Verslagen

Eindverslag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Recente ontwikkelingen in de sociale psychologie suggereren dat een groot deel van doelgericht gezondheidsgedrag automatisch wordt geactiveerd en uitgevoerd. Doordat dit gedrag in het verleden al vaak is uitgevoerd met hetzelfde doel voor ogen en onder dezelfde omstandigheden, hoeft er niet meer bewust over nagedacht te worden. Zo blijken mensen goed in staat te zijn om tijdens het telefoneren allerlei andere handelingen te verrichten of tijdens het autorijden een gesprek te voeren met andere inzittenden. Echter, soms ontstaat de wens om het doel op een andere manier te realiseren, maar blijkt het moeilijk deze wens te vervullen. Veel mensen hebben na de feestdagen of vlak voor de zomer het voornemen gezonder te eten, maar in werkelijkheid komt hier vaak weinig van terecht. In het huidige project staat dan ook de vraag centraal: waarom is het zo moeilijk om slechte of ongezonde gewoontes te doorbreken? Welke psychologische mechanismen liggen ten grondslag aan gewoontegedrag? En kunnen deze mechanismen zodanig beïnvloed worden dat gewoontedoorbreking wel bewerkstelligd kan worden? Het project probeert hiermee beter grip te krijgen op de onderliggende mechanismen die een rol spelen bij de aansturing van gewoontegedrag en de mogelijkheden om dit gedrag te beïnvloeden. Meer specifiek, met de in dit project opgedane kennis kan zowel het aanleren van gewenst gezondheidsgedrag als het afleren van ongewenst gezondheidsgedrag worden bevorderd. Tijdens het vormen van een gewoonte wordt het habituele middel makkelijker door het doel geactiveerd, terwijl alternatieven juist moeilijker geactiveerd worden en zelfs geïnhibeerd. Dit bevordert selectie van de gewenste optie en het vormen van een gewoonte. Een sterkere associatie tussen doel en gedrag (b.v. door veelvuldige koppeling, of omdat de context waarin doel en gedrag aan elkaar gekoppeld zijn steeds hetzelfde is) leidt tot sterkere gewoontes: de associatie voorspelt toekomstig gedrag en intenties voorspellen niet. Afhankelijk van de gewoontesterkte van het ongewenste gedrag zullen verschillende soorten interventies ontworpen dienen te worden om dit te doorbreken. Inhibitie speelt eveneens een rol in het doorbreken van gewoontes: wanneer er een intentie wordt gecreëerd om toch alternatief gedrag voor het gewoontegedrag te vertonen, wordt de associatie tussen doel en gewoontegedrag geïnhibeerd. Naarmate de gewoonte sterker wordt vervallen de alternatieven als gedragsoptie en blijkt de inhibitie te verdwijnen. Bij het afleren van gewoontes is de inhibitie echter een compliceende factor: immers, door de alternatieven weer onder de aandacht te brengen treedt ook opnieuw inhibitie van die alternatieven op. Echte verandering wordt echter door het inhibitieproces ook bevorderd: wanneer er een intentie wordt gecreëerd om toch alternatief gedrag voor het gewoontegedrag te vertonen, wordt de associatie tussen doel en gewoontegedrag geïnhibeerd. Inhibitie blijkt functioneel voor de selectie en het afschermen van gedragsresponsen. Gewoontevorming blijkt sterk gerelateerd aan contextstabiliteit: naarmate de situatie gelijkvormiger is, is de koppeling van gedrag aan een bepaalde situatie en doel sterker. Voor het veranderen van gewoontes heeft het project zich verder gericht op twee mogelijkheden: de vorming van implementatie-intenties en het koppelen van gewoontegedrag aan negatief affect. Implementatie-intenties zijn concrete "als-dan" plannen die een koppeling tussen een bepaalde doelsituatie en een gedrag specificeren en daarmee meer toegankelijk maken. Daarmee lijken implementatie-intenties op gewoontes: het voorgenomen gedrag komt snel bij de actor op, getriggerd door de situatie. Het blijkt dat de vorming van implementatie-intenties zeer nuttig is bij het doorbreken van gewoonten en het afschermen tegen het alsnog uitvoeren van (ongewenst) gedrag. Ook de koppeling van gewoontegedrag aan negatieve bekrachtiging is een beloftevolle mogelijkheid; in het onderzoek blijkt echter (tegen de verwachtingen in) dat gelijktijdige positieve bekrachtiging van alternatief gedrag niet positief uitpakt. dit aspect verdient zeker nader onderzoek. In een toegepast onderzoek is het trapgebruik in een universitair gebouw bevorderd door toepassing van een aantal omgevingsveranderingen: prompting (het geven van gedragsaanwijzingen), nieuwe esthetische vormgeving van de trappenhuizen, een aantal aanmoedigingen in de vorm van posters. Het sterk door gewoontes gestuurde gedrag bleek beïnvloedbaar: trapgebruik nam met 8 % toe. Met studies vanuit een sociaal-cognitief perspectief heeft het project inzichten opgeleverd over ontstaan, bestendiging en verandering van gewoontes. Vooral op het gebied van verandering is nog veel werk te doen omdat er weliswaar theoretisch verantwoorde principes zijn beschreven maar deze nog een vertaling naar de praktijk behoeven.

