Verslagen

Eindverslag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

In de gezondheidsvoorlichting wordt gedomineerd door een risicospecifieke benadering waardoor er een apart preventiebeleid is voor bijvoorbeeld roken, delinquentie en voeding. Een meer gecombineerd, integraal preventiebeleid ten aanzien van verschillende gezondheidsgedragingen is alleen mogelijk indien (1) de gedragingen onderling voldoende samenhangen en (2) er gemeenschappelijke aangrijpingspunten voor verandering zijn. In deze studie werd onderzocht in welke mate risicogedrag en gezondheidsgerelateerd gedrag clustert in de leeftijd van 12-40 jaar, en welke determinanten daarbij aanwijsbaar zijn die aangrijpingspunten bieden voor een gecombineerd, integraal preventiebeleid.

Het doel van de huidige studie was om de relatie te onderzoeken tussen gezondheidsgedrag, antisociaal gedrag en agressie en de determinanten ervan te onderzoeken. De belangrijkste gegevens kunnen als volgt worden samengevat.

Voorwaarde (1): Onderlinge samenhang van gedragingen.

Onderzocht zijn: alcoholgebruik, roken, drugsgebruik, onveilig seksueel gedrag, lichamelijke beweging, voeding, waaronder regelmatig ontbijten en het eten van voldoende groente en fruit, voldoende slaap, en riskant verkeersgedrag, agressie en delinquentie. We vonden voor de verschillende leeftijdsgroepen clusters van risicogedragingen en gezondheidsgerelateerde gedragingen die met elkaar samenhingen. Het aantal en de precieze samenstelling van deze clusters verschilt voor jonge adolescenten (12-15 jr.), oudere adolescenten (16-18 jr.) en volwassenen (19-40 jr.). Voor volwassenen bleken er bijvoorbeeld (1) een cluster gezondheidsgedrag (voeding, niet-roken, slaap, bewegen), (2) een cluster delinquent gedrag (inclusief agressie, drugs en verkeer) en (3) een cluster alcoholgebruik (inclusief onveilige seks) te bestaan. Dit ondersteunt een meer geïntegreerde benadering in het aanmoedigen van gezondere leefgewoonten en geeft bovendien aan dat de verschillende leeftijdsgroepen met verschillend integraal preventiebeleid benaderd dienen te worden.

Voorwaarde (2): Gemeenschappelijke aangrijpingspunten voor verandering

We vonden voor de clusters van gedragingen verscheidene gemeenschappelijke determinanten, d.w.z. factoren die samenhangen met risicogedrag.

Volwassenen die risicogedrag vertonen onderscheiden zich op het gebied van hun gezinsleven van hun kindertijd, hun persoonlijkheid, de waarden die ze aanhangen en de sociale relaties die ze onderhouden. Hun ouders hielden minder toezicht en de relaties met hun ouders waren problematischer. Zij onderscheiden zich ook door meer extremisme, minder vriendelijkheid en minder discipline en zelfcontrole. Zij hangen minder vaak conventionele waarden aan en hebben vaak meer problemen in hun relaties met anderen.

Hun attitude ten opzichte van niet-roken en de eigen effectiviteit met betrekking tot niet-roken hangt samen met het behoren tot de cluster van gezondheidsbedreigende gedragingen: alcoholgebruik, softdrugs gebruik, onveilig vrijen, roken. Voor de gezonde leefstijlcomponent, bleken de eigen effectiviteit met betrekking tot niet-roken, de attitude ten aanzien van niet-roken en de eigen effectiviteit betreffende ontbijten de belangrijkste determinanten voor volwassenen.

Deze resultaten ondersteunen de stelling dat een gecombineerd preventief gezondheidsbeleid mogelijk is. Ter ondersteuning hiervan laten een aantal studies zien dat simultane hulp effectiever kan zijn dan sequentiële hulp.

- Echter, de meeste determinanten kunnen voor veel volwassenen nu niet of nauwelijks nog veranderd worden. Bijvoorbeeld, factoren als ouderlijke monitor of zelfcontrole zijn voor de huidige volwassenen niet meer bij te stellen.

