Verslagen

Eindverslag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Gezondere eetgewoonten kunnen de gezondheid van de Nederlanders bevorderen. Gezonder eten is ondermeer mogelijk door 'traditionele' producten in het dagelijkse eetpatroon te vervangen door in voedingsmiddelen met minder verzadigd vet en meer groente en fruit (gezonde alternatieven). Verondersteld werd dat het vervangen van een beperkt aantal traditionele producten door gezonde alternatieven al kan leiden tot een grote reductie in de consumptie van verzadigd vet en een grote toename in de consumptie van groente en fruit. Wat kan er voor zorgen dat mensen dit soort veranderingen gaan maken in hun dagelijkse eetpatroon? Onderzoek met ‘novel foods’ had al aangetoond dat als mensen een nieuw product enkele keren proeven, ze het product steeds lekkerder gaan vinden. Smaak wordt beschouwd als de belangrijkste determinant van voedselkeuze, en dus kan uitproberen, via het lekker gaan vinden, de kans vergroten dat een nieuw product wordt opgenomen in het dagelijkse eetpatroon. Om de smaak van gezonde alternatieven te leren kennen is een eerste keer uitproberen van het product nodig. Het eerste hoofddoel van dit project was om te bepalen welke factoren samenhangen met het een eerste keer uitproberen van gezonde alternatieven. De mate van voedselneofobie werd verondersteld hierin een rol te spelen omdat dit in novel food studies al werd aangetoond. Het tweede hoofddoel was om op basis van deze factoren strategieën te ontwikkelen en te evalueren die mensen kunnen stimuleren om een gezond alternatief een eerste keer uit te proberen. Het derde doel was om na te gaan wat mogelijke toepassingsmogelijkheden in lokale gezondheidsbevorderingsprojecten zijn van effectief gebleken strategieën. Om de doelen te realiseren zijn een simulatiestudie, een literatuurstudie, een focusgroepstudie, een internetstudie en twee experimentele studies verricht. De resultaten van de simulatiestudie onderschrijven onze veronderstelling dat het vervangen van een beperkt aantal producten door gezonde alternatieven al kan leiden tot een grote reductie in de consumptie van verzadigd vet. Voor iedere deelnemer werden de drie producten die de grootste bijdrage leveren aan zijn/haar consumptie van verzadigd vet vervangen door een gezond alternatief en hierdoor steeg het percentage deelnemers dat voldeed aan de aanbeveling voor verzadigd vet (< 10En%) van 23.3% naar 86.0%. De literatuur-, focusgroep- en internetstudies hebben ons inzicht vergroot in factoren die samenhangen met het een eerste keer uitproberen van gezonde alternatieven. Uit de literatuurstudie en de focusgroepstudie is naar voren gekomen dat veel verschillende product-, persoons- en situatiegerelateerde factoren de beslissing om een gezond alternatief te proberen lijken te beïnvloeden. Het belang van de verschillende factoren verschilt tussen personen, en is tevens afhankelijk van producteigenschappen en situationele omstandigheden. De verwachte smaak van een onbekend gezond alternatief lijkt een belangrijke factor te zijn: mensen willen een gezond alternatief pas uitproberen als ze denken dat ze het product lekker zullen vinden. Iemands mate van voedselneofobie lijkt een tweede zeer belangrijke factor te zijn, wat werd verder onderzocht in de internetstudie. Deelnemers die hoger scoorden op een voedselneofobie vragenlijst kenden minder gezonde alternatieven en waren ook minder bereid tot uitproberen. Laag opgeleiden hadden een hogere voedselneofobiescore dan hoger opgeleiden. Een hogere mate van voedselneofobie lijkt dus inderdaad een belemmering om gezonde alternatieven eens te proberen, vooral voor laag opgeleiden.

Er werden vijf strategieën ontwikkeld om mensen te stimuleren gezonde alternatieven uit te proberen waarvan er twee in experimentele studies in kantines werden geëvalueerd. De eerste strategie was het plaatsen van een informatiebord waarop informatie werd gegeven over de smaak en het mondgevoel van het gezonde alternatief en een smaakvergelijking werd gemaakt met producten waarvan verondersteld werd dat mensen deze over het algemeen lekker vinden. De tweede strategie was het bieden van de mogelijkheid om een hapje/slokje (proefmonster) van het gezonde alternatief te proeven. De eerste strategie is effectief gebleken bij studenten van de Universiteit Maastricht. De tweede strategie is effectief gebleken in een onderzoeksgroep met verschillende opleidingsniveaus en een hoge score op voedselneofobie. In het proefmonster experiment werd, net als in de internetstudie gevonden dat deelnemers met een lagere voedselneofobiescore het gezonde alternatief vaker kozen. In het smaakinformatie experiment werd deze associatie niet gevonden. Vele toepassingmogelijkheden van deze strategieën zijn denkbaar. Overal waar gezonde alternatieven worden aangeboden, kunnen de strategieën worden ingezet: bijvoorbeeld in kantines en supermarkten. Ook kunnen de strategieën worden ingezet in bestaande voedingsvoorlichtingsactiviteiten, bijvoorbeeld de cursus ‘Goede voeding hoeft niet veel te kosten’.

