Verslagen

Eindverslag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Er bestaan robuuste sociaal-economische verschillen in ongezond gedrag: lichamelijke inactiviteit, te geringe groente- en fruitconsumptie en roken komen vaker voor onder lagere sociaal-economische groepen. Kenmerken uit de omgeving dragen bij aan de verklaring van deze sociaal-economische verschillen, met name voor bewegen en roken.

Een veilige en aantrekkelijke woonomgeving, evenals een goede sociale cohesie en de beschikking over een voldoende groot sociaal netwerk in de woonomgeving zijn gerelateerd aan bewegen, en verklaren deels de sociaal-economische verschillen in bewegen. Deze factoren zijn deels gerelateerd aan bewegen via individuele cognities van mensen (attituden en de eigen inschatting (meer) te kunnen bewegen). Mogelijk scheppen zij de voorwaarden te bewegen.

Op basis van de door ons verzamelde omgevingskenmerken kunnen sociaal-economische verschillen in groente- en fruitconsumptie niet worden verklaard. Er blijken geen objectieve verschillen te bestaan in de prijs, de kwaliteit en het aanbod van groente en fruit tussen mensen uit verschillende sociaal-economische groepen. Ten aanzien van de prijs moet hier overigens wel worden opgemerkt dat een gelijke prijs bij een lager besteedbaar inkomen uiteraard wel tot andere keuzes t.a.v. consumptie kan leiden.

Sociaal-economische verschillen in roken kunnen worden verklaard door een breed scala aan ongunstige kenmerken, waaronder woonomstandigheden. Deze ongunstige omstandigheden maken het moeilijker te stoppen met roken voor mensen uit lagere t.o.v. hogere sociaal-economische groepen.

Interventies en beleid ter reductie van sociaal-economische verschillen in bewegen en roken moeten aangrijpen op kenmerken uit de omgeving. Interventies in de omgeving worden vaak geïnitieerd vanuit andere dan gezondheidsoverwegingen, en het is belangrijk deze "natuurlijke interventies" (ook) te evalueren ten aanzien van de mogelijke verandering in gezondheidsgerelateerd gedrag voor verschillende sociaal-economische groepen. Tevens dienen meer op individuele cognities gebaseerde interventies aan te sluiten op, of rekening te houden, met relevante kenmerken uit de omgeving. Meer onderzoek is nodig naar de rol van de omgeving bij de verklaring van sociaal-economische verschillen in groente- en fruitconsumptie.

 

Resultaten
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

De resultaten worden voor de afzonderlijke gedragingen besproken.

 

Bewegen

 

Mensen uit lagere sociaal-economische groepen hadden een duidelijk verhoogde kans niet aan sport te doen. Deze verschillen konden deels worden verklaard doordat a) mensen uit lagere sociaal-economische groepen vaker aangaven dat de woonomgeving onveilig en onaantrekkelijk was, dat de sociale cohesie in de buurt minder en hun sociale netwerk kleiner was, en b) deze factoren waren geassocieerd met deelname aan sport. Het bleek dat de rol van omgevingskenmerken voor sportdeelname groter was wanneer inactieve mensen werden vergeleken met mensen die tenminste iets aan sport deden, dan wanneer mensen die wel en niet voldeden aan richtlijnen voor deelname aan sport met elkaar werden vergeleken. Omgevingskenmerken spelen dus mogelijk m.n. een rol bij mensen die helemaal niet aan sport doen.

Recreatief wandelen van mensen van 55 jaar en ouder kwam minder voor onder mensen uit lagere sociaal-economische groepen. Mensen die hun omgeving niet aantrekkelijk vonden, of over een klein sociaal netwerk beschikten, hadden een grotere kans weinig te wandelen. M.n. verschillen in aantrekkelijkheid van de woonomgeving verklaarde een (beperkt) deel van de verschillen in recreatief wandelen.

Uit extra analyses bleek dat m.n. de ‘objectieve meting’ van de esthetiek van de woonomgeving bijdroeg aan de verklaring van sociaal-economische verschillen in de perceptie van de aantrekkelijkheid, en dat ook de mate van sociale cohesie hieraan bijdroeg.

 

Individuele cognities waren ook geassocieerd met recreatief wandelen en droegen bij aan de sociaal-economische verschillen in wandelen. Het verband tussen de perceptie van de aantrekkelijkheid van de woonomgeving en wandelen verliep deels via individuele cognities (m.n. de mate waarin mensen denken in staat te zijn meer te kunnen bewegen).