- Waar het gaat om gezondheidsbeleid voor volwassenen, zou het mogelijkheid zijn om aandacht te besteden aan de meer proximale determinanten. Op dat niveau lijkt een focus op beeldvorming en het versterken van eigen effectiviteit over roken en voeding aanknopingspunt voor geïntegreerd gezondheidsbeleid. Echter, tot nu toe is dergelijk beleid niet erg succesvol gebleken.

- Een andere mogelijkheid is om het beleid sterker te richten om situationele aanpassingen, zoals prijsverhogingen, het weghalen van automaten met snacks e.d.

- Tenslotte zou men meer interventies kunnen toepassen op jonge kinderen en hun ouders. Interventies op jonge leeftijd hebben meer succes dan op later leeftijd.

We vonden verbanden tussen opvoeding en de verschillende vormen van risicogedrag, dus dergelijke interventies zouden effect kunnen hebben op alle vormen van risicogedrag in deze studie.

 

Resultaten
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

METHODE

Het doel was om te weten te komen 1) of verschillende vormen van risicogedrag onderling samenhangen en 2) of er factoren zijn in het gezin en in de persoonlijkheid die samenhangen met meerdere vormen van risicogedrag. Gekeken is naar alcoholgebruik, roken, drugsgebruik, onveilig seksueel gedrag, lichamelijke beweging, voeding, waaronder regelmatig ontbijten en het eten van voldoende groente en fruit, voldoende slaap, en riskant verkeersgedrag, agressie en delinquentie. Om dit te onderzoeken is een steekproef getrokken uit de Nederlandse bevolking van 12 t/m 40 jaar oud van 4468 respondenten.

 

RESULTATEN

Uit het onderzoek blijkt dat risicogedrag kan worden ingedeeld in drie clusters: 1) alcoholgebruik en onveilig vrijen; 2) agressie/delinquentie, drugsgebruik, waaronder ook onveilig verkeersgedrag; 3) gezondheidsgedrag, waaronder gezond eten, niet-roken, slaapgewoonten en lichamelijke beweging. Dit betekent dat mensen die bij één vorm van gedrag betrokken zijn binnen één cluster vaak ook bij andere vormen van risicogedrag betrokken zijn binnen dezelfde cluster. Ook blijkt dat mensen die veel risicogedrag vertonen uit één van de clusters vaak ook betrokken zijn bij risicogedrag dat behoort tot een andere cluster. Deze verbanden zijn minder sterk dan de verbanden binnen de clusters.

Onder etnische minderheden is er ook clustering van risicogedrag. Een verschil is dat de drie voedingsvariabelen (ontbijten, fruit, groente) niet tot de gevonden clusters behoort, in tegenstelling tot wat onder autochtonen het geval is.

 

Er zijn een aantal factoren die samenhangen met de betrokkenheid bij de meeste vormen van risicogedrag.

1 Gezin. Respondenten die rapporteren dat zij als kind minder werden gemonitord (ouders weten waar en met wie je bent), minder toezicht ervoeren, en die een minder goede relatie hadden met zowel hun vader als hun moeder, vertonen relatief meer risicogedrag.

2 Persoonlijkheid. Respondenten die risicogedrag vertonen zijn extravert (ze zijn graag actief bezig met anderen); hebben relatief vaak ruzie en hebben weinig discipline en zelfcontrole.

3 Waardenoriëntatie. Respondenten die meer risicogedrag vertonen, zijn sterk gesteld op hun autonomie, zijn hedonistisch ingesteld en zijn minder gesteld op de traditionele gezinswaarden dan respondenten die minder risicogedrag vertonen. Daarnaast zijn ze ook minder vaak praktiserend godsdienstig en hebben ze voor de Tweede kamer verkiezingen in 2003 relatief vaak op ‘Leefbaar Nederland/Lijst Pim Fortuyn’ gestemd.

4 Interacties met vrienden. Negatieve interacties met de beste vriend(in) is gerelateerd aan risicogedrag: respondenten die zich regelmatig ergeren aan hun/haar beste vriendin zijn relatief vaak betrokken bij risicogedrag.

5 Coping stijl. Respondenten die minder sociale steun zoeken vertonen meer risicogedrag.

 

Belangrijk is dat er verschillen zijn tussen leeftijdsgroepen: de gevonden verbanden zijn minder sterk onder de leeftijdgroep 16-18 en sterker onder jongeren en ouder respondenten. Onder de jongste leeftijdcategorie, de 12-14 jarigen, blijkt dat veel sociale steun ervaren van beste vriend(in) risico gedrag bevordert. Hierin verschillen ze van de andere leeftijdsgroepen.

