Verslagen

Eindverslag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Ondanks de veronderstelde positieve effecten van een adequate groente en fruit consumptie blijken allerlei bevolkingsgroepen, waaronder kinderen, niet te voldoen aan de aanbevolen hoeveelheid. Bovendien is de inname van groente en fruit is de afgelopen 10 jaar verder gedaald, met name onder kinderen.

Om groente en fruit consumptie bij lagere schoolleerlingen te stimuleren heeft het project Schoolgruiten plaatsgevonden in enkele steden in Nederland. Dit project omvatte het 2-maal per week uitdelen van groente en fruit op school en lesmateriaal dat door de docenten kon worden gebruikt. Het beschikbaar maken van groente en fruit als onderdeel van de interventie is gebaseerd op de veronderstelling dat juist beschikbaarheid en andere omgevingsfactoren, belangrijke determinanten zijn van voedingsgedrag bij kinderen.

Het onderzoek heeft de volgende doelen: (1) het onderzoeken van determinanten van groente en fruit consumptie bij kinderen, (2) effectevaluatie van de schoolgruiteninterventie op groente en fruitconsumptie, (3) proces- en kosteneffectiviteitevaluatie ter voorbereiding van een plan voor grootschaliger implementatie.

Om aan de doelstellingen te voldoen is gebruik gemaakt van een quasi-experimenteel design met interventie scholen en controle scholen en één voor- en twee nametingen (2003-2005). De interventie scholen namen deel aan het Schoolgruiten project terwijl de controle scholen geen interventie ontvingen. Leerlingen en ouders van de deelnemende scholen hebben vragenlijsten ingevuld. De vragenlijsten bevatten vragen over de groente en fruit consumptie van het kind, mogelijke determinanten van groente en fruit consumptie en de sociaal demografische kenmerken van het gezin.

(1) Om aan het eerste doel te voldoen is een voorspellend verband onderzocht tussen potentiële determinanten en daadwerkelijke verandering in groente en fruitinname, door gebruik te maken van de data van alle drie meetmomenten in de interventiescholen. Op deze manier is onderzocht of verandering in determinanten gerelateerd is aan verandering in groente en fruit consumptie in dezelfde periode en/of met verandering in een latere periode. Tevens is gekeken of verandering in groente en fruit consumptie gerelateerd is aan verandering in determinanten in een latere tijdsperiode. Dit om ideeën van het zogenaamde ‘dual process view’, te onderzoeken. Resultaten uit deze studie bevestigen bekende bestaande gedragsveranderingtheorieën die stellen dat verandering in gedrag vooraf wordt gegaan door

verandering in belangrijke determinanten.

(2) Als subdoel van de tweede doelstelling is een effect evaluatie uitgevoerd voor de korte termijn effecten (na 1 jaar). De effectiviteit van de interventie is apart onderzocht voor Nederlandse en niet-Westerse allochtone kinderen. Er werd gevonden dat niet-westerse allochtone kinderen van de interventie scholen meer groente aten op de eerste nameting, dan niet-westerse allochtone kinderen van de controle scholen. Nederlandse kinderen van de interventiescholen rapporteerden een hogere fruitinname dan hun Nederlandse leeftijdsgenootjes van de controle scholen. In beide groepen was er een positief interventie effect op smaak voorkeuren voor fruit. Bij evaluatie na 2 jaar bleek er alleen een positief effect voor de fruitinname, maar niet voor de groente inname. Het positieve effect voor fruit inname werd gevonden met zowel de ouder- als de kind-rapportages. Daarnaast bleek dat kinderen uit de interventie groep positiever waren over een interventie ter bevordering van de groente en fruit consumptie dan kinderen uit de controle groep.

Een mogelijk leer- of meeteffect van het herhaaldelijk invullen van de vragenlijsten kan de resultaten niet hebben beïnvloed. Uit een extra onderzoek bleek dat de gerapporteerde groente en fruit inname niet verschilden tussen de controle scholen uit het onderzoek en extra geworven scholen.

