau 3 in de Jeugdgezondheidszorg (JGZ):

een gerandomiseerde, gecontrolleerde studie (RCT)”

 

**In de derde rapportageperiode is een aantal externe presentaties gegeven; daarnaast is een groot aantal interne presentaties gegeven**

 

We schreven en publiceerden een artikel in BMC Public Health (open acces) over de opzet van de randomised cotrolled trial:

Spijkers W, Jansen DE, de Meer G, Reijneveld SA. Effectiveness of a parenting programme in a public health setting: a randomised controlled trial of the positive parenting programme (Triple P) level 3 versus care as usual provided by the preventive child healthcare (PCH). BMC Public Health. 2010; 10: 131.

We schreven een tweede artikel “The impact of area deprivation on parenting stress” op basis van additioneel verzamelde gegevens voorafgaand aan de trial. Dit manuscript wordt begin januari ingediend bij een internationaal tijdschrift (peer reviewed).

 

Nederlands Congres Volksgezondheid 2010:

Poster “Effectiviteit van Triple P niveau 3 in de Jeugdgezondheidszorg (JGZ):

een gerandomiseerde, gecontroleerde studie (RCT)”

 

EUPHA-congres 2010

Presentatie “Parenting stress and psychosocial problems in children in deprived areas” op basis van additioneel verzamelde gegevens voorafgaand aan de trial.

 

**Voor 2011 staat het volgende op het programma**

Helping Families Change Conference 2011 te Antwerpen (Conferentie speciaal voor onderzoekers en praktijkmensen die zich met Triple P bezighouden).

Presentatie “Effects of the primary care Triple P in Dutch preventive child healthcare: preliminary findings of a randomised controlled trial”

Daarnaast zullen in deze periode meerdere publicaties worden geschreven

 

Samenvatting van de aanvraag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

BACKGROUND

Psychosocial problems, such as fear, anxiety and depression, occur frequently in children and may lead to serious restrictions in daily functioning. Dutch Preventive Child Healthcare (PCH, ‘jeugdgezondheidszorg’) can play an important role in their prevention including early treatment, since it reaches more than 90% of all children. The Triple P program is likely to fit the needs of PCH regarding parenting support, but its effectiveness in Dutch PCH has to be shown as yet.

AIM

This study aims to determine the effectiveness of Triple P, level 3, in Dutch PCH.

DESIGN

This study concerns a randomised controlled trial in which parents of children with increased but still subclinical levels of psychosocial problems are offered either ‘care as usual’ or a maximum of four short (20-30 minutes) contact with a PCH nurse, based on level 3 of Triple P. The study will include 81 children in each treatment arm (total: 162), which suffices to show an effect size of 0.5 of the Triple P program regarding parent-reported child psychosocial problems and parenting problems with a power of 80% at p<0.05.

KNOWLEDGE TRANSFER

This study will be performed in close cooperation with both PCH services (i.e. GGD-en) in the north of the Netherlands, and national organisations that support Triple P like the Netherlands Youth Insititute (formerly: NIZW Jeugd) and the Trimbos Institute, to maximise the likelihood of implementation of its results.

 

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: NavigatieDirect naar: Onderkant website