 

NIEUWE INZICHTEN

Nog nooit is zo’n brede set van vormen van risicogedrag samen bestudeerd.

 

DE CONCLUSIES EN DE AANBEVELINGEN

1. De gevonden clusters van gezondheidsgerelateerd gedrag en risicogedrag lijken te duiden op de mogelijkheid van integraal, gecombineerd gezondheidsbeleid ten behoeve van effecten op verschillende gedragingen. De clusters verschillen echter voor jonge en oude adolescenten en volwassenen.

2. De gemeenschappelijk gevonden distale en ultieme factoren (zoals monitoren, zelfcontrole, emotieregulatie, gezinsrelaties) zijn vooral zaken waar in het vroege leven zorg voor gedragen kan worden. Dit blijkt ruimte te bieden voor een goede basis voor de rest van het leven.

3. Op het vlak van proximale determinanten lijken voor volwassenen factoren ten aanzien van roken een aanknopingspunt te bieden voor integraal gezondheidsbeleid.

4. Een belangrijke optie is om het beleid sterker te richten om situationele aanpassingen, zoals prijsverhogingen, het weghalen van automaten met snacks. Onderzoek laat zien dat dit zeer effectief is en praktische relatief makkelijk uitvoerbaar is.

 

Voortgangsverslag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Vraagstelling

De hoofdvraag die dit onderzoek wil beantwoorden is in hoeverre verschillende vormen van risicogedrag op het terrein van gezondheid onderling samenhangen en samenhangen met risicogedrag op andere terreinen, zoals delinquent gedrag of agressie. Wij zijn op zoek naar clusters van risicogedrag. Als gedragingen clusteren dan houdt dat in dat mensen die bij de ene vorm van risicogedrag betrokken zijn ook bij de andere vorm van risicogedrag betrokkenen zijn binnen dat specifieke cluster.

In het verlengde daarvan zal worden nagegaan welke gemeenschappelijke (set van) determinant(en) aan de gevonden clusters van risicogedragingen ten grondslag liggen.

Voorlopige resultaten (dd maart, 2008)

De totale steekproef bestaat uit drie substeekproeven: 1) Er is een steekproef van 3.423 respondenten die is getrokken uit een database van het TNS-NIPO van 200.000 gezinnen, 2) Er is een steekproef van etnische minderheden uit dezelfde database (N=403), en 3) er is een steekproef van Nederlanders in achterstandswijken met een laag opleidingniveau. In totaal gaat het dus om 4470 respondenten. De interviews voor de eerste twee steekproeven zijn verricht door middel van Computer Assisted Self-interviewing (CAPI). Voor de laatste steekproef is een interviewer langsgegaan bij de respondent thuis.

 

Onze analyses tonen aan dat onderscheid moet worden gemaakt naar leeftijd.

1. Onder volwassenen, (19-40) bestaan er drie categorieën risicogedrag:

1. Alcohol gebruik en seksueel gedrag

2. Agressie/delinquentie, drugsgebruik, waaronder ook verkeersgedrag.

3. Gezondheidsgedrag, waaronder gezond eten, roken, slaapgewoonten en lichamelijke beweging.

Deze drie dimensie zijn onderling ook gerelateerd (|r| tussen .35 en .51)

2. Onder adolescenten, (16-18) bestaan er eveneens drie categorieën risicogedrag, maar ze zijn iets anders van samenstelling:

1. Alcohol gebruik, en seksueel gedrag, verkeersgedrag en lichamelijke beweging

2. Agressie/delinquentie, waaronder ook roken, slaapgewoonten en ontbijten vallen.

3. Gezondheidsgedrag, waaronder gezond eten, en lichtere vormen van lichamelijke beweging.

Deze drie dimensie zijn onderling gerelateerd (|r| tussen .12 en .58)

3. Onder de jongste adolescenten, (12-15) bestaan er twee categorieën van risicogedrag:

1. Alcohol gebruik, drugsgebruik en slaapgewoonten

2. Overig riskant gedrag: Agressie/delinquentie, verkeersgedrag, gezond eten, roken, en lichamelijke beweging.

Naar seksueel gedrag was niet gevraagd bij deze groep.