Resultaten
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Een simulatiestudie naar het effect van het vervangen van drie voedingsproducten door vergelijkbare magere alternatieven liet zien dat deze strategie in theorie geschikt is om de consumptie verzadigd vet aanzienlijk te doen afnemen. In een focusgroepstudie werd een groot aantal product-, persoons- en situatiegebonden factoren geïdentificeerd welke van invloed lijken op het ‘voor het eerst uitproberen’ van onbekende voedingsmiddelen. Een internetstudie liet zien dat laag opgeleide deelnemers significant hogere scores op een voedselneofobie vragenlijst hadden dan hoog opgeleidden. De score op de voedselneofobie vragenlijst was significant geassocieerd met de bereidheid van deelnemers de gebruikte gezonde alternatieven te willen proberen. In twee experimentele studies in kantines bleken zowel het aanbieden van een proefmonster als het aanbieden van smaakinformatie over gezonde alternatieven ervoor te zorgen dat deelnemers vaker voor het gezonde alternatief kozen dan de deelnemers in de controleconditie.

Voortgangsverslag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Gezondere eetgewoonten kunnen de gezondheid van de Nederlanders bevorderen. Gezonder eten is ondermeer mogelijk door frequent gebruikte producten in het dagelijkse eetpatroon te vervangen door gezonde alternatieven (voedingsmiddelen met minder (verzadigd) vet, meer voedingsvezel, minder energie en meer groente en fruit). Er komen regelmatig nieuwe gezonde alternatieven op de markt, maar deze worden niet zonder meer in het dagelijks eetpatroon opgenomen. Een factor die daarbij een rol lijkt te spelen is het natuurlijke wantrouwen van mensen tegen onbekende voedingsmiddelen.

Het overkoepelende doel van dit project is om strategieën te ontwikkelen om mensen te stimuleren een voor hen onbekend gezond alternatief een eerste keer te proberen. Het een eerste keer proeven van een onbekend voedingsmiddel wordt daarbij als belangrijke stap in het proces van de integratie van gezonde alternatieven in het dagelijks eetpatroon gezien.

Dit project kent drie hoofddoelen die door middel van drie studies worden onderzocht. Het eerste doel van dit project is het identificeren van factoren die van invloed lijken op de bereidheid om een onbekend voedingsmiddel voor het eerst te proeven. Het tweede doel is om strategieën te ontwikkelen die mensen kunnen motiveren om onbekende gezonde producten voor het eerst uit te proberen en deze door middel van experimenteel onderzoek op hun effectiviteit te testen. Het derde doel is om de toepassingsmogelijkheden te bepalen van strategieën die effectief zijn gebleken voor latere implementatie in concrete lokale gezondheidsbevorderingsprojecten.

Ten behoeve van het eerste doel is een voornamelijk kwalitatief onderzoek uitgevoerd (studie I). Deze studie was gebaseerd op een eerder opgesteld voorlopig verklaringsmodel. In dit model werden factoren opgenomen die een beslissing van het uitproberen van onbekende voedingsmiddelen lijken te beïnvloeden. Dit verklaringsmodel gaf structuur aan een achttal groepsessies met totaal 66 deelnemers tussen de 18 en 50 jaar. Iedere groepsessie viel uiteen in een focusgroep gedeelte, een bespreking van een vijftigtal producten en een korte vragenlijst. De resultaten van deze studie lijken het verklaringsmodel grotendeels te ondersteunen. Op basis van de resultaten van studie I heeft een nadere selectie van potentieel geschikte producten voor de latere studies kunnen plaatsvinden. Daarnaast werd een viertal strategieën gekozen voor studie III.

Naast het afsluiten van de productselectie van producten die in studie III gebruikt worden werd in studie II de relatie getoetst tussen de mate van voedselneofobie en reactie op onbekende producten en ook de rol van sociaaleconomische status daarbij. Voor studie II werd bij 326 deelnemers van tussen de 18 en 50 jaar (gemiddelde leeftijd 32.8 jaar) een uitgebreide vragenlijst via Internet afgenomen. Een aangepaste Nederlandse versie van de Food Neophobia Scale (FNS) maakte daar deel van uit. De resultaten laten zien dat de aangepaste Nederlandse versie van de FNS goed scoort op interne en test-hertest betrouwbaarheid. Daarnaast werd aangetoond dat laag opgeleiden significant hoger scoren op de FNS. Verder kenden deelnemers die hoger scoorden op de FNS minder van de gepresenteerde producten en waren eveneens ook significant minder bereid deze eens te proeven.

