Verslagen

Eindverslag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Het belangrijkste doel van dit project was het ontwikkelen en valideren van een valide, snel en eenvoudig toepasbare set van criteria voor het vaststellen van (het risico op) ondervoeding bij thuiswonende ouderen.

 

Voor de ontwikkeling van deze set criteria is gebruik gemaakt van de Longitudinal Aging Study Amsterdam (LASA) en voor de validatie is gebruik gemaakt van de Italiaanse InCHIANTI (Invecchiare in Chianti, aging in the Chianti area) studie. De selectie van potentiële antropometrische en ondervoeding-gerelateerde items die in de set criteria opgenomen zou kunnen worden, was gebaseerd op consensus literatuur. Met behulp van “tree-structured survival analysis” werd een risicomodel ontwikkeld om 15-jaars sterfte in LASA te voorspellen.

 

De volgende groepen werden onderscheiden: (1) ondervoed (bovenarmomtrek < 25 cm of onbedoeld gewichtsverlies ≥ 4 kg in 6 maanden); (2) risico op ondervoeding (slechte eetlust in de afgelopen week en problemen met traplopen); (3) geen (risico op) ondervoeding (rest). Deze set van criteria (SNAQ65+) voor het vaststellen van (het risico op) ondervoeding bij ouderen in de algemene bevolking heeft een goede indruksvaliditeit (face validity) en een redelijke predictie validiteit gebaseerd op de consistente associatie met sterfte in een tweede onafhankelijke onderzoekspopulatie. Er is gebruik gemaakt van snel en eenvoudig toepasbare criteria waarbij niet gerekend hoeft te worden en waarbij geen zware of dure apparatuur nodig is. Dit is een belangrijke voorwaarde voor het gebruik in de thuissituatie.

 

De SNAQ65+ is opgenomen in diverse richtlijnen zoals de Landelijke Eerstelijns Samenwerkings Afspraak (LESA) Ondervoeding en in de landelijke richtlijn “screening en behandeling ondervoeding” (www.stuurgroepondervoeding.nl). Tevens wordt in vervolgonderzoek gebruik gemaakt van de SNAQ65+. Dit betreft een studie naar preventie van ondervoeding bij thuiswonende ouderen (gefinancierd door ZoMw) en een studie naar vroege herkenning en behandeling van ondervoeding in de eerstelijnszorg en thuiszorg (gefinancierd door VWS).

Resultaten
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

HOOFDVRAAG:

(1) Het ontwikkelen en valideren van een valide, snel en eenvoudig toepasbare set van criteria voor het vaststellen van (het risico op) ondervoeding bij thuiswonende ouderen.

 

Met behulp van “tree-structured survival analysis” werd een risicomodel ontwikkeld om 15-jaars sterfte in LASA te voorspellen. De uiteindelijke groepen op basis van dit risicomodel zijn:

1. ondervoed (bovenarmomtrek < 25 cm of onbedoeld gewichtsverlies ≥ 4 kg in 6 maanden)

2. risico op ondervoeding (slechte eetlust in de afgelopen week en problemen met traplopen)

3. geen (risico op) ondervoeding (rest).

 

De respectievelijk hazard ratio's voor 15-jaars sterfte waren: (1) 2.22 (95% BI: 1.83-2.69) en (2) 1.57 (95% BI: 1.12-2.01), met (3) als referentie. De bijbehorende area-under-the-curve (AUC) voor groep 1 en 2 versus 3 was 0.55. De resultaten waren hetzelfde voor mannen en vrouwen, na uitsluiting van (ex) rokers en mensen met kanker of obstructieve longziekten, en ook met 6-jaars sterfte in plaats van 15-jaars sterfte. Op basis van de InCHIANTI studie waren de respectievelijke hazard ratio's voor 6-jaars sterfte: (1) 2.46 (95% BI: 1.87-3.23) en (2) 2.12 (95% BI: 1.27-3.23), met (3) als referentie. Bijbehorende AUC was 0.59.

 

De in dit project ontwikkelde snel en eenvoudig toepasbare set van criteria (SNAQ65+) voor het vaststellen van (het risico op) ondervoeding bij ouderen in de algemene bevolking heeft een goede indruksvaliditeit (face validity) en een redelijke predictie validiteit gebaseerd op de consistente associatie met sterfte in een tweede onafhankelijke onderzoekspopulatie. De SNAQ65+ maakt gebruik van snel en eenvoudig toepasbare criteria waarbij niet gerekend hoeft te worden en waarbij geen zware of dure apparatuur nodig is. Dit is een belangrijke voorwaarde voor het gebruik in de thuissituatie.