 

(3) Om een goede kosten utiliteitsanalyse te doen, zijn de interventie effecten met behulp van een speciaal ontwikkeld model gebaseerd op de Multi State Life Tables doorberekend tot effecten uitgedrukt in DALYs (disease and health-adjusted life-years). De kosten voor de interventie zijn vergeleken met het aantal gewonnen DALYs. Resultaten lieten zien dat als alle Nederlandse kinderen mee zouden doen aan Schoolgruiten er 12523 DALYs (in dagen) gewonnen kunnen worden. Na verdiscontering met 3% daalde dit naar 2035 dagen. Echter, hiermee werd er vanuit gegaan dat het effect voor 100% in stand zou blijven, wat niet realistisch is. Bij een aanname van 30% behoud van de interventie, daalt het geschatte aantal gewonnen DALYs naar 621 dagen. Eén DALY was gewaardeerd met € 19,600 en de kosten van de interventie per kind per jaar waren geschat op € 30,-. De Cost Effectiveness Ratio (ICER) werd geschat op 18,379 en het Net Monetary Benefit op € 3.848.373 Hiermee bleek de interventie kosten effectief.

Resultaten
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Om een oorzakelijk verband te onderzoeken tussen potentiële determinanten en daadwerkelijke verandering in groente en fruitinname, is gebruik gemaakt van de data van alle drie meetmomenten in de interventiescholen. Daarnaast zou het, volgens het zogenaamde ‘dual process view’, ook kunnen zijn dat verandering in groente en fruitinname (door extra inname op school), leidt tot verandering in de potentiële determinanten, met name smaakvoorkeur. Resultaten tonen aan dat positieve verandering in groente en fruit consumptie inderdaad gerelateerd is aan positieve verandering in belangrijke determinanten (smaakvoorkeur, eigen effectiviteit, invloed van ouders en beschikbaarheid thuis) in dezelfde tijdsperiode als wel aan positieve verandering in belangrijke determinanten in een eerdere tijdsperiode. Tevens werd gevonden dat verandering in groente en fruit consumptie gerelateerd is aan verandering in smaak op een later tijdstip. Resultaten uit deze studie ondersteunen bekende bestaande gedragsveranderingtheorieën, maar wijst ook op een reciproque relatie tussen gedrag en smaakvoorkeuren .

 

In de analyses voor de korte termijn effect evaluatie zijn 565 Nederlandse kinderen en 388 kinderen van niet-westerse afkomst geïncludeerd. Deze kinderen hadden gegevens beschikbaar over hun groente en fruit inname en de belangrijke determinanten via eigen rapportage en door rapportage van de ouders. De effectiviteit van de interventie is apart onderzocht voor Nederlandse en niet-Westerse allochtone kinderen. Er bleek een positief interventie effect te zijn voor groente bij de niet-westerse allochtone kinderen, maar niet bij de Nederlandse kinderen. Daarentegen was er een positief effect voor de fruit inname bij de Nederlandse kinderen, maar niet bij de niet-Westerse allochtone kinderen. Daarnaast werden positieve interventie-effecten gevonden voor smaakvoorkeur voor fruit bij zowel de Nederlandse als de kinderen van niet-westerse afkomst.

Voor de effectevaluatie op de langere termijn, na 2 jaar, hadden 346 kinderen uit de interventie groep en 425 kinderen uit de controle groep gegevens beschikbaar over hun groente en fruit inname tijdens de 2e nameting. Resultaten lieten een positief effect zien voor fruit inname, maar niet voor groente inname. Kinderen uit de interventie groep rapporteerden 0.15 stuks meer fruit te eten dan kinderen uit de controle groep. Tevens werd een positief effect voor de kennis van de aanbeveling gevonden, echter alleen bij jongens. Daarnaast was gevraagd aan kinderen van de interventie en de controle groep hoe zij een project ter promotie van hun groente en fruit inname zouden waarderen. Het bleek dat bij kinderen die dit meer waardeerden de fruit inname ook meer was toegenomen.

 

Met extra gegevens verzameld bij kinderen uit groep 8 van basisscholen in Oldenzaal, die nooit betrokken zijn geweest bij het Schoolgruiten Project, is gekeken of het herhaaldelijk invullen van de Schoolgruiten vragenlijst voor een meet- of leereffect heeft gezorgd. De gerapporteerde groente en fruit consumptie verschilde niet tussen de controle scholen en de meeteffect controle scholen, ook niet na correctie voor leeftijd, geslacht, etniciteit en opleidingsniveau van de ouders. Mogelijke leereffecten kunnen de resultaten dus niet hebben beïnvloed. Tevens is gekeken wat de overeenstemming is tussen ouder en kind-rapportages. Het bleek dat kinderen hogere waardes rapporteren, al daalden deze verschillen tijdens de tweede meting. De overeenstemming bleek matig, gebaseerd op correlatie coëfficiënten (0.28–0.43) en Cohen’s Kappa’s (0.25–0.28).

