Verslagen

Eindverslag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Het project CHOPIN 2 was een vervolg op het door ZON-MW gesubsidieerde project CHOPIN (Cystic fibrosis Hielprik Onderzoek bij Pasgeborenen In Nederland). In CHOPIN 1 werden 2 nieuwe strategieën onderzocht waarmee CF middels de hielprik kon worden opgespoord. Uit de verkregen onderzoeksgegevens werd ook een analyse gemaakt van een geheel nieuwe strategie die een combinatie was van de 2 onderzochte strategieën. Op basis van de resultaten van CHOPIN 1 werd een advies gevraagd van de Gezondheidsraad met betrekking tot het opnemen van screenene van pasgeborenen op CF in het landelijke hielprikprogramma. In afwachting van dit advies werd het project CHOPIN 2 uitgevoerd. De belangrijkste doelstelling van CHOPIN 2 was de opgebouwde expertise niet te verliezen en waar mogelijk uit te bouwen. Gedurende het project werden de testeigenschappen van de nieuwe screening strategie verder onderzocht, werd nagegaan hoe baby's met een afwijkende screeningtest het best konden worden verwezen voor nadere diagnostiek, en werd na 17 november 2010 samen met het CVB de landelijke implementatie voorbereid.

In totaal werden vanaf 1 januari 2008 tot en met 30 april 2011 240171 pasgeborenen op CF gescreend; 39 baby's hadden een afwijkende hielprik met de nieuwe screening strategie, een 4 staps methode, de IRT/PAP/DNA/gene sequencing methode. Van deze baby's bleken 31 een klassieke CF te hebben, 8 kinderen hadden een niet klassieke vorm van CF. Vier kinderen met CF hadden een meconiumileus en werden daardoor vroeg ontdekt. Twee kinderen met CF werden gemist. De specificiteit van deze screeningstrategie bedroeg 100%, de PPV voor de aanwezigheid van klassieke CF 79,5%(95% betrouwbaarheidsinterval 63,1-90,1) en de sensitiviteit 93,9%(95% BI 78,3-98,9). Tijdens CHOPIN 2 verwezen de medisch adviseurs van het RCP-RIVM de baby's met een afwijkende screeningtest. Hierbij werd in samenspraak met de huisarts eerst een afspraak gemaakt bij het CF-centrum van diens voorkeur, daarna bracht de huisarts de ouders op de hoogte van de afwijkende screeningtest. Tussen het bericht aan de ouders en de afspraak voor nadere diagnostiek in het centrum lag maximaal 48 uur. Bij meer dan 90% van de baby's met CF en een afwijkende screeningtest werd de diagnose vastgesteld binnen de eerste levensmaand.

De Gezondheidsraad bracht in maart 2010 het advies uit om CF op te nemen in het landelijke hielprikprogramma met de IRT/PAP/DNA/gen sequencing methode. Op 17 november 2010 nam de minister van Volksgezondheid het besluit om CF in het landelijke hielprikprogramma op te nemen met ingang van 1 mei 2011. Samen met het CVB werd de implementatie voorbereid, de werkgroep Scholing CF en HbP bereidde de voorlichtingsbijeenkomsten, presentaties, toolkit en reader voor. Alle CF-centra en de NCFS partipeerden in de werkgroep diagnostiek en follow-up. Deze maakte een landelijk protocol voor het diagnostische traject; de 7 CF-centra volgen een vrijwel overeenkomstige follow-up en behandeling.

Conclusie: Het project heeft geresulteerd in uitbreiding van het landelijke hielprikprogramma met screening op CF. De keuze viel op de test met de hoogste specificiteit en positief voorspellende waarde. Het aantal door de screening geïdentificeerde dragers bedraagt slechts 5, ook het aantal patiënten met een niet klassieke vorm van CF, meestal met een mild beloop, gevonden door de screening is gering, in totaal acht. Tot nu toe werden twee patiënten met CF door deze screeningstrategie gemist. De diagnose CF kan steeds binnen de kritische leeftijd van twee maanden worden gesteld. Er bestaat een landelijke samenwerking voor diagnostiek, follow-up en behandeling.

 

Aanbeveling: de keuze is gemaakt voor een strategie met een zeer hoge specificiteit waardoor weinig ouders geconfronteerd worden met een afwijkende uitslag die uiteindelijk vals alarm blijkt te zijn. Nadeel van deze keuze is dat de sensitiviteit relatief laag is. Kritisch volgen van de sensitiviteit van de gekozen screeningstrategie is daarom wenselijk.

 

 

 

 

 

Resultaten
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Het project CHOPIN 2 was een vervolg op een eerder door ZON-MW gesubsidieerd project, CHOPIN (Cystic fibrosis Hielprik Onderzoek bij Pasgeborenen). De belangrijkste doelstelling van CHOPIN 2 was de opgebouwde expertise niet te verliezen en waar mogelijk uit te bouwen.