 

Interventies en beleid gericht de bestrijding van sociaal-economische verschillen in bewegen moeten zich (ook) richten op verbetering van de veiligheid, aantrekkelijkheid van en sociale cohesie in de woonomgeving. Het is belangrijk dergelijke interventies en beleid, die vanuit andere dan gezondheidsoverwegingen toch al plaatsvinden ook te evalueren t.a.v. (sociaal-economische verschillen in) bewegen. Initiatieven zoals die momenteel door het ministerie van Wonen, Wijken en Integratie (WWI) worden ontplooid, lijken een goede bijdrage te kunnen leveren aan de reductie van sociaal-economische verschillen in bewegen.

 

Voeding

 

Mensen uit lagere sociaal-economische groepen hadden een grotere kans weinig tot geen groente en fruit te eten. Mensen die vonden dat er in hun buurt geen winkels waren waar groente en fruit te koop waren, hadden een grotere kans ook daadwerkelijk geen groente en fruit te eten. Slechts weinig mensen waren het echter eens met deze stelling (3-8%) en dit verschilde amper naar opleidingsniveau. Percepties van een beperkte keuze of slechte kwaliteit van groente en fruit bleken niet geassocieerd te zijn met groente en fruitconsumptie. Wel gaven relatief veel mensen te kennen dat groente en fruit duur waren (m.n. in lagere opleidingsgroepen), maar een opmerkelijke bevinding was dat mensen die groente en fruit duur vonden een grotere kans hadden groente en fruit te eten.

 

Uit objectieve metingen (met een ontworpen beoordelingsinstrument) kwam naar voren dat het aantal winkels dat groente en fruit verkoopt, de prijs en de kwaliteit niet verschilt tussen meer en minder welgestelde buurten van Eindhoven.

 

Sociaal-economische verschillen in groente- en fruitconsumptie konden dus nauwelijks worden verklaard door verschillen in aanwezigheid van aanbod, kwaliteit en variëteit. In Nederland lijkt het er op dat groenten en fruit van voldoende kwaliteit voor iedereen toegankelijk zijn. De verklaring van sociale verschillen moet in andere factoren worden gezocht, zoals in mogelijke culturele verschillen of in aanbod van ongezonde voeding.

 

Roken

 

Er zijn duidelijke sociaal-economische verschillen in roken. Eerder onderzoek toonde geen verschillen aan in de intentie te stoppen met roken. Uit nieuw onderzoek blijkt dat rokers uit minder t.o.v. meer welvarende buurten een minder grote kans hebben te stoppen met roken. Ongunstige buurt- en huishoudkenmerken droegen bij aan sociale verschillen in roken. Het lijkt er op dat deze kenmerken een onderdeel vormen van een breed scala aan stressoren, die stoppen met roken bemoeilijken. Voor de reductie van sociaal-economische verschillen in roken is het nodig beleid en interventies die aangrijpen op ongunstige omgevingskenmerken te evalueren, en interventies te ontwikkelen die aansluiten op gunstige veranderingen in omstandigheden.

 

Voortgangsverslag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Veel ongezonde gedragingen, zoals roken, lichamelijke inactiviteit en een (te) lage groente- en fruitconsumptie komen vaker voor bij mensen uit lagere dan uit hogere sociaal-economische groepen. Het terugdringen van deze sociaal-economische verschillen in ongezond gedrag via bevordering van gezond gedrag in de lagere sociaal-economische groepen wordt niet alleen vaak als rechtvaardig beschouwd, het is ook van belang voor de volksgezondheid in het algemeen.

Sociaal-economische verschillen in ongezond gedrag kunnen ontstaan wanneer factoren die het gedrag bepalen vaker voorkomen in lagere dan in hogere sociaal-economische groepen. Het is nu nog onvoldoende duidelijk om welke factoren het dan gaat.

Eerder onderzoek heeft zich met name gericht op kenmerken van mensen, zoals de mate waarin mensen denken zelf te kunnen stoppen met ongezond gedrag. Het uitgangspunt van dit onderzoek is dat ongezond gedrag niet alleen wordt bepaald door individuele kenmerken maar ook door kenmerken uit de omgeving. We onderzoeken de rol van vier mogelijk belangrijke groepen van omgevingskenmerken: 1) de toegang tot voor (on)gezond gedrag benodigde middelen en voorzieningen (b.v. het aanbod en de prijs van sportvoorzieningen), 2) culturele omstandigheden (zoals b.v. het gedrag van anderen), c) psychosociale omstandigheden (zoals b.v. alledaagse stress) en d) materiele omstandigheden (zoals b.v. het beschikbare huishoudbudget).

Informatie voor het onderzoek zal worden verzameld via interviews met mensen uit verschillende sociaal-economische groepen, een vragenlijst en diepte interviews. Verder worden mogelijk belangrijke kenmerken van de omgeving, zoals b.v. de prijs van gezonde groente en het aanbod van sportvoorzieningen, in enkele buurten in kaart gebracht.