 

 

Ter voorbereiding op het modelleren van de interventie effecten en het bereken van de kosteneffectiviteit op langere termijn, is geanalyseerd hoe groente en fruit consumptie ‘trackt’ vanuit de adolescentie naar de volwassen leeftijd. Uit de analyses in het Amsterdams Groei en GezondheidsOnderzoek kwam naar voren dat de fruitinname over de onderzochte 24 jaar was gedaald en dat de zogenaamde ‘tracking’ matig was met tracking coefficienten van 0.33 voor fruit en 0.27 voor groente.

Met behulp van het Multi State Life Table is het interventie effect doorberekend en uitgedrukt in DALYs (disease and health-adjusted life-years). Dit effect was geschat op 12523 gewonnen dagen, maar na verdiskontering daalde deze schatting naar 2035 gewonnen DALYs. Echter, bij deze rekening is er vanuit gegaan dat interventie effect voor 100% blijven behouden, wat niet reëel is. Met een reëlere schatting van 30% behoud, wordt het interventie effect geschat op 621 gewonnen DALYs (dagen). De kosten voor het implementeren van de interventie zijn geschat op € 30,- per kind per jaar. Hiermee komt de geschatte Incremental Cost Effectiveness Ratio uit op 18.379 en het Net Monetary Benefit (NMB) op € 3.848.373. Hiermee lijkt het implementeren van de interventie kosten effectief.

Voortgangsverslag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Adequate groente en fruit consumptie is gerelateerd aan lagere risico’s voor het krijgen van overgewicht, hart- en vaatziekten en sommige vormen van kanker. Echter er blijken allerlei bevolkingsgroepen, waaronder kinderen, niet te voldoen aan de aanbevolen hoeveelheid en de inname van groente en fruit is de afgelopen 10 jaar verder gedaald, met name onder kinderen.

Om groente en fruit consumptie bij lagere schoolleerlingen te stimuleren heeft het project Schoolgruiten plaatsgevonden in enkele steden in Nederland. Dit project omvatte het 2-maal per week uitdelen van groente en fruit op school en lesmateriaal dat door de docenten kon worden gebruikt. Het beschikbaar maken van groente en fruit als onderdeel van de interventie is gebaseerd op de veronderstelling dat juist beschikbaarheid en andere omgevingsfactoren, belangrijke determinanten zijn van voedingsgedrag bij kinderen.

Het onderzoek heeft de volgende doelen: (1) het onderzoeken van determinanten van groente en fruit consumptie bij kinderen, (2) effectevaluatie van de schoolgruiteninterventie op groente en fruitconsumptie, (3) proces- en kosteneffectiviteitevaluatie ter voorbereiding van een plan voor grootschaliger implementatie.

Om aan de doelstellingen te voldoen is gebruik gemaakt van een quasi-experimenteel design met interventie scholen en controle scholen en één voor- en twee nametingen. De interventie scholen namen deel aan het Schoolgruiten project terwijl de controle scholen geen interventie ontvingen. Leerlingen en ouders van de deelnemende scholen hebben vragenlijsten ingevuld. De vragenlijsten bevatten vragen over de groente en fruit consumptie van het kind, mogelijke determinanten van groente en fruit consumptie en de sociaal demografische kenmerken van het gezin. Daarnaast hebben ook de betrokken docenten vragen ingevuld die informatie verschaffen voor een procesevaluatie. De laatste data verzameling heeft in september 2005 plaatsgevonden en alle gegevens zijn nu ingevoerd in een database en zijn opgeschoond.