 

SUBVRAGEN

(2) Welke anthropometrische maat (body mass index (BMI), bovenarmomtrek, of kuitomtrek) is het meest geschikt om ondergewicht bij thuiswonende ouderen vast te stellen?

 

Een kleinere bovenarmomtrek was sterker geassocieerd met 15-jaars sterfte bij zowel mannen als vrouwen ≥ 65 jaar, dan een lagere BMI of een kleinere kuitomtrek. Op basis van deze bevinding en omdat het meten van de bovenarmomtrek veel eenvoudiger is bij (thuiswonende) ouderen dan het meten van de BMI, lijkt deze maat het bruikbaarst voor het meten van ondergewicht bij ouderen.

 

(3) Wat zijn determinanten voor het ontstaan van ondervoeding bij ouderen in de algemene bevolking?

 

Determinanten van het ontstaan van ondervoeding gedurende 9 jaar follow-up zijn bestudeerd waarbij ondervoeding is gedefinieerd als een BMI < 20 kg/m2 of zelf gerapporteerd onbedoeld gewichtsverlies ≥ 5% in de afgelopen 6 maanden. De volgende factoren bleken geassocieerd met het ontstaan van ondervoeding (univariaat): vrouw zijn; depressie symptomen; angst symptomen; meerdere chronische aandoeningen; meerdere (≥3) medicijnen gebruiken; slechte eetlust; eenzaamheid; geen partner; beperkingen in het uitvoeren van dagelijkse activiteiten door problemen met gezondheid; lage score op fysieke test; en problemen met traplopen. Factoren die niet geassocieerd bleken met het ontstaan van ondervoeding: opleiding; inkomen; cognitie; pijn; problemen met bijten en kauwen; problemen met horen of zien; rookstatus; alcoholgebruik. In een multivariaat model bleven een slechte eetlust en problemen met traplopen over als statistisch significant geassocieerd met het ontstaan van ondervoeding.

 

Een verminderde eetlust en problemen met traplopen kunnen eenvoudig vastgesteld worden middels een korte vragenlijst en zijn daarom geschikt voor screeningsdoeleinden om het risico op ondervoeding bij thuiswonende ouderen vast te stellen. De overige factoren die univariaat geassocieerd zijn met het ontstaan van ondervoeding, zijn mogelijk onderliggende determinanten waar preventieve interventies – gericht op het voorkomen van ondervoeding – zich mogelijk op kunnen richten.

 

(4) Is een lagere vetmassa (in buik, armen en benen) en/of een lagere spiermassa geassocieerd met 15-jaars sterfte bij thuiswonende ouderen? En kan dit verklaard worden door onderliggende ziekten en/of recent gewichtsverlies?

 

De dosisrespons associaties tussen spier- of (buik/arm/been)vetmassa en sterfte was meestal niet lineair. Om deze reden werden voor de analyses alleen diegenen meegenomen met spier- en vetmassa waarden beneden het gemiddelde van de studiepopulatie. Gecorrigeerd voor lengte, leeftijd en elkaar, bleek dat een lagere spiermassa en een lagere beenvetmassa bij mannen en een lagere buikvetmassa bij vrouwen geassocieerd te zijn met een verhoogde 12-jaars sterfte kans. Na correctie voor kanker, obstructieve longziekten en roken waren de associaties bij mannen niet meer statistisch significant, bij vrouwen wel. Na (additionele) correctie voor gewichtsverandering in de afgelopen 3 jaar was de associatie met buikvetmassa bij vrouwen ook niet meer statistisch significant.

Voortgangsverslag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Het doel van de studie is om inzicht te krijgen in welke antropometrische maten en voedingsgerelateerde anamnestische vragen het best gebruikt kunnen worden om ondervoeding bij ouderen in de algemene bevolking vast te stellen. Voor deze studie wordt gebruik gemaakt van (onder andere) longitudinale data van de “Longitudinal Aging Study Amsterdam”, bestaande uit een representatieve steekproef van 3107 mannen en vrouwen ouder dan 55 jaar.