Deze dimensies zijn onderling gerelateerd (r=.43).

 

Conclusie

Dit betekent dat risicogedrag te verdelen is in 3 of 2 categorieën. Mensen die betrokken zijn bij één type risicogedrag zullen relatief vaak ook betrokken zijn bij andere vormen van risicogedrag die binnen dezelfde categorie passen.

Gekeken is naar verschillen voor mannen en vrouwen, maar die zijn er nauwelijks, behalve in de adolescentie.

 

Resultaten
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

1) Clustering Risicogedrag

Er zijn analyses uitgevoerd om te onderzoeken in welke mate verschillende vormen van risicogedrag onderling samenhangen.

Uit de resultaten blijkt dat 1) er niet 1 breed cluster is, maar een aantal aparte clusters van risicogedrag, 2) het aantal en de aard van de clusters verschilt per leeftijd, en 3) er matig tot sterke relaties zijn tussen sommige van deze clusters.

 

Deze resultaten zijn beschreven in het artikel: Van Nieuwenhuijzen, M., Junger, M., Klein Velderman, M., Wiefferink, C.H., Paulussen, T.G.W.M., Hox, J., & Reijneveld, S.A. (2008). Clustering of adverse health behavior and delinquency in adolescents and adults in the Dutch population. Manuscript submitted for publication American Journal of Preventive Medicine (zie bijlage)

 

2) Etniciteit-verschillen in clustering van risicogedrag

Daarnaast hebben we verschillen gevonden in clustering tussen etnische minderheden en allochtone Nederlanders.

Over dit onderwerp is een artikel in voorbereiding: Van Nieuwenhuijzen, M., Junger, M., Klein Velderman, M., Paulussen, T.G.W.M., Hox, J., & Reijneveld, S.A. (in preparation). Risk taking behavior in immigrants in the Netherlands.

 

Kortom, er zijn verschuivingen te zien in clustering en verklarende mechanismen van risicogedrag over leeftijd en verschillen tussen etnische groepen. Deze resultaten leiden tot de vraag of prevalentie, clustering en verklarende mechanismen van risicogedrag stabiel is op individueel niveau in een longitudinaal design. Deze vragen staan centraal in een nieuw projectvoorstel.

 

Beide bevindingen ondersteunen een meer geïntegreerd preventiebeleid, waarbij preventie programma’s zich moeten richten op specifieke groepen, zoals jeugd, volwassenen, etnische minderheden.

 

3) Determinanten Risicogedrag

Om de vraag te beantwoorden of er gemeenschappelijke determinanten te vinden zijn die clustering van risicogedrag bepalen, zijn een aantal analyses uitgevoerd. Onderzocht is of de gevonden clustering uit vraag 1 bepaald wordt door gemeenschappelijke proximale factoren, zoals attitude, subjectieve norm en eigen-effectiviteit. Uit de voorlopige resultaten blijkt dat de verschillende clusters van risicogedrag inderdaad kunnen worden verklaard door attituden, subjectieve norm en eigen-effectiviteit. Het lijkt erop dat het cluster gezondheid gemeenschappelijke proximale determinanten heeft, maar het cluster alcohol niet.

 

Samenvatting van de aanvraag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Het denken in de gezondheidsvoorlichting wordt gedomineerd door een risicospecifieke benadering waardoor er een apart preventiebeleid is voor bijvoorbeeld roken, (verkeers)veiligheid en voeding. In de literatuur zijn aanwijzingen dat risicogedrag op deze verschillende terreinen veelal vóórkomt bij dezelfde personen, en dat hetzelfde ook geldt voor probleemgedrag zoals spijbelen of delinquent gedrag. Sluitende gegevens hierover zijn echter niet beschikbaar. Doel van het voorgestelde onderzoek is na te gaan in hoeverre risicogedrag inderdaad clustert bij dezelfde personen in de leeftijdsgroep 12-40 jaar, en in hoeverre hierbij groepen en determinanten van risicogedrag aanwijsbaar zijn die aangrijpingspunten bieden voor een gecombineerd, integraal, preventiebeleid. Daartoe zullen gegevens worden verzameld bij 3000 personen van 12-40 jaar, waarvan een deel woont in achterstandsgebieden in de grote steden.

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: NavigatieDirect naar: Onderkant website