Verslagen

Eindverslag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Huisartsen vinden palliatieve zorg een belangrijk onderdeel van hun takenpakket, maar ze vinden het moeilijk. Zeker nu palliatieve zorg reeds in een vroeger stadium van een ongeneeslijke, dodelijke ziekte ingezet zou moeten worden, blijkt dit lastig te implementeren. Hoe weet je welke patiënten in je praktijk hiervoor in aanmerking komen? En hoe ga je dan daadwerkelijk met deze patiënten aan de slag?

In dit project hebben we hier oplossingen voor proberen aan te dragen, en dit getest in een gerandomiseerde gecontroleerde studie.

1. we hebben drie set van indicatoren ontwikkeld, de RADPAC (mbv literatuuronderzoek, focusgroepen en een Delphiprocedure) die huisartsen kunnen triggeren om palliatieve zorg te starten bij een patiënt.

2. We hebben op een gestructureerde manier op een handzaam kaartje in kaart gebracht welke aspecten meegenomen moeten worden bij een patiënt (lich. asp; psychosociaal; adl; financieel; spiritueel) waarbij zowel rekening wordt gehouden met bestaande problemen als te verwachten scenario's.

3. We hebben een training ontwikkeld voor huisartsen waarin ze leren deze indicatoren en structuur toe te passen.

4. Huisartsen die geïnteresseerd waren om deel te nemen werden gerandomiseerd in een controle- of interventieconditie. De huisartsen in de interventiegroep werden getraind en uitgenodigd patiënten op deze manier te gaan identificeren en een zorgplan te ontwikkelen en uit te voeren. Met betrekking tot elke patiënt voor wie de huisarts vervolgens een zorgplan in concept klaar had, werd dit besproken met een consulent palliatieve zorg.

5. Tijdens een terugkombijeenkomst een half jaar na start, bleken huisartsen moeite te hebben om met name bij patiënten met COPD of met hartfalen het gesprek aan te gaan waarin palliatieve zorg, dus ook het einde van het leven, ter sprake kwam. Om die reden is hier een volgende bijeenkomst met simulatiepatiënten mee geoefend.

Na afloop van de interventieperiode is met behulp van vragenlijsten aan huisarts en aan praktijkassistente nagegaan of er verschillen waren in plaats van overlijden, ziekenhuisopnames en contacten met dokterspost. Op deze harde uitkomstmaten vonden we geen verschillen tussen interventie- en controlegroep. Wel bleken patiënten erg tevreden met deze aanpak, vonden huisartsen de handvatten erg prettig en bleven ze deze ook gebruiken.

Er zijn diverse kenmerken van de studie die bijgedragen kunnen hebben aan het uitgebleven effect. ZOwel de huisartsen in de interventiegroep als die in de controlegroep waren erg gemotiveerd, en schatten in het begin van de studie hun competentie om palliatieve zorg te verlenen al hoog in. Daarnaast zijn veel patiënten primair bij de medisch specialist onder controle, waardoor deze niet direct in beeld zijn bij de huisarts. Bovendien zijn huisartsen niet goed op de hoogte met wat de specialist wel en niet al met deze patienten besproken heeft. Om die redenen raden we aan om in een soortgelijke studie een design te kiezen waarin niet alleen gekeken kan worden naar deze harde uitkomstmaten maar ook kwaliteit van leven e.d. in beide groepen patiënten mee te nemen. Ook raden we aan om de identificatie (ook) bij de medisch specialist te leggen, en een nauwere samenwerking te zoeken tussen specialist en huisarts.

Resultaten
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

- We zijn er in geslaagd de RADPAC indicatoren te ontwikkelen: 3 sets van indicatoren (voor resp. kanker, COPD en hartfalen) als trigger voor vroegidentificatie van palliatieve patiënten in de huisartsenpraktijk.

- We hebben een handzame geplastificeerde RADPAC indicatorkaart ontwikkeld met aan de ene kant de indicatoren, en aan de andere kant de aspecten waarmee rekening gehouden moet worden bij het opstellen van een proactief zorgplan.

- We hebben een positief geëvalueerde training ontwikkeld over hoe de indicatoren te gebruiken en hoe een proactief zorgplan op te stellen en uit te voeren.

- Voor het probleem dat in de studie naar voren kwam dat huisartsen moeite bleken te hebben met het aangaan van het gesprek met niet-oncologische patiënten (COPD en hartfalen), hebben we met behulp van simulatiepatiënten laten oefenen. Tweederde van de huisartsen besprak met de (simulatie)patiënt de ernst van de ziekte en de verslechtering. Een derde benoemt dat het leven eindig is. Een op de vijf huisartsen gaf aan zich zorgen te maken zonder de ernst van de ziekte te concretiseren. - Met de consulenten palliatieve zorg die door de huisartsen gebeld werden om het conceptzorgplan door te nemen is na afloop van de interventieperiode een focusgroepinterview gehouden om te vragen hoe het voor hen, als consulenten, was om proactief advies te geven in plaats van het meestal reactieve advies dat ze gewend zijn in de dagelijkse praktijk. Hiervan is een projectverslag beschikbaar en een wetenschappelijk artikel in bewerking. De consulenten vonden dit een nieuwe, uitdagende ontwikkeling van de inhoud van hun functie, en zouden graag uitgebreidere scholing hier in krijgen. Tot nu toe worden consulenten met name in crisissituaties gebeld en moeten ze acuut advies geven. Dit project bood hen de kans om in scenario’s te gaan denken, wat ze moeilijk, maar ook boeiend vonden.

