Verslagen

Eindverslag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Ouderlijke insensitiviteit en een gebrek aan (adequate) disciplineringsstrategieën in de vroege kinderjaren hangen samen met een onveilige ouder-kind gehechtheidsrelatie en een achterblijvende empathie-ontwikkeling, welke op hun beurt voorafgaan aan gedragsproblemen bij kinderen. Het doel van dit project is in een gerandomiseerd experimenteel ontwerp te onderzoeken wat de effectiviteit is van een interventie gericht op het verhogen van de ouderlijke sensitiviteit en het verbeteren van disciplineringsstrategieën teneinde gedragsproblemen bij kinderen van 1 t/m 3 jaar te verminderen. De selectie van kinderen voor de interventie- en de controlegroep vond plaats uit een random steekproef uit de algemene bevolking (N=2408) op basis van een screeningsvragenlijst (ingevuld door de moeder), waarbij de 25% kinderen met de hoogste scores op probleemgedrag werden geselecteerd. Aan het onderzoek nemen 237 ouder-kind paren deel. De geselecteerde kinderen en hun moeders kwamen naar de universiteit voor een voormeting bestaande uit een lab-sessie met verschillende taakjes en spelletjes die zijn gericht op het meten van o.a. gehechtheid, sensitiviteit, disciplinering, empathie, gehoorzaamheid en agressie. Na de voormeting werden de kinderen willekeurig ingedeeld in de interventie- of de controlegroep. De interventiegroep kreeg over een periode van 8 maanden 6 huisbezoeken waarin op basis van video-opnames van moeder en kind aanwijzingen voor verandering in de opvoeding van het kind werden gegeven. Met de controlegroep werd in diezelfde periode 6 keer telefonisch contact opgenomen, waarbij in algemene termen werd gesproken over hoe het met het kind ging (zoals slapen en eten), zonder specifieke adviezen over opvoeding te geven. Na de interventieperiode vonden twee nametingen plaats (één en twee jaar na de voormeting) waarin dezelfde variabelen zijn gemeten als in de voormeting. Alle lab-sessies zijn opgenomen op video. Uit de resultaten blijkt dat de interventie effectief was ten aanzien van het verbeteren van sensitieve disciplinerings-strategieën. Daarnaast was de interventie effectief in het verminderen van overactief kindgedrag, met name met bij gezinnen veel conflicten tussen ouders en een hoog stressniveau.

Resultaten
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

De hier opgenomen resultaten zijn beschreven in verschillende publicaties (zie Bijlage voor referenties) of artikelen in voorbereiding.

 

Doelstelling 1: toetsen van de effectiviteit van een opvoedingsinterventie gericht op het verhogen van sensitiviteit en het verbeteren van disciplinerings-strategieën bij de ouders.

 

Uit de interventiestudie is gebleken dat VIPP-SD effectief is in het verbeteren van de houding van moeders ten opzichte van sensitiviteit en sensitief disciplineren. Ook vertoonden moeders in de interventiegroep na afloop van de interventie meer sensitieve disciplineringsstrategieën dan de moeders in de controlegroep (Van Zeijl et al., in druk). Uit een procesevaluatie van de interventie bleek dat vrijwel alle ouders positief waren over de huisbezoeken, de opvoedingsadviezen en de ondersteuners. Het programma bleek bij alle gezinnen volledig te zijn uitgevoerd (alle gezinnen hebben alle interventiesessies gekregen). De interventie had meer effect op ouderlijke sensitiviteit wanneer de gezinsondersteuner de relatie met de moeder als poritief had ervaren. De uitkomst van de interventie bleek niet afhankelijk van de deelname van vaders in de laatste opfris-sessies, of van de mate waarin moeders zelf aangaven de adviezen te hebben toegepast (Stolk et al., in druk).

 

Doelstelling 2: onderzoeken of het verhogen van sensitiviteit en het verbeteren van disciplinerings-strategieën leidt tot een vermindering van externaliserende problemen en een verhoging van empathie bij kinderen.

 

In de onderzoeksgroep als geheel werd een interventie-effect ten aanzien van gedragsproblemen gevonden. Bij nadere analyse bleek de interventie met name werkzaam te zijn in gezinnen waar moeders veel conflicten met hun partner en/of een hoge mate van dagelijkse stress ervaren. Bij deze gezinnen bleken de kinderen in de interventiegroep bij de nameting minder overactief gedrag (een aspect van externaliserende gedragsproblemen) te vertonen dan kinderen in de controlegroep. Deze afname in overactief gedrag kon niet verklaard worden door een verbetering van de opvoedingskwaliteiten van de moeder. Het is waarschijnlijk dat de vermindering van dit probleemgedrag wel het gevolg is van veranderingen in opvoedingsgedrag, maar dat deze niet door onze meetinstrumenten konden worden vastgelegd (Van Zeijl et al., in druk). Op dit moment is het coderen van de empathie-observaties bij de kinderen bijna afgerond en binnenkort worden deze data verwerkt en beschreven in relatie tot de interventie.

 

Doelstelling 3: onderzoeken of zeer vroege interventies effectiever zijn dan interventies in de peutertijd.

 

Er waren geen verschillen in de effectiviteit van de VIPP-SD interventie voor de verschillende leeftijdsgroepen. Er is dus geen reden om aan te nemen dat een hele vroege interventie (wanneer de kinderen 1 jaar oud zijn) meer effect heeft dan een interventie bij gezinnen met kinderen van 2 en 3 jaar (Van Zeijl et al., in druk).

 

Doelstelling 4: bestuderen van de ontwikkeling van externaliserende problemen van 12 tot 60 maanden.

 

Onze resultaten lieten zien dat externaliserende gedragingen al aan het eind van het eerste levensjaar kunnen voorkomen, zij het significant minder vaak dan bij kinderen van 2 en 3 jaar oud (Van Zeijl et al., 2006). Met betrekking tot fysieke agressie (een aspect van externaliserende problemen) bleek dat de frequentie van dit gedrag toeneemt in het tweede levensjaar, stabiel blijft tijdens het derde levensjaar en vanaf het vierde levensjaar weer afneemt. Fysieke agressie op 1-jarige leeftijd vertoonde een significante stabiliteit over een periode van 1 jaar. Vanaf 24 maanden vertoonden jongens meer fysieke agressie dan meisjes en nam de stabiliteit van het gedrag toe (Alink et al., 2006). Op dit moment wordt nog gewerkt aan de analyses voor de bredere categorie externaliserende problemen. Hierbij zal gebruik worden gemaakt van het accelareted longitudinal design en growth curve modelling.

 

Samenvatting van de aanvraag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Lack of empathy and secure bonds precede antisocial behavior in children. Parental insensitivity

and harsh or absent discipline have been associated with children's lack of security of attachment

and lack of empathic concern. In an experimental cross-sequential study with 3 age groups (1-, 2-, and

3-year old children) four research questions will be addressed. First, we test the effectiveness of

parenting interventions on parental sensitivity and disciplining. Second, we test whether the

enhancement of parents' sensitivity and disciplining ability with children showing behavior problems,

leads to less problematic behavior and more empathic concern in these children. Third, we

investigate whether earlier preventive interventions are more effective than interventions at

preschool-age. Lastly, the accelerated longitudinal design allows for a growth curve description of

early problem behavior from age 12 to 60 months.

 

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: NavigatieDirect naar: Onderkant website