 

 

Resultaten
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Het onderzoek richt zich op de vorming en verandering van gewoontes vanuit een sociaal-cognitief perspectief. Gewoontegedrag wordt verondersteld automatisch te worden opgestart en uitgevoerd, en het is doelgericht. Op het moment dat een doel geactiveerd wordt, wordt automatisch het habituele gedrag geactiveerd om dat doel te bereiken. Gewoontegedrag ontstaat doordat hetzelfde gedrag consistent en met succes gebruikt wordt om hetzelfde doel te verwezenlijken onder dezelfde omstandigheden. Ons onderzoek heeft laten zien dat gedurende het vormen van een gewoonte, alternatieve opties geïnhibeerd worden. Deze inhibitie heeft een belangrijke functie: hoe sterker alternatieve opties geïnhibeerd worden, hoe sneller men in staat is een doelgerelateerde keuze te maken. In een eerste serie experimenten is gedemonstreerd dat bij toename van de frekwentie waarmee hetzelfde middel voor hetzelfde doel wordt geselecteerd ook de inhibitie van alternatieve middelen om dat doel te bereiken wordt versterkt. Vervolgens is in een serie onderzoeken aangetoond dat alternatieve middelen ook tijdens de selectie van een bepaalde gedragsoptie worden onderdrukt (dus niet alleen erna. Deze functionele inhibitie bevordert de responsselectie. Vervolgens is aangetoond dat inhibitie niet meer optreedt wanneer een gewoonte eenmaal stevig is gevormd, door middel van onderzoek met natuurlijk ontstane gewoontes zoals sporten en lunchen. Een intentie om gewoontegedrag te vertonen leidt niet tot inhibitie van alternatieven, maar de ferme intentie om een alternatief gedrag te vertonen leidt wel tot inhibitie van de representatie van de gewoonte. Naast bovenstaande experimenten is er in een survey voor verschillende gezondheidsgerelateerde gedragingen (b.v. fietsen) aangetoond dat frequent en consistent gedrag in het verleden (zoals met gewoontes het geval is) goede gedragsvoorspellers zijn. Dit treedt sterker op naarmate de context waarin dat gedrag moet worden vertoond stabiel is. Intenties voorspellen het gedrag met name goed wanneer het gedrag (nog) niet in het verleden is vertoond. Het vormen van intenties voor verandering zou zelfs een ironisch effect kunnen hebben. Stel dat inderdaad alternatieve opties voor het doel niet langer interfereren met de uitvoering van de habituele keuze wanneer een gewoonte zich eenmaal gevormd heeft (en dus niet geïnhibeerd hoeven te worden) en er wordt vervolgens een intentie gevormd om één van de alternatieve opties voor het doel te gebruiken. Hierdoor wordt de associatie tussen het doel en de alternatieve optie (opnieuw) gebruikt en wordt de kans verhoogd dat na activatie van het doel de alternatieve optie weer zal gaan interfereren en daardoor opnieuw geïnhibeerd wordt. Kortom, er treedt een tegenovergesteld effect op waardoor intentie formatie om alternatief gedrag te vertonen de werkelijke uitvoering van dit alternatieve gedrag bemoeilijkt. Vervolgens hebben we ons voornamelijk gericht op het beïnvloeden van deze processen. Hoe kan er voor gezorgd worden dat in een doel-relevante situatie het alternatieve middel wordt geactiveerd in plaats van het habituele middel, zo dat dit alternatieve middel ook daadwerkelijk wordt gebruikt om het doel te bereiken? Kan de associatie tussen de doel-relevante situatie en het gewenste gedrag genoeg versterkt worden door een simpel leer-proces, of hebben mensen baat bij de expliciete planning van hun gedrag? In dit onderzoek hebben we ons eerst gericht op een zelf-regulatief hulpmiddel, de zgn implementatie-intenties, specifieke "als - dan"-plannen die gedragsalternatieven expliciet koppelen aan situaties. De effectiviteit van deze planning methode is vergeleken met een taak waarin simpele associaties tussen doel, situatie en gedrag werden geleerd door de deelnemers. Op de korte termijn leiden zowel het leren van doelgerichte associaties als expliciet plannen van het gewenste gedrag ertoe dat deelnemers de intentie tot niet-habitueel gedrag vaker uitvoerden dan in de controle conditie. Op de lange termijn echter, één week later, bleek dat alleen het expliciete plannen ervoor zorgde dat het niet-habituele gedrag in stand werd gehouden. Een volgende onderzochte strategie voor het doorbreken van gewoontes is “intentional forgetting”. Hierin worden de deelnemers voorbereid op het uitvoeren van niet-habitueel gedrag door bewust niet aan het habituele gedrag te denken als zij met een relevante situatie worden geconfronteerd. Deze strategie bleek slechts beperkt werkzaam. Ook is beïnvloeding via affect onderzocht. Het koppelen van negatief affect aan gewoontegedrag leidt ertoe dat het gewoontegedrag minder snel actief wordt, maar het koppelen van een alternatief aan positief affect had geen effect. In een tweede onderzoek bleek echter een interventie waarin (naast prompts) ook positieve bekrachtiging voor alternatief gedrag werd gegeven wel effectief. Het sociaal-cognitief raamwerk blijkt nuttig voor het begrijpen van vorming en verandering van gewoontegedrag.