Samengevat de belangrijkste resultaten en conclusies:

 

Resultaten:

Risicofactoren voor ondervoeding op basis van LASA gegevens zijn: vrouwelijk geslacht, depressie en angst, chronische ziekten, medicatiegebruik, slechte eetlust, beperkingen van dagelijkse activiteiten door een gezondheidsprobleem, eenzaamheid en geen partner hebben. Na correctie voor elkaar blijft alleen een slechte eetlust een statistisch significante determinant van incidente ondervoeding.

 

Een kleine bovenarmomtrek is sterker geassocieerd met sterfte dan een lage body mass index (BMI (gewicht/[lengte2])) of een lage kuitomtrek. Op basis hiervan en omdat het meten van de bovenarmomtrek veel eenvoudiger is bij thuiswonende ouderen dan het meten van de BMI, lijkt bovenomtrek een bruikbaardere maat om ondergewicht vast te stellen.

 

De associatie tussen lage antropometrische waarden en sterfte bij ouderen hangt niet alleen samen met een lagere spiermassa zoals wel vaak wordt aangenomen. Op basis van metingen met behulp van dual energy x-ray absorptiometry blijk dat bij mannen een lagere spiermassa in armen/benen en bij vrouwen een lagere rompvetmassa samenhangt met een hoger sterfterisico.

 

Op basis van de associatie met 14-jaars sterfte is een instrument ontwikkeld voor het vaststellen van (het risico op) ondervoeding. Hierbij werden factoren meegenomen die op basis van recente consensus literatuur belangrijk worden geacht voor het vaststellen van ondervoeding. Met behulp van het instrument kunnen de volgende risicogroepen worden onderscheiden: (1) ondervoeding (bovenarmomtrek < 25 cm of onvrijwillig gewichtsverlies  4 kg in 6 maanden); (2) risico op ondervoeding (slechte eetlust afgelopen week en moeilijkheden met traplopen); en (3) geen (risico op) ondervoeding(geen risicofactoren aanwezig).

 

Resultaten
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Risicofactoren voor ondervoeding op basis van LASA gegevens zijn: vrouw zijn, depressie en angst, chronische ziekten, medicatiegebruik, slechte eetlust, beperkingen van dagelijkse activiteiten door een gezondheidsprobleem, eenzaamheid en geen partner hebben. Na correctie voor elkaar blijft alleen een slechte eetlust een statistisch significante determinant van incidente ondervoeding.

 

De dosis-response associatie tussen antropometrische maten en 14-jaars sterfte bij thuiswonende ouderen (mannen en vrouwen >65 years) werd onderzocht middels spline regressie technieken. Een kleine bovenarmomtrek bleek sterker geassocieerd met sterfte dan een lage body mass index (BMI (gewicht/[lengte2])) of een lage kuitomtrek.

 

Op basis van metingen met behulp van dual energy x-ray absorptiometry blijk dat bij mannen een lagere spiermassa in armen/benen en bij vrouwen een lagere rompvetmassa samenhangt met een hoger sterfterisico.

 

Op basis van de associatie met 14-jaars sterfte is een instrument ontwikkeld voor het vaststellen van (het risico op) ondervoeding. Hierbij werden factoren meegenomen die op basis van recente consensus literatuur belangrijk worden geacht voor het vaststellen van ondervoeding. Er werd gebruik gemaakt van tree-structured survival analyse technieken om het instrument te ontwikkelen. Met behulp van het instrument kunnen de volgende risicogroepen worden onderscheiden: (1) ondervoeding (bovenarmomtrek < 25 cm of onvrijwillig gewichtsverlies >4 kg in 6 maanden); (2) risico op ondervoeding (slechte eetlust afgelopen week en moeilijkheden met traplopen); en (3) geen (risico op) ondervoeding(geen risicofactoren aanwezig). The predictieve waarde van het instrument om sterfte te voorspellen was over het algemeen slecht (area under the curve (AUC) van 0.55 (0.52-0.58)), de sensitiviteit van het instrument was laag (0.17) en de specificiteit hoog (0.93). Deze lage AUC was verwacht aangezien sterfte een “aspecifiek” gevolg is van ondervoeding, met andere woorden, sterfte wordt door nog veel meer andere factoren bepaald. De hoge specificiteit betekent dat diegenen die 14 jaar blijven leven, zelden worden ingedeeld als hebbend (een verhoogd risico op) ondervoeding. Vergelijkbare resultaten werden gevonden voor mannen en vrouwen en voor mensen met en zonder kanker/obstructieve longziekten/of een voorgeschiedenis van roken. Deze resultaten werden gecross-valideerd om een andere studie, de “Invecchiare in Chianti, aging in the Chianti area study”, hetgeen vergelijkbare AUCs opleverde.

