Verslagen

Eindverslag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Bewoners van achterstandswijken hebben twee keer zo vaak chronische ziekten, vaker overgewicht, een ongezondere leefstijl en ervaren vaker problemen met werk, wonen, inkomen en opvoeding. Zelfs wanneer met de hogere ziektelast rekening wordt gehouden blijkt de zorgconsumptie in die wijken hoger dan in niet-achterstandswijken. In toenemende mate wordt integratie van het gefragmenteerde zorg- (en soms welzijns-) aanbod en een groter accent op preventie en zelfmanagement voorgesteld als strategie om de verhoogde zorgconsumptie terug te dringen.

 

In de onderhavige studie zijn twee pilotprojecten in Utrecht Overvecht en Amsterdam Noord geëvalueerd, waarin wordt geëxperimenteerd met een geïntegreerd preventief, zorg- en welzijnsaanbod voor het terugdringen van de hoge zorgconsumptie in achterstandswijken. De onderzoek viel uiteen in twee opeenvolgende fasen. De eerste fase behelsde een actiebegeleidend onderzoek, waarin de ontwikkelde werkwijze werd geëxploreerd door van ieder project de probleemdefinitie te verhelderen en voor iedere pilot een programmatheorie te ontwikkelen. In de tweede fase werd in twee deelstudies onderzocht in welke mate professionals een integrale benadering in hun dagelijkse werk zijn gaan toepassen en in welke mate de pilots het zorggebruik hebben beïnvloed.

 

De resultaten verschilden per pilot. Hoewel in beide projecten het doel was professionals nieuwe competenties te laten ontwikkelen die hen in staat stellen een integrale benadering toe te passen, bleek dat beide pilots dit op een andere manier trachtten te bereiken. Het project in Amsterdam Noord richtte zich op volwassenen met meervoudige vragen en de benadering wordt met name gedragen op bestuurlijk niveau en top-down ingezet. Gedurende de studieperiode was de ontwikkeling in Amsterdam Noord zijn nog niet in overeenstemming met de doelen die werden nagestreefd. Dat was ook niet te verwachten, omdat de pilot in de periode van onderzoek (2009-2011) nog onvoldoende was uitgekristalliseerd om het beoogde effect te hebben.

 

In Utrecht Overvecht richtte het project zich op volwassenen met vage klachten en ontwikkelde het zich meer bottom-up vanuit het uitvoeringsniveau. Professionals in de wijk Utrecht Overvecht geven aan dat ze op een meer integrale manier zijn gaan werken en dat de gezamenlijke inzet van de gemeente en Achmea –de interventie Gezonde Wijk Utrecht- daaraan een positieve bijdrage heeft geleverd, hoewel we dat niet kwantitatief kunnen staven. Verder blijkt dat het zorgpatroon gedurende de periode van de pilot is veranderd. Meer specifiek is de zorgconsumptie in de eerstelijnszorg van karakter veranderd en in de tweedelijnszorg gedaald. Het is aannemelijk dat beide effecten in zorggebruik toe te wijzen zijn aan de pilot.

 

Resultaten
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

In twee projecten in Utrecht en Amsterdam is gedurende de onderzoeksperiode geëxperimenteerd met een ‘integrale benadering’ door professionals. Doel was om professionals nieuwe competenties te laten ontwikkelen die hen in staat stellen meer generalistisch, populatiegericht en coachend te werken. Deze competenties werden noodzakelijk geacht om beter met de complexe meervoudige zorgvraag over meerdere leefgebieden heen van patiëntenpopulaties in achterstandswijken te kunnen omgaan.

 

De daadwerkelijke invulling van beide projecten is, in samenspraak tussen Achmea en de gemeenten Utrecht respectievelijk Amsterdam, in beide pilotwijken anders geweest.

 

In Utrecht Overvecht was de benadering meer bottom up; het project heeft zich met name op uitvoeringsniveau in de wijk ontwikkeld, terwijl op bestuurlijk en managementniveau hiervoor randvoorwaarden werden gecreëerd. Professionals geven aan dat ze op een meer integrale manier zijn gaan werken en dat de gezamenlijke inzet van de gemeente en Achmea –de interventie Gezonde Wijk Utrecht- daaraan een positieve bijdrage heeft geleverd. Echter, deze bevinding hebben we niet kwantitatief kunnen staven. Wel is een verandering in het zorgpatroon geobserveerd. Gedurende de periode van de pilot is de zorgconsumptie in vergelijking met controlewijken veranderd. Meer specifiek is de zorgconsumptie in de eerstelijnszorg van karakter veranderd en in de tweedelijnszorg gedaald. Het is aannemelijk dat beide effecten in zorggebruik toe te wijzen zijn aan de pilot.