Behalve te achterhalen welke kenmerken uit de omgeving van belang zijn voor sociaal-economische verschillen in ongezond roken, lichamelijke inactiviteit en een (te) lage groente- en fruit consumptie, moet het onderzoek inzicht op leveren hoe deze kenmerken van de omgeving een invloed hebben op meer individuele kenmerken. Tenslotte beoogt de studie aangrijpingspunten te formuleren voor beleid gericht op het verkleinen van de sociaal-economische verschillen in ongezond gedrag.

In het afgelopen jaar is gewerkt aan de volgende onderdelen van de studie: 1) publicatie van de resultaten van de focus groep interviews, 2) het analyseren van de gegevens uit de postenquête, 3) het afnemen van de diepte-interviews, 4) het ontwikkelen van een instrument om objectieve buurtgegevens te verzamelen, en het verzamelen en deels analyseren van deze gegevens.

 

Resultaten
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Focusgroepinterviews: De resultaten van focus groep interviews zijn geanalyseerd voor voeding en bewegen, en worden beschreven in een wetenschappelijk artikel dat is geaccepteerd voor publicatie in het tijdschrift Health & Place. Het artikel wordt als bijlage aan dit verslag toegevoegd.

Postenquête: Aan de enquête hebben bijna 6.400 mensen meegedaan (response rate 63%). Onder de mensen die eerder aan de studie hadden deelgenomen lag de respons hoger (ongeveer 70%) dan onder de mensen die voor de eerste keer aan de studie deelnamen (55%). De gegevens van de enquête worden momenteel geanalyseerd voor de vraag of omgevingsfactoren bijdragen aan sociaal-economische verschillen in sportdeelname. De eerste resultaten van deze analyses laten zien dat de laagst opgeleiden een veel grotere kans hebben niet te sporten dan de hoger opgeleide mensen (ook wanneer wordt gecorrigeerd voor invloeden van leeftijd, geslacht en geboorteland). Een aantal a) buurtkenmerken (zoals aantrekkelijkheid van de woonomgeving, de aanwezigheid van voldoende sportfaciliteiten, en het sociale netwerk van een buurt), b) huishoudkenmerken (zoals het wel/niet hebben van financiële problemen, en sociale activiteiten die wel of niet binnen het huishouden worden ondernomen) en c) individuele kenmerken, (zoals krijgen van sociale steun voor sporten, waargenomen gedragscontrole en de intentie te bewegen) lijken hierbij een belangrijke rol te spelen.

Diepte-interviews: Interviews zijn afgenomen onder 402 bewoners van buurten met een hoge en een lage buurtwelstand; deze mensen hadden eerder deelgenomen aan de postenquête. De eerste analyses in dit bestand betrof het bepalen van de response rate; deze bleek 72 % te zijn. Momenteel worden de eerste inhoudelijke analyses uitgevoerd met deze gegevens.

Objectieve buurtgegevens: Tenslotte zijn objectieve gegevens in Eindhoven verzameld in 14 buurten met een hogere en een lagere welstand. Het ontwikkelde instrument geeft o.a. informatie over de aanwezigheid en toegankelijkheid van verkooppunten voor groente en fruit, sigaretten en alcohol, het sociale klimaat van de buurt, het verkeer in de straat, en de kwaliteit van de bebouwing. Allereerst is in analyses de interrater betrouwbaarheid vastgesteld en van de meeste items in het instrument bleek deze voldoende tot goed te zijn. Resultaten van ecologische analyses met buurtscores op grond van de onderdelen van dit instrument toonden aan dat er een relatie was tussen de meeste buurtkenmerken en het deprivatieniveau van de buurt. Dit bleek voornamelijk het geval te zijn voor kenmerken als 1) de aanwezigheid en esthetiek van tuinen, groenvoorzieningen en parken (minder aanwezig, en van mindere kwaliteit in meer gedepriveerde buurten), 2) verkeersdrukte en 3) verkeersonveiligheid. Voorlopige (ecologische) analyses tussen buurtkenmerken en gedrag lijken minder sterke verbanden aan te tonen te zijn.

 

Samenvatting van de aanvraag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Many health-related behaviours (smoking, physical inactivity, low fruit and vegetable intake) are more prevalent in lower socioeconomic groups. We hypothesize that socioeconomic variations in health-related behaviour are largely due to variations in a number of environmental factors: access to products and facilities that are needed for (un)healthy behaviour, and material, psychosocial and cultural conditions. This study aims at testing this hypothesis, at elucidating the pathways through which these environmental factors impact on health, and at identifying entry-points for interventions and policies to reduce socioeconomic variations in health-related behaviour. The study includes focus group interviews, a postal survey, an in-depth interview, measurement of neighbourhood characteristics and an invitational conference. The core of the study will be an in-depth interview study among 400 individuals to study environmental determinants of behaviour and the mechanism through which these exert their effects.

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: NavigatieDirect naar: Onderkant website