Vraagstellingen in het voortgezette project:

1. Hoe zijn de testeigenschappen (specificiteit, sensitiviteit en predictief voorspellende waarde) van de aanbevolen screeningstrategie?

2. Is het mogelijk de diagnose CF binnen de leeftijd van 2 maanden te stellen?

3. Hoe moet de uitbreiding van het landelijke screeningprogramma met CF in de rest van Nederland worden geïmplementeerd?

Methoden

Ad 1. De screening in Midden en Zuidoost Nederland werd voortgezet met 2 screeningstrategieën tot 1 juli 2010. Na het positieve advies van de minister van Volksgezondheid om screening van pasgeboren op CF in te voeren door middel van de 4 staps strategie IRT/PAP/DNA/gene sequencing besloot de projectgroep om met ingang van 1 juli 2010 alleen deze screeningsmethode te gebruiken.

Ad 2. De screeningslaboratoria en het VUmc bewaakten de tijdsintervallen tussen hielprik en de definitieve uitslag van de screeningtest. Vanaf 1 september 2009 verwezen de medisch adviseurs van het RCP de baby’s met een afwijkende screeningtest. Om ongerustheid bij de ouders te voorkomen overlegden zij eerst met de huisarts van de baby, spraken een datum voor de zweettest af met het gekozen CF-centrum en lichtten de huisarts vervolgens hierover in. De huisarts informeerde de ouders over de afwijkende screeningtest waren niet eerder dan 48 uur voor de afspraak in het CF-centrum.

Ad 3. Landelijke implementatie werd voorbereid nadat de minister van Volksgezondheid op 17 november 2010 besloot de screening op CF bij pasgeborenen met ingang van 1 mei 2011 aan het landelijke hielprikprogramma toe te voegen. Het CVB nam het voortouw ten aanzien van de voorlichting van diverse beroepsgroepen, en van ouders en verzorgers; samen met de NCFS werd een werkgroep opgericht waarin het diagnostisch traject na een afwijkende screeningtest werd vastgelegd, en nadere afspraken werden gemaakt voor de behandeling en follow-up van baby's met CF. In deze werkgroep participeerden alle CF-centra en de projectleider.

Resultaten

Ad 1. Voor de landelijke implementatie werd gekozen voor de gecombineerde strategie (IRT/PAP/DNA/sequencing (zie bijlage). In totaal werden 240.171 pasgeborenen gescreend. Met deze screeningstrategie werden 31 van de 33 baby's geboren met CF in de regio ontdekt,4 baby's met CF hadden een meconiumileus. Er waren met deze teststrategie in totaal 39 afwijkende screeningtesten. Daarnaast werden 5 dragers geïdentificeerd. De strategie had tijdens de proefperiode een sensitiviteit van 93,9% (95% BI 78,3-98,9), een specificiteit van 100%, en een PPV van 79,5% (95% BI 63,1-90,1).

 

Ad 2. De diagnose CF kon steeds voor de leeftijd van 2 maanden worden vastgesteld. De mediane leeftijd bij diagnose was voor de IRT/PAP/DNA/sequencing 3 weken. Circa 90% van de pasgeborenen heeft de hielprik ondergaan op de 6e levensdag, de mediane leeftijd was 96 uur, interquartile range (IQR) 96-120. De mediane leeftijd waarop de IRT/PAP test uitslag bekend was bedroeg 7 dagen, IQR 5-9, voor de IRT/PAP/DNA/gene sequencing 21 dagen. Het merendeel van de pasgeborenen met CF werd gevonden met de DNA-analyse, circa 10% met gene sequencing. De periode van onzekerheid voor de ouders tussen het bericht van de afwijkende hielprik voor CF en de diagnostische test, bedroeg in 2008 4 dagen, IQR 3-7, en in 2009 1 dag, IQR 1-7.

Tot 1 januari 2011 waren er bij de NSCK geen meldingen van patiënten gemist door de screening; er was echter 1 patiënt die wel werd gevonden met de IRT/DNA/sequencing methode die niet zou zijn ontdekt met de huidige screeningstrategie. In mei 2011 werd 1 patiënt gemeld gemist door de screening; ook deze patiënt zou wel zijn ontdekt met de IRT/DNA/sequencing methode. In beide gevallen was de screening test niet afwijkend ten gevolge van een PAP-concentratie onder de afkapwaarde.

Ad 3.Vanaf 1 januari 2011 werd de voorbereiding van de landelijke screening ter hand genomen door het CVB, onder voorzitterschap van Eugénie Dekkers. De werkgroep Scholing CF en HbP (voorzitter Herma Vermeulen) bereidde de voorlichtingsbijeenkomsten, presentaties, toolkit en reader voor. De werkgroep diagnostiek en follow-up maakte een landelijk protocol voor het diagnostische traject; de follow-up en behandeling zijn in grote lijnen overeenkomstig.