 

In Amsterdam Noord is de benadering (althans in de beginjaren) overwegend top down; de pilot werd met name gedragen op bestuurlijk niveau waar gemeente, gemeentelijke diensten, zorgverzekeraar en zorgaanbieders elkaar vonden. De dagelijkse aansturing van de pilot was gedelegeerd aan twee kwartiermakers. Zij hebben er mede voor gezorgd dat de zorgaanbieders zich verenigden in de zogeheten Krijtmolenalliantie. De ontwikkelingen in Amsterdam Noord zijn nog niet in overeenstemming met de doelen die in de pilot werden nagestreefd. Dat was ook niet te verwachten, omdat de pilot in de periode van onderzoek (2009-2011) nog onvoldoende was uitgekristalliseerd om het beoogde effect te hebben. Meer specifiek zijn in de periode 2006-2011 nog te weinig stappen gezet die zouden kunnen leiden tot een directe verandering in ‘geïntegreerd’ en ‘integraal’ werken.

 

Voortgangsverslag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Bewoners van achterstandswijken zijn relatief ongezond. Dit is deels te wijten aan een hogere prevalentie van een ongezonde leefstijl in deze bevolkingsgroep. Ondanks veel investeringen om gezond gedrag te bevorderen in die groepen, is er weinig gezondheidswinst behaald: preventieve maatregelen komen moeizaam van de grond in deze wijken en de doelgroep wordt niet goed bereikt. Het integreren van eerstelijns zorg, preventie en welzijn wordt bepleit als oplossingsrichting om gezond gedrag effectief te bevorderen. Dit zou zowel de implementatie van preventieve maatregelen bevorderen, als het bereik van de doelgroep. Het is echter onduidelijk of deze verwachting in de praktijk ook echt waargemaakt wordt. Twee pilots, in Amsterdam en in Utrecht, bieden de unieke gelegenheid om empirisch te exploreren hoe en onder welke omstandigheden geïntegreerde zorg met welzijn en preventie zich ontwikkelt, of het de implementatie van preventieve maatregelen stimuleert, en het gebruik bevordert. We hanteren hiervoor een tweevoudige casestudie design met kwalitatieve en kwantitatieve methoden om data te verzamelen.

Resultaten
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Toen beide pilots startten, was nog niet helder hoe precies een innovatieve gebiedsgerichte aanpak de gezondheid van bewoners zou kunnen verbeteren en was nog niet concreet en uitgekristalliseerd waar dit toe zou kunnen leiden. Het uitvoeren van een effectevaluatie was daardoor niet mogelijk en weinig zinvol. Daarom is gekozen voor een zogeheten actiebegeleidende onderzoeksmethodologie. Voordeel van dit type onderzoek is dat het enerzijds kennis en inzichten genereert waarmee het ontwikkelingsproces wordt gevoed en anderzijds dit proces wordt geëvalueerd.

 

Om het actiebegeleidende karakter handen en voeten te geven is ervoor gekozen om de dialoog tussen onderzoekers en ontwikkelaars te structureren aan de hand van een zogeheten “programmatheorie”. Een programmatheorie omvat de aannames over de manier waarop de pilots in relatie staan tot de maatschappelijke voordelen die verwacht worden van het programma, en de strategie en tactieken die binnen het programma gehanteerd worden om de doelen en doelstellingen te bereiken. In andere woorden: de programma theorie brengt in kaart wat de ambitie of beleidsdoelen zijn en welke middelen worden ingezet om die ambitie te realiseren.

 

In het eerste jaar van de studie zijn twee programma theorieën geconstrueerd, één voor Amsterdam Noord en één voor Utrecht Overvecht. Gedurende het jaar zijn diverse bijeenkomsten georganiseerd tussen de ontwikkelaars en de onderzoekers om de in ontwikkeling zijnde programmatheorie te bediscussiëren en aan te scherpen. Daartoe werd vooraf de laatste versie van de programma theorie toegezonden naast een agenda met andere agendapunten die moesten worden bediscussieerd. Gedurende de bijeenkomsten stond de vraag centraal of de programmatheorie een juiste representatie was van de ambities en de beleidsinterventies die werden uitgevoerd om die ambitie te realiseren. In juni 2011, zijn twee voorlopige programma theorieën voor beide wijken vastgesteld. (Nota bene: de definitieve programmatheorie kan pas aan het einde van de studie worden vastgesteld. Dan is pas duidelijk wat er feitelijk heeft plaatsgevonden.)