Voortgangsverslag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Recente ontwikkelingen in de sociale psychologie suggereren dat een groot deel van doelgericht gezondheidsgedrag automatisch wordt geactiveerd en uitgevoerd. Doordat dit gedrag in het verleden al vaak is uitgevoerd met hetzelfde doel voor ogen en onder dezelfde omstandigheden, hoeft er niet meer bewust over nagedacht te worden. Zo blijken mensen goed in staat te zijn om tijdens het telefoneren allerlei andere handelingen te verrichten of tijdens het autorijden een gesprek te voeren met andere inzittenden. Echter, soms ontstaat de wens om het doel op een andere manier te realiseren, maar blijkt het moeilijk deze wens te vervullen. Veel mensen hebben na de feestdagen of vlak voor de zomer het voornemen gezonder te eten, maar in werkelijkheid komt hier vaak weinig van terecht. In het huidige project staat dan ook de vraag centraal: waarom is het zo moeilijk om slechte of ongezonde gewoontes te doorbreken? Welke psychologische mechanismen liggen ten grondslag aan gewoontegedrag? En kunnen deze mechanismen zodanig beïnvloed worden dat gewoontedoorbreking wel bewerkstelligd kan worden? Het project probeert hiermee beter grip te krijgen op de onderliggende mechanismen die een rol spelen bij de aansturing van gewoontegedrag en de mogelijkheden om dit gedrag te beïnvloeden. Meer specifiek, met de in dit project opgedane kennis kan zowel het aanleren van gewenst gezondheidsgedrag als het afleren van ongewenst gezondheidsgedrag worden bevorderd.

Resultaten
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Gewoontegedrag houdt in dat op het moment dat een doel geactiveerd wordt, automatisch het (habituele) gedrag geactiveerd wordt om dat doel te bereiken. Gewoontegedrag ontstaat doordat hetzelfde gedrag consistent gebruikt wordt om hetzelfde doel te verwezenlijken, onder dezelfde omstandigheden, en met succes. Deze veronderstellingen deden een aantal vragen ontstaan.

1) Voordat een gewoonte zich gevormd heeft, zijn er vaak meerdere manieren om het doel te bereiken. Wat zijn de mentale gevolgen voor deze alternatieve optie(s) a) wanneer een gewoonte zich aan het vormen is en b) wanneer deze gevormd is?

2) Is het mogelijk de mentale toestand van de habituele en de alternatieve optie gegeven het doel zodanig te beïnvloeden dat, op het moment dat het doel geactiveerd wordt, de alternatieve (wenselijke) optie toegankelijk wordt, zodat er gedragsverandering kan optreden?

3) Intenties zijn over het algemeen redelijk goede gedragsvoorspellers. Gewoonteverandering bewerkstellingen met behulp van intenties blijkt echter moeilijk. Wat is de rol van de frequentie waarmee het gedrag in het verleden is uitgevoerd, van intenties om het anders te doen, en van de stabiliteit van de omstandigheden waarbinnen het gedrag in het verleden is vertoond?

De eerste vraag is uitvoerig besproken in de vorige verslagperiode. Gedurende het vormen van een gewoonte worden alternatieve opties geïnhibeerd, waardoor men sneller in staat is een doelgerelateerde keuze te maken. In de verslagperiode hebben we in vervolgonderzoek met natuurlijk ontstane gewoontes als lunchen en sporten aangetoond dat inhibitie niet meer optreedt wanneer de gewoonte eenmaal is gevormd: een intentie om een habitueel middel te gebruiken leidt niet tot inhibitie van non-habituele middelen (die zijn 'uit beeld'), maar een intentie om non-habitueel gedrag te vertonen leidt wél tot inhibitie van de representatie van het gewoontegedrag. De associatie tussen doel en habituele optie wordt dus zo sterk dat de alternatieve optie niet langer interfereert.