 

Conclusie: Het project heeft geresulteerd in uitbreiding van de hielprik met CF. De keuze viel op de test met de hoogste specificiteit. Tot nu toe werden 2 patiënten met CF door deze screeningstrategie gemist. De diagnose CF kan steeds binnen de kritische leeftijd van 2 maanden worden gesteld. Er bestaat een landelijke samenwerking voor diagnostiek, follow-up en behandeling.

 

Aanbeveling: kritisch volgen van de sensitiviteit van de gekozen screeningstrategie.

 

 

 

Samenvatting van de aanvraag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Vanaf 1 januari 2008 worden pasgeborenen in Midden en Zuid-oost Nederland die een hielprik krijgen in het kader van het routine neonatale screeningprogramman ook gescreend op cystische fibrose (CF).De screening op CF vond plaats binnen het door ZonMW gesubsidieerde project CHOPIN- (Cystic fibrosis Hielprik Onderzoek bij Pasgeborenen In Nederland). De screening is succesvol verlopen; de projectgroep is van mening dat screening op CF kan worden opgenomen in het routine screeningprogramma van pasgeborenen en geeft in haar eindrapport de volgende aanbevelingen:

De voorkeur van de projectgroep gaat uit naar de strategie met de beste testeigenschappen, het minst aantal fout-positieve testen, en identificatie van zo weinig mogelijk dragers en kinderen met niet-klassieke CF.

Daarnaast is voor de keuze belangrijk dat de diagnose na screening snel gesteld kan worden. Onafhankelijk van de gekozen screeningsstrategie is het advies om een zweettest te doen als eerste diagnostische test bij kinderen in de leeftijd tot 6 weken. Bij keuze voor een methode waarin een DNA-analyse wordt gedaan en er door de screening dragerschap bij de baby kan worden gevonden is tijdens de zwangerschap uitgebreide voorlichting van de ouders nodig over hun opties. Uitleg over dragerschap (vroeg) in de zwangerschap is wenselijk, zodat ouders de tijd krijgen om over hun beslissing -eventueel gevonden dragerschap bij hun kind wel of niet willen weten- na te denken. Wanneer dragerschap wordt gevonden bij een pasgeborene moeten ouders worden verwezen naar een klinisch genetisch centrum voor counseling, indien zij dit wensen.Fout-positieve testuitslagen leiden tot ongerustheid bij ouders die dit overkomt en tot twijfels over de betrouwbaarheid van de hielpriktest. Daarom moet het vóórkomen van fout-positieve screeningstesten zo veel mogelijk beperkt worden. Gezondheidszorgmedewerkers moeten worden geïnformeerd over de ziekte CF, de screening en het vervolgtraject. Specifiek betreft dit neonataal screeners, verloskundigen en huisartsen.

 

Ten behoeve van de besluitvorming is de commissie Neonatale screening van de Gezondheidsraad gevraagd een advies op te stellen omtrent het opnemen van de screening van pasgeborenen op CF in het landelijke routinescreeningprogramma van pasgeborenen. Na het uitbrengen van het advies zal verdere besluitvorming plaats vinden door het ministerie van VWS.

 

In afwachting van deze besluitvorming wordt subsidie aangevraagd voor het voortzetten van de screening op CF in de regio's Midden en Zuid-Oost Nederland. Het doel van de voortzetting van het huidige programma is de opgebouwde expertise niet te verliezen en waar mogelijk verder uit te bouwen. In de komende periode zal de screening op dezelfde wijze worden voortgezet als tot nu toe; vanaf 1 september 2009 zullen de verwijzingen plaats vinden door het CVB, zoals dit ook gebruikelijk is bij de andere screeningsprogramma's in de hielprik.

 

Voorafgaande aan de landelijke invoering van screening op CF landelijk moeten de volgende vraagstellingen voortkomend uit het huidige project worden beantwoord.

 

- hoe kunnen de thuiszorgorganisaties worden betrokken bij uitbreiding van het screeningprogramma?

- hoe kan de voorlichting van de aanstaande ouders door verloskundigen en gynecologen worden verbeterd?

- kan het diagnostisch traject in de in CF gespecialiseerde ziekenhuizen in behorend bij de screeningsregio's Noord-west, Noord-oost en Zuid-west Nederland worden gestandaardiseerd, op dezelfde wijze als dit in het huidige programma is gebeurd?

-kan het behandeltraject nadat de diagnose CF is gesteld landelijk worden gestandaardiseerd?

Het voortzetten van de huidige screening kan daarnaast meer informatie verschaffen over de sensitiviteit van de toegepaste screeningsstrategieen.

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: NavigatieDirect naar: Onderkant website