 

Het construeren van beide programmatheorieën vond niet louter plaats op basis van een dialoog met de ontwikkelaars. De primaire onderzoeker heeft theoretische en empirische gegevens verzameld en op grond daarvan de programma theorie ingevuld. Daar lag het zwaartepunt van het onderzoek in het eerste jaar. Data werden verzameld op basis van kwalitatieve interviews, documenten, veldobservaties en de (wetenschappelijke) literatuur.

 

Deze actiebegeleidende werkwijze op basis van een programmatheorie is waardevol gebleken. Allereerst dwong het de ontwikkelaars te expliciteren wat het probleem is, welke middelen worden ingezet om dat probleem op te lossen, en wat het beoogde doel is van die oplossing. Daarnaast leidde het gebruik van de programmatheorie tot een validatie van de onderzoeksgegevens en resultaten. Tot slot heeft de programmatheorie voor de evaluatie uiteindelijk een conceptueel model opgeleverd waarin is vastgelegd welke variabelen en hun onderlinge relaties centraal staan in het onderzoek.

 

Op grond daarvan was het mogelijk de tweede fase van het onderzoek te starten, waarin de focus op een drietal empirische onderzoeksvragen is komen te liggen: 1) in welke mate denken en handelen professionals die werkzaam zijn in beide wijken preventief, generalistisch en coachend? 2) Hoe ervaren patiënten/burgers een meer integrale aanpak?, en 3) Heeft de benadering in beide pilots invloed op het zorggebruik van de populatie in totaal, en van specifieke doelgroepen? Op dit moment staat het onderzoek in het teken van de dataverzameling en –analyse om deze drie onderzoeksvragen te beantwoorden.

 

Samenvatting van de aanvraag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Populations in deprived neighbourhoods are relatively unhealthy. This is partly attributable to a higher prevalence of unhealthy lifestyles in these populations. Despite investments in promoting healthy lifestyles, little health gain has been achieved. The available evidence suggests that people in lower socio-economic groups less frequently participate in health promoting services. Problems reported include the fact that these services are fragmented, and hardly structurally embedded in regular care. Moreover, many public health measures do not seem to fit the health needs of these populations, given e.g. the ethnic and cultural background of these groups. In order to tackle inequalities in health, further investments have to be made to improve the uptake of preventive services in these groups. Given the complex and multi-faceted character of health problems in these populations, the collaboration between public health, primary and social care is promoted as the way forward. However, little empirical research has been done regarding the ways in which this collaboration develops. Neither do we have a good insight into the conditions that are critical for its success, or into the impact of the collaboration in terms of uptake of effective preventive interventions.

 

This proposal aims to contribute to the theory base and evidence base of collaboration between public health, and public and social care, for the improvement of population health. It makes use of a window of opportunity that was opened by two pilots that have recently been started in deprived neighbourhoods in two Dutch cities, i.e. Amsterdam (Amsterdam North) and Utrecht (Utrecht Overvecht). The pilots have been initiated by the major health care insurer in both districts and the local municipality. The aim is to target the organizational policies and performance of professionals to the health needs of the population, and to structurally integrate preventive care into this infrastructure. This would promote the uptake of preventive care by the population, and strengthen the self-management of the population.

 

We propose, first, to facilitate and explore the collaboration between public health, primary and social care, within both city districts in Amsterdam and Utrecht, and second, to study the outcome of this collaboration in terms of implementation and uptake of collaborative preventive services. To meet these research objectives, the research design falls apart into two parts. The first part consists of a developmental evaluation focussing on the process of collaboration between public health, and primary and social care. This means that the research team will closely cooperate with the partners of both pilots, in order to facilitate the developmental process of collaboration as well as to build practically meaningful theories on this process and the resulting changes in the care system. The second part analyses the outcome of the collaborative processes, in terms of implementation and uptake of (collaborative) preventive services.

 

The ultimate aim of the study is to contribute to the theory and evidence base of collaboration between public health, primary care, and social care, for the improvement of population health in lower socio-economic groups in particular. The project will focus on the adult population (aged 18 years and older).

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: NavigatieDirect naar: Onderkant website