(1) Om aan het eerste doel te voldoen is een voorspellend verband onderzocht tussen potentiële determinanten en daadwerkelijke verandering in groente en fruitinname, door gebruik te maken van de data van alle drie meetmomenten in de interventiescholen. Op deze manier is onderzocht of verandering in determinanten gerelateerd is aan verandering in groente en fruit consumptie in dezelfde periode en/of met verandering in een latere periode. Tevens is gekeken of verandering in groente en fruit consumptie gerelateerd is aan verandering in determinanten in een latere tijdsperiode. Dit om ideeën van het zogenaamde ‘dual process view’, te onderzoeken. Resultaten uit deze studie bevestigen bekende bestaande gedragsveranderingtheorieën die stellen dat verandering in gedrag vooraf wordt gegaan door verandering in belangrijke determinanten.

(2) Als subdoel van de tweede doelstelling is een effect evaluatie uitgevoerd voor de korte termijn effecten (na 1 jaar). De effectiviteit van de interventie is apart onderzocht voor Nederlandse en niet-Westerse allochtone kinderen. Er werd gevonden dat niet-westerse allochtone kinderen van de interventie scholen meer groente aten op de eerste nameting, dan niet-westerse allochtone kinderen van de controle scholen. Nederlandse kinderen van de interventiescholen rapporteerden een hogere fruitinname dan hun Nederlandse leeftijdsgenootjes van de controle scholen. In beide groepen was er een positief interventie effect op smaak voorkeuren voor fruit.

Om een mogelijk leer- of meeteffect van het herhaaldelijk invullen van de vragenlijsten te onderzoeken, zijn extra metingen gedaan bij scholen die niet bij het Schoolgruiten Project betrokken waren. De resultaten van de analyse verwerpen de hypothese dat de kinderen die herhaaldelijk de vragenlijst invullen een reëlere (betere, meestal lagere) inschatting maken van hun eigen groente en fruit consumptie. De gerapporteerde waardes verschilden niet tussen de gewone controle scholen en de scholen uit de meeteffect controle scholen.

(3) Ter voorbereiding op het modelleren van de uiteindelijke interventie effecten is met gebruikmaking van data van het Amsterdams Groei en GezondheidsOnderzoek gekeken in hoeverre groente en fruit consumptie op 13 jarige leeftijd de consumptie op latere leeftijd voorspeld en in hoeverre de consumptie op 13 jarige leeftijd gerelateerd is aan consumptie op latere leeftijd. De resultaten gaven aan dat deze samenhang matig is.

Tevens is begonnen met het verzamelen van alle gemaakte kosten voor de ontwikkeling en uitvoering van het Schoolgruiten Project, om uiteindelijk dit te relateren aan de effecten op korte en lange termijn.

 

Resultaten
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Om een oorzakelijk verband te onderzoeken tussen potentiële determinanten en daadwerkelijke verandering in groente en fruitinname, is gebruik gemaakt van de data van alle drie meetmomenten in de interventiescholen. Voor deze studies is tevens gebruik gemaakt van de longitudinale dataset van de Pro Children Study. Door gebruik te maken van dit longitudinale design kan worden nagegaan of verandering in de potentiële determinanten tussen de voor- en eerste nameting gerelateerd zijn aan verandering in inname tussen de eerste en tweede nameting. Omdat de periode tussen de metingen lang is, elke keer 1 jaar, is ook gekeken of verandering in de potentiële determinanten tussen de voor- en eerste nameting gerelateerd is aan verandering in groente en fruitinname in dezelfde periode. Daarnaast zou het, volgens het zogenaamde ‘dual process view’, ook kunnen zijn dat verandering in groente en fruitinname (door extra inname op school), leidt tot verandering in de potentiële determinanten, met name smaakvoorkeur. Resultaten tonen aan dat positieve verandering in groente en fruit consumptie inderdaad gerelateerd is aan positieve verandering in belangrijke determinanten (smaakvoorkeur, eigen effectiviteit, invloed van ouders en beschikbaarheid thuis) in dezelfde tijdsperiode als wel aan positieve verandering in belangrijke determinanten in een eerdere tijdsperiode. Tevens werd gevonden dat verandering in groente en fruit consumptie gerelateerd is aan verandering in smaak op een later tijdstip. Resultaten uit deze studie ondersteunen bekende bestaande gedragsveranderingtheorieën die stellen dat verandering in gedrag vooraf wordt gegaan door verandering in belangrijke determinanten, maar wijst ook op een reciproque relatie tussen gedrag en smaakvoorkeuren .