- Patiënten en mantelzorgers zeiden in een open vraag dat het gesprek mbt palliatieve zorg op het goede moment plaatsvond, een enkeling vond het iets te vroeg. Ook op de open vraag wat de proactieve palliatieve zorg tot dan toe heeft opgeleverd blijkt dat ze de systematische aanpak en het plan dat besproken werd zeer waarderen.

- In februari 2010 is de RCT afgerond. Huisartsen en praktijkassistentes van controle- en interventiegroep kregen een vragenlijst toegestuurd. We vonden in de univariate analyses geen verschillen in ziekenhuisopnames, plaats van overlijden, contacten met dokterspost tussen interventie- en controlegroep. Mogelijke verklaringen hiervoor zijn het feit dat de deelnemende huisartsen een bovengemiddelde interesse in palliatieve zorg hebben, en waarschijnlijk al een hoog uitgangsniveau hadden. De gemiddelde interesse in palliatieve zorg van de deelnemende huisartsen was 8,20 (schaal 0-10) voor de interventiegroep en 8,09 voor de controle groep. De schatting van het eigen kunnen met betrekking tot palliatieve zorgverlening van de deelnemende huisartsen (VAS 0 niet competent, 10 zeer competent) was gemiddeld, namelijk 6,8 voor de interventie- en 6,85 voor de controlegroep.

- Achteraf bezien is de keuze voor deze harde uitkomstmaten wellicht te optimistisch. Door het design van de studie was het alleen mogelijk om bij patiënten en mantelzorgers in de interventiegroep prospectief de kwaliteit van leven, depressie en angst te volgen, en kunnen we geen uitspraken doen over het effect van de interventie op deze uitkomstmaten.

- Op een schaal van 0 tot en met 10 gaven patiënten in de interventiegroep ruim een 8 voor de totaal geleverde zorg, en bleef zo hoog tijdens de interventieperiode.

- Gezocht zou moeten worden naar een design waarin het effect van proactieve zorg op kwaliteit van leven, depressie, symptomen e.d. tussen interventie- en controlegroep zichtbaar wordt gemaakt.

- Met betrekking tot het proactief identificeren van patiënten met hartfalen en COPD bleek dat de training met simulatiepatiënten weliswaar hielp, maar dat dit moeizaam bleef gaan. Ook doordat dit over het algemeen patiënten zijn die bij de medisch specialist onder behandeling zijn en: a. de medisch specialist primair behandelaar isvoor de aandoening waardoor de huisarts door de patiënt pas geconsulteerd wordt indien er een probleem bestaat; b. tijdens een consult de huisarts meestal niet op de hoogte is van wat er al besproken is tussen specialist en patiënt mbt eindeleven, palliatieve zorg e.d. Hierdoor samenwerking vindt de huisarts het lastig een gesprek over palliatieve zorgbehoeften aan te gaan.

- Uit de kwalititatieve gegevens dat huisartsen de training en de tool, met name het gestructureerde kwadrant, erg waarderen. Het proactief zorgplan bevalt prima, het biedt huisartsen op een eenvoudige manier meer systematiek. Met name het denken in scenarios en het beleid daarop enten werd als zeer leerzaam en praktisch relevant ervaren. Ook de patiënten bleken het prettig te vinden om op deze manier begeleid te worden door hun huisarts.

 

Voortgangsverslag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Voortgangsverslag behorende bij het project: 'identificatie van en proactieve zorgplanning bij palliatieve patiënten met de huisarts als coördinator'

Dit verslag is als pdf bijgevoegd. Evenals een VIP.

Resultaten
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Zie hiervoor het voortgangsverslag behorende bij het project: 'identificatie van en proactieve zorgplanning bij palliatieve patiënten met de huisarts als coördinator'

Dit verslag is als pdf bijgevoegd. Evenals een VIP.

Samenvatting van de aanvraag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

De zorg voor patiënten met een beperkte levensverwachting ten gevolge van ongeneeslijke kanker of vergevorderde stadia van chronische aandoeningen wordt steeds belangrijker. Omdat de meeste palliatieve patiënten, ook als ze onder behandeling zijn van een specialist, thuis zijn en liefst ook thuis willen sterven, is de huisarts de aangewezen persoon om het zorgtraject in samenspraak met patiënt en specialist te coördineren. Echter, huisartsen hebben geen goed overzicht van de palliatieve patiëntenpopulatie in hun praktijk. Hoewel huisartsen palliatieve zorg als hun taak beschouwen, ontbreekt vaak een pro-actief zorgplan. Door een dergelijk zorgplan kunnen alle relevante lichamelijke, psychosociale en existentiële problemen besproken worden en kan hierop geanticipeerd worden, kunnen zaken op tijd geregeld worden, kan de draaglast van de mantelzorg bewaakt worden en de huisartsenpost op de hoogte worden gehouden van de actuele situatie. Door dit pro-actieve beleid zal het aantal crises (met ongeplande consulten en opnames in het ziekenhuis) verminderen, het percentage patiënten dat overlijdt op de plek naar keuze toenemen en het psychisch welbevinden en de tevredenheid met de zorg van patiënten en mantelzorg toenemen. Aan zorgverlenerszijde zal de tevredenheid van de huisarts met de door hemzelf geleverde zorg toenemen, de tevredenheid van de waarnemende huisartsen op de dokterspost met de informatievoorziening over de palliatieve patiënten stijgen, alsmede de tevredenheid van overige zorgverleners (zoals de thuiszorg).

Met behulp van een gerichte training voor huisartsen, indicatoren om hun palliatieve patiënten te identificeren, handvatten om een pro-actief zorgplan uit te voeren en overleg met een gespecialiseerd palliatief consulent willen we in een clustergerandomiseerde studie het effect van deze interventie evalueren.

 

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: NavigatieDirect naar: Onderkant website