 

De bevindingen van deze studies worden momenteel opgeschreven in vier verschillende manuscripten die ter publicatie zullen worden aangeboden aan relevante internationale tijdschriften.

Daarna zullen de bevindingen tevens aan Nederlandse tijdschriften worden aangeboden, met name ook in praktische vorm om zo de toepassing in de dagelijkse praktijk te faciliteren.

Het ontwikkelde screeningsinstrument wordt inmiddels, onder leiding van de stuurgroep ondervoeding, geimplementeerd in een aantal Nederlandse eerste lijns praktijken (huisartsen, gezondheidscentra,integrale kankercentra), zie ook www.stuurgroepondervoeding.nl

 

De bevindingen zijn tevens gepresenteerd op de volgende congressen:

 

Symposium transmurale voedingszorg in Amsterdam: hoe sterk is de keten?:

* Ondervoeding bij zelfstandig wonende ouderen: kwestie van passen en meten (mondelinge presentatie)

 

- Congres “ondervoeding niet te missen”, Ede, the Netherlands 2009

- VU wetenschapsdag, Amsterdam, the Netherlands 2009

- Advisory Board Meeting LASA, 2009:

* Undernutrition among community-dwelling older men and women: comparing dose-response associations of different anthropometric measures with mortality (poster presentatie)

 

Annual meeting of the European Society for clinical nutrition and metabolism (Espen), Vienna, Austria 2009:

* Undernutrition among community-dwelling older men and women: comparing dose-response associations of different anthropometric measures with mortality (poster presentatie; prijs als “an outstanding poster” in het abstract boek)

 

Congress NWO voeding, Papendal, the Netherlands 2009:

* Low levels of Appendicular skeletal muscle mass, Appendicular fat mass and trunk fat mass and mortality in older men and women (mondelinge presentatie)

 

Annual meeting of the Gerontological Society of America (GSA), Atlanta, USA 2009:

* Low mid-upper arm circumference, calf circumference and body mass index and mortality in older persons (mondelinge presentatie)

* Low levels of Appendicular skeletal muscle mass, Appendicular fat mass and trunk fat mass and mortality in older men and women (mondelinge presentatie)

 

Samenvatting van de aanvraag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Undernutrition is a large health care problem. The estimated prevalence of undernutrition in the general older population in primary care is between 10 and 80%, depending on the criteria applied to define undernutrition. Its prevalence in the Netherlands has been estimated to be 20-30%.

Undernutrition is not limited to patient groups, but also occurs in older persons without any other disease. Only 50% of undernourished persons are properly recognized.

 

Secondary prevention of undernutrition, i.e. the early recognition of undernutrition in older persons is impossible due to the lack of an easy, cheap and simple instrument. Specific development and application of such an instrument for the general older population in primary care, is expected to improve recognition and early treatment of undernutrition. Early recognition makes it possible to start early treatment and to prevent the adverse future health events of undernutrition, such as functional decline, loss of independence, increased morbidity and mortality, and related health care costs.

 

This study aims to develop an instrument based on simple anthropometric measurements and weight related and nutrition related anamnestic questions, for the proper recognition of undernutrition in older persons and for application in all primary care settings.

To focus on clinical relevance, the instrument will be developed based on the prediction of future adverse health outcomes.

The study will use previously collected, prospective data from a national representative sample of 3107 older men and women (the Longitudinal Aging Study Amsterdam).

 

The instrument will be developed for the total study sample and, if necessary, for specific subgroups based on sex, age or underlying disease (including cognitive impairment). Backwards logistic regression analyses (for the health outcomes received health care and self reported disability) or Cox proportional hazards analyses (for the health outcome mortality) will be used to develop the instrument. The final instrument(s) will be validated using data from external (inter)national cohort studies of older persons and will be offered to the national programmes “Eten en drinken” , “Wie beter eet wordt sneller beter”, the “Undernutrition Network” of the Dutch Dietetic Association and to the Dutch College of General Practioners NHG for implementation in transmural treatment standards.

 

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: NavigatieDirect naar: Onderkant website