Of, andersom, de verbroken associatie tussen het doel en de alternatieve optie interfereert dus minder.

In een survey is voor diverse gezondheidsgerelateerde gedragingen onderzocht hoe en wanneer toekomstig gedrag (4 weken later gemeten)kan worden voorspeld. Frequent en consistent gedrag in het verleden (zoals een gewoonte) blijkt een goede gedragsvoorspeller te zijn. Intenties voorspellen het gedrag met name goed wanneer het gedrag (nog) niet vaak in het verleden is vertoond. In twee daarop volgende studies werden deze bevindingen gerepliceerd en verder onderzocht. In de eerste studie, over fietsgedrag, werd gevonden dat gedrag in het verleden een goede gedragsvoorspeller was, maar vooral wanneer de context waarin gedrag werd vertoond stabiel was. Dit was al vaak gesuggereerd, maar tot op heden was hier weinig bewijs voor verschaft. Wanneer gedrag in het verleden vaak in dezelfde omstandigheden is gebruikt om een bepaald doel te bereiken dan ontstaat er een sterke associatie tussen het doel en het gedrag. Een sterke associatie tussen doel en gedrag op een eerste tijdstip gemeten is sterk gecorreleerd met het gedrag een week later gemeten. Tegelijkertijd bleek de intentie om het gedrag uit te voeren alleen gedragsvoorspellend te zijn wanneer het gedrag niet sterk geassocieerd was het met doel.

Hieruit volgt dat het vormen van intenties, zoals het jaarlijkse voornemen om allerlei gedragingen te veranderen (meer sporten, minder eten, etc), waarschijnlijk weinig zegt over het werkelijk veranderen van gedrag. Het vormen van intenties zou zelfs een ironisch effect tot gevolg kunnen hebben. Stel dat inderdaad alternatieve opties voor het doel niet langer interfereren met de uitvoering van de habituele keuze wanneer een gewoonte zich eenmaal gevormd heeft (en dus niet geïnhibeerd hoeven te worden) en er wordt vervolgens een intentie gevormd om één van de alternatieve opties voor het doel te gebruiken. Hierdoor wordt de associatie tussen het doel en de alternatieve optie (opnieuw) gebruikt en wordt de kans verhoogd dat na activatie van het doel de alternatieve optie weer zal gaan interfereren en daardoor opnieuw geïnhibeerd wordt. Kortom, er treedt een tegenovergesteld effect op waardoor intentie formatie om alternatief gedrag te vertonen de werkelijke uitvoering van dit alternatieve gedrag bemoeilijkt. Intenties zijn dan disfunctioneel voor gewoonteverandering. Vooralsnog is dit proces speculatief, maar het biedt wel een interessante mogelijkheid voor een nieuwe kijk op het effectief stellen van gezondheidsdoelen.

De resulataten bevestigen ons sociaal-cognitieve raamwerk omtrent het gewoonteconstruct en we hebben een beter beeld gekregen van de onderliggende mechanismen. We kunnen ons dan nu ook in het laatste jaar van het project met name gaan richten op het beïnvloeden van deze onderliggende processen en daadwerkelijke gedragsverandering tot stand proberen te brengen als er sprake is van een sterke gewoonte.

Samenvatting van de aanvraag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Recente ontwikkelingen in de psychologie suggereren dat veel (doelgericht) gezondheidsgedrag automatisch wordt opgestart en uitgevoerd. In het voorgestelde project wordt getracht om meer inzicht te verwerven in automatische aspecten van dit type gedrag. Verondersteld wordt dat het realiseren van nieuwe doelen bewuste aandacht en planning vereist, terwijl bij doelen die men frequenter heeft verwezenlijkt in een bepaalde situatie (zoals bij gewoontegedrag) de nodige implementatiestappen automatisch cognitief geactiveerd worden, en (vrijwel) geen bewuste sturing meer nodig hebben. Habitueel gedrag worden dus als het ware direct opgestart zodra de frequent

nagestreefde doelen worden geactiveerd door de situatie. Dit project richt zich op het onderliggende proces van automatisch doelgericht gedrag. Verbeterd inzicht leidt tot aanzetten voor verandering, bijvoorbeeld door bewuste aandacht en het maken van plannen. Het project probeert hiermee beter grip te krijgen op de onderliggende mechanismen die een rol spelen bij de aansturing van gewoontegedrag en de mogelijkheden om dit gedrag te beïnvloeden. Meer specifiek, met de in dit project opgedane kennis kan zowel het aanleren van gewenst gezondheidsgedrag als het afleren van ongewenst gezondheidsgedrag worden bevorderd.

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: NavigatieDirect naar: Onderkant website