 

Momenteel loopt studie III waarin deelnemers in een kantine voor een keuze worden gesteld tussen een voor hen bekend en een onbekend voedingsmiddel binnen een productgroep. De vier stimulusproducten voor studie III zijn: Fruit2day (Hero), Zonnezuivel (Uniekaas), Knorr-vie (Unilever) en Twentyfour (van Dijk Food products). Deze keuze is ingebed in een opdracht om uit verschillende producten een kleine broodmaaltijd samen te stellen. Vier strategieën (+controle) worden getest, te weten: een strategie om de bekendheid van de deelnemer met het onbekende alternatief vooraf te verhogen, het aanbieden van een proefmonster, het aanbieden van informatie over de smaak van het onbekende product en een recente ervaring met het uitproberen van een onbekend voedingsmiddel. Doel is door middel van deze vier strategieën het keuzegedrag van de deelnemers zo te beïnvloeden dat zij vaker het onbekende product kiezen dan deelnemers in de controlegroep. Voor deelname aan studie III moeten deelnemers eerst een korte vragenlijst invullen. Uit deze deelnemers wordt een selectie gemaakt van deelnemers voor de experimentele fase van studie III. Op het moment hebben 920 deelnemers de eerste vragenlijst ingevuld waarvan 120 theoretisch geschikt zijn voor deelname aan de experimentele fase en hebben 71 deelnemers de experimentele fase reeds hebben doorlopen.

 

Resultaten
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Zoals in de eerdere verslaglegging aangekondigd zijn de voor studie III gebruikte materialen en instructies gepretest. In totaal zijn er twee pretests verricht. De resultaten van de eerste pretest onder deskundigen leidden tot enkele aanpassingen in de materialen, de te volgen procedure en de te geven instructies voor studie III. In de gebruikte vragenlijsten moesten enkele vragen worden hergeformuleerd, en waar nodig werden er andere vragen aan de lijsten toegevoegd. Daarnaast werden veranderingen aangebracht aan enkele materialen, zoals de in het laatste verslag genoemde smaakinformatie borden en de kaartjes waarop deelnemers de productnamen kunnen zien. De instructies voor deelnemers werden aangescherpt. Na de tweede pretest onder deelnemers uit de beoogde doelgroep bleken de gebruikte materialen, instructies en procedures geen aanpassing meer nodig te hebben.

 

Momenteel loopt studie III, waarvoor deelnemers worden gevraagd om twee vragenlijsten in te vullen. Doel van de eerste vragenlijst is het identificeren van geschikte deelnemers voor de experimenten. Deze vragenlijst is tot op heden door 920 18-25jarigen ingevuld. Daarvan bleken er 122 aan alle inclusiecriteria te voldoen. Dit aantal ligt lager dan verwacht en dat is gedeeltelijk door het relatief hoge opleidingsniveau van de deelnemers te verklaren wat samenhangt met een lagere score op de voedselneofobie lijst. Van deze 122 geschikte hebben er momenteel 71 studie III compleet doorlopen. Het werven van deelnemers loopt parallel aan het uitvoeren van studie III; beide processen zijn nog in volle gang.

 

De data van studie II zijn geanalyseerd en een artikel over deze studie is ingediend bij een tijdschrift. De resultaten laten zien dat de door ons aangepaste Nederlandse versie van de Food Neophobia Scale (FNS) goede interne consistentie en test-hertest betrouwbaarheid heeft en dus geschikt is als meetinstrument voor studie III. Laag opgeleiden hadden vergeleken met hoog opgeleiden significant hogere scores op de FNS. Scores op de FNS hingen daarnaast significant negatief samen met het aantal producten dat deelnemers kenden evenals hun bereidheid om de gezonde alternatieven voor het eerst te proberen.

 

Samenvatting van de aanvraag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Gezondere eetgewoonten kunnen de gezondheid van de Nederlanders bevorderen. Gezonder eten is

ondermeer mogelijk door 'traditionele' producten in het dagelijkse eetpatroon te vervangen door

voedingsmiddelen met minder (verzadigd) vet, meer voedingsvezel, minder energie en meer

groente en fruit. Mensen hebben echter een natuurlijk wantrouwen tegen nieuwe, onbekende

voedingsmiddelen. Het een keer zien-voelen-ruiken-proeven van zo'n voedingsmiddel kan mensen

helpen om ze lekker te gaan vinden en daarmee de kans vergroten dat ze het vaker gaan eten. Het

eerste doel van deze studie is om na te gaan welke factoren ertoe bijdragen dat mensen bereid zijn

een voedingsmiddel een eerste keer te proberen. Dit zal worden onderzocht met

focusgroepinterviews. Het tweede doel is om vervolgens strategieën te ontwikkelen en evalueren

die mensen kunnen motiveren om onbekende gezonde producten uit te proberen en op te nemen in

hun dagelijkse eetpatroon. Dit onderzoek zal in eerste instantie plaatsvinden onder een homogene

onderzoeksgroep van jong volwassenen in een kantine die speciaal voor het onderzoek zal worden

ingericht. Het derde doel is om de toepassingsmogelijkheden te bepalen van strategieën die effectief

zijn gebleken. Die kunnen dan vervolgens daadwerkelijk geïmplementeerd worden in concrete lokale

gezondheidsbevorderingsprojecten en nader worden uitgetest.

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: NavigatieDirect naar: Onderkant website