Met een quasi-experimenteel design is de effectiviteit van het Schoolgruiten project na jaar 1 onderzocht. Hiervoor is gebruik gemaakt van vragenlijsten over de groente en fruit consumptie die zowel door de kinderen zelf als door de ouders is ingevuld, voorafgaande en 1 jaar na de interventie. De effectiviteit van de interventie is apart onderzocht voor Nederlandse en niet-Westerse allochtone kinderen. Voor 565 Nederlandse kinderen en 388 kinderen van niet-westerse afkomst was data beschikbaar over zelf en ouder gerapporteerde groente en fruitconsumptie en over enkele belangrijke determinanten. Er werd gevonden dat niet-westerse allochtone kinderen van de interventie scholen meer groente aten op de eerste nameting, dan niet-westerse allochtone kinderen van de controle scholen. Nederlandse kinderen van de interventiescholen rapporteerden een hogere fruitinname dan hun Nederlandse leeftijdsgenootjes van de controle scholen. Daarnaast werden positieve interventie-effecten gevonden voor smaakvoorkeur voor fruit bij zowel de Nederlandse als de kinderen van niet-westerse afkomst.

Met extra gegevens verzameld bij kinderen uit groep 8 van basisscholen in Oldenzaal, die nooit betrokken zijn geweest bij het Schoolgruiten Project, is gekeken of het herhaaldelijk invullen van de Schoolgruiten vragenlijst voor een meet- of leereffect heeft gezorgd. Deze gegevens zijn verzameld tegelijk met de tweede nameting van de evaluatie studie in Almelo en Hengelo. De door de kinderen gerapporteerde groente en fruit consumptie is vergeleken tussen de drie groepen (interventiescholen, controle scholen en meeteffect controle scholen; Almelo, Hengelo en Oldenzaal resp.). De hypothese dat het herhaaldelijk invullen van de vragenlijst leidt tot reëlere (in het geval van kinderen lagere) inschatting van de eigen groente en fruit consumptie werd door de resultaten niet bevestigd. De gerapporteerde groente en fruit consumptie verschilde niet tussen de controle scholen en de meeteffect controle scholen, ook niet na correctie voor leeftijd, geslacht, etniciteit en opleidingsniveau van de ouders.

Als voorbereiding op het modelleren van de interventie effecten en het bereken van de kosteneffectiviteit op langere termijn, is geanalyseerd hoe groente en fruit consumptie ‘trackt’ vanuit de adolescentie naar de volwassen leeftijd. Hierbij is gebruik gemaakt van de data van het Amsterdams Groen en GezondheidsOnderzoek (AGGO). Uit de analyses kwam naar voren dat de fruitinname over de onderzochte 24 jaar was gedaald en dat de zogenaamde ‘tracking’ matig was met tracking coefficienten van 0.33 voor fruit en 0.27 voor groente. Het voorspellen of iemand aan de aanbeveling voldoet met gegevens uit de eerste meting (13 jarige leeftijd) was beter voor mannen dan voor vrouwen.

Tevens is een begin gemaakt met het verzamelen van alle kosten die zijn gemaakt om het Schoolgruiten Project te ontwikkelen en uit te voeren. Deze zullen worden vergeleken met de effecten en de daarmee gepaard gaande gezondheidswinst en kosten besparingen.

 

Samenvatting van de aanvraag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

The consumption of ample amounts of fruits and vegetables (F&V) is associated with lower cancer risk, cardiovascular disease risk and risk for obesity. However, intakes of F&V are lower than recommended and have declined in the Netherlands, especially among children and adolescents. About half of Dutch primary school children eat to few F&V and over the past 10 years vegetable consumption among these children has declined with 23% while fruit intakes have gone down with 29%. To encourage F&V consumption among these children, it is necessary to have insight into the determinants of F&V consumption. It has been proposed that F&V availability at schools may be one important determinant and a unique intervention was launched to improve school-availability of F&V in Dutch primary schools: Schoolgruiten. The present application proposes to use existing and already funded data-collection within the Schoolgruiten project to study (I) potential personal, social environmental and physical environmental determinants of F&V intakes in a cross-sectional survey among approximately 1300 primary-school children and their parents, and (II) the impact of the schoolgruiten F&V scheme on intakes among primary school children in a quasi-experimental design among approximately 1000 children and their parents.

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: NavigatieDirect naar: Onderkant website