Verslagen

Eindverslag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Het Voedingscentrum heeft van januari 2002-mei 2006 een community-based trial uitgevoerd rond groenten en fruit bij 9-12 jarige schoolkinderen met laag sociaal-economische status en hun ouders.in twee steden, Arnhem en Tilburg in 5 achterstandsijken. Het doel was drieledig: het ontwikkelen, uitvoeren en onderzoeken van een school-based groenten en fruit stimuleringsprogramma; het hierdoor verhogen van gedragsdeterminanten als kennis, bewustwording, positieve attitude en eigen effectiviteit van de kinderen en het vergelijken van twee interventiemethoden in de setting school ter stimulering van de groenten en fruitconsumptie. Deze methodieken: peereducation (voorlichting voor en door de doelgroep) in de vorm van 5 videofilms met kinderen zelf in de hoofdrol en voedingsadvies-op-maat (persoonlijk afgestemde voorlichting)in de vorm van een CD-Rom met groenten en fruitadvies, werden ondersteund door een lerarenhandleiding en een werkboekje voor kinderen. Voor de setting wijk zijn in buurthuizen Kinderkookcafés en voor moeders Lekker Fit bijeenkomsten om te proeven en praten over groenten en fruit. Hiertoe werden vrijwilligers uit de buurthuizen getraind. De interventie is ontwikkeld met de GGD Hart voor Brabant en Hulpverlening Gelderland Midden en het ProChildren project voor voedingsadvies-op-maat en het landelijk SchoolGruiten project voor de peereducation videos en werkboeken. De twee GGD-en voerden de interventie uit 9 basisscholen en 4 buurthuizen in achterstandswijken in Arnhem en 8 basisscholen en 3 buurthuizen in achterstandswijken in Tilburg in het schooljaar 2003-2004. Een kleine 2000 schoolkinderen van groep 5-8 heeft de interventie op school gevolgd; een kleine 500 kinderen het kinderkookcafé en 71 moeders de Lekker Fit bijeenkomsten. Tijdens de interventie heeft een uitgebreide procesevaluatie plaatsgevonden. Verder is op 3 momenten een effectvragenlijst bij 1600 leerlingen op school afgenomen. Het design was een quasi-experimenteel pre-test post-test controlegroep design met twee post-tests. De achterstandswijken en scholen werden niet gerandomiseerd toegewezen.

In de effectmeting werden voedselfrequentie en determinanten van gedrag gemeten, met name kennis, bewustwording, attitude, eigen effectiviteit.

Samenvattend kunnen we concluderen dat de interventie de vraagstellingen van het onderzoek heeft beantwoord. Een heel duidelijk verschil tussen peereducation en voedingsadvies op maat werd niet gevonden voor de determinanten attitude en bewustwording resp. Wel hebben de multicomponenten van de interventie effect gehad op divese gedragsdeterminanten. Des te opvallender omdat de interventieactiviteiten maar voor ongeveer de helft op school zijn uitgevoerd. In de toekomst kan een aangescherpte interventie zeker effect hebben op gedragsdeterminanten van groenten en fruit bij 9-12 jarige schoolkinderen opleveren. Het ProChildren en Landelijke SchoolGruiten onderzoek wijst uit dat het verstrekken van groenten en fruit in de omgeving het meest effect heeft. Samen met de ondersteunende interventieactiviteiten van een aangescherpt programma zal dit zeker positief effect hebben op de groenten en fruitconsumptie van 9-12 jarigen.

Verschillende onderdelen van het programma zijn inmiddels herschreven op grond van de resultaten en zullen in de toekomst op grotere schaal worden geïmplementeerd.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Resultaten
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Resultaten en conclusies van de effectmeting:

• Door de interventie neemt de kennis rond groenten en fruit toe. Dit geldt voor vrijwel alle aspecten van kennis bij zowel jongens, meisjes, allochtoon, autochtoon en met name in de groepen 5-7. De WB + interventiegroepen, dus met peereducation en VOM naast het werkboekje scoorden het beste.Dit werd ook in de tweede nameting nog gevonden.

• Het aantal gerapporteerde eetmomenten van de interventiegroepen met WB en WB + VOM nam toe vooral bij jongens, autochtonen en in groep 7 (groente) en bij jongens, autochtonen en groep 7 en 8 bij zowel WB, peer en VOM (fruit). Dit effect is bij de tweede nameting nog te vinden. Het aantal eetmomenten van fruit inclusief sap is verhoogd bij de intentiegroep WB+ bij jongens, zowel allochtoon en autochtoon en in groep 7en 8. Op de langere termijn was het effect alleen nog bij autochtonen zichtbaar.

• De determinant bewustwording nam niet meer toe bij de interventiegroepen met WB en VOM voor wat betreft groenten. Voor fruit was dit wel het geval, hoewel dit effect bij de tweede nameting alleen bij groep 7 overeind bleef. Er werd hier geen verschil tussen allochtonen en autochtonen gevonden.

• Degenen die hun consumptie realistisch hadden ingeschat toonden geen verschil in eetmomenten na de interventie voor groenten, en alleen bij WB+, vooral bij peer + VOM voor fruit in groep 7. Dit effect bleef bij de 2e nameting.

• De interventiegroepen zijn niet positief verschoven in stadium van gedragsverandering, met uitzondering van de groep autochtone leerlingen van groep 7 in de groep WB +.

• Er zijn geen verschillen tussen de interventiegroepen en de controlegroep wat betreft intentie tot het meer eten van groenten en fruit, muv de groep meisjes in de groep met WB.

• De interventiegroep peereducation + VOM hebben een hogere score bij positievere attitude rond het eten van groenten op andere tijdstippen. Dit effect is bij allochtonen in de 2e nameting nog steeds te vinden. Bij het eten van fruit is dit effect bij WB+, vooral bij de groepen Peer+ VOM en VOM in allochtonen , jongens en in groep 5 en 6 te vinden maar in de tweede nameting verdwijnt het effect.

• Het imago van fruit is beter bij de interventiegroep WB + dan bij de controlegroep. Dit geldt vooral bij meisjes, allochtonen en in groep 5 . Het effect wordt vooral veroorzaakt door peereducation en peer+ VOM. Dit verschil blijft bestaan in de 2e nameting.

• De interventiegroep met WB en WB+ vind meer soorten groenten en fruit lekker/gewoon na de interventie dan er voor. De attitude scoort dus hoger in de meeste subgroepen, vooral bij meisjes, de lagere groepen, allochtonen bij de interventie VOM en Peer+ VOM.

• Bijna alle subgroepen geven aan na de interventie met VOM en Peer + VOM minder soorten groenten en fruit nooit geproefd te hebben. Dit effect blijft overeind op de langere termijn bij jongens (VOM), meisjes (alle interventiegroepen), groep 5 en 6.

• Over het effect van de determinant eigen effectiviteit bij het vragen om meer groenten en fruit is geen betrouwbare uitspraak te doen door een scheve verdeling. Er bestaan geen significante verschillen met uitzondering van een lagere eigen effectiviteitsscore van de groep allochtonen na de interventie met het VOM . Er is een hogere eigen effectiviteitsscore bij vragen om andere soorten groenten en fruit bij de autochtone interventiegroep met WB+. Dit zit vooral in de groep peer+ VOM. De allochtonen vertonen een lagere effectiviteit op dit punt.

• De determinant coping/omgaan met groenten en fruit, met name de niet lekkere soorten wordt na de interventie met het WB hoger gescoord. Dit effect wordt vooral veroorzaakt door de groep allochtonen, WB en WB+ bij groenten en door de groep jongens met WB bij fruit. Deze effecten blijven in de tweede nameting niet overeind.

Er is verschil in effect tussen allochtone en autochtone kinderen, met name rond tijdstippen van eten van groenten, voorkeuren en meer eten van groenten en fruit.

• Er zijn wel verschillen tussen jongens en meisjes gevonden, bijvoorbeeld rond groente of fruitconsumptie maar niet consequent.

Samenvattend kunnen we concluderen dat de interventie de vraagstellingen van het onderzoek heeft beantwoord. Een heel duidelijk verschil tussen peereducation en voedingsadvies op maat werd niet gevonden voor de determinanten attitute en bewustwording resp. Wel hebben de multicomponenten van de interventie effect gehad op divese gedragsdeterminanten. Des te opvallender omdat de interventieactiviteiten maar voor ongeveer de helft op school zijn uitgevoerd. In de toekomst kan een aangescherpte interventie zeker effect hebben op gedragsdeterminanten van groenten en fruit bij 9-12 jarige schoolkinderen. Gecombineerd met groenten en fruitverstrekking dat effectief is gebleken in het ProChildren en landelijk SchoolGruiten onderzoek zal een aangescherpte interventie zeker positief resultaat op consumptiegedrag van schoolkinderen hebben.

 

Samenvatting van de aanvraag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Epidemiological research shows that a low intake of vegetables and fruit in the daily food pattern is one of the most important nutritional problems, in particular in children of parents with a low socio-economic status (SES). Behavioural research points out that the lack of awareness of one's own vegetable and fruit consumption forms for consumers a major barrier to eating more fruit. In the Netherlands few research projects have investigated intervention methods that are effective in rasing awareness of vegetable and fruit consumption by parents with low SES and their children. For this reason, a study will be carried out in two cities measuring the effectiveness of two intervention methods in this area: peer education and tailored nutritional advice. These intervention methods will be expected to improve awareness and attitude for eating more vegetables and fruits in 9 through 12 year-old children with low SES and their parents. These particular methods were chosen because they are based on theoretical methodology and strategies, which form the basis of determinants of behavioural change, namely, awareness and attitudinal change These interventions proved effective with other target groups and seem to be effective potentially for low SES groups. If these interventions prove to be effective they can contribute to the prevention of chronical disorders such as cardio-vascular diseases, cancer, overweight, through which socio-economic health differences will be minimised.

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: NavigatieDirect